De dag vóór onze verbouwing begon, had ik al hoofdpijn. Als ik om me heen keek in de huiskamer, kon ik me niet indenken dat we die ooit leeg zouden krijgen. Mijn dochters waren de dag ervoor al komen helpen, wij moesten alleen nog ‘de laatste dingetjes doen’. Precies die laatste dingetjes zag ik helemaal niet zitten.
Maar zoals ze in de bokswereld zeggen: helpers weg, laatste ronde. Gerard moest werken dus die had geen tijd en onze puber lag op zijn bed, met z’n mobieltje uiteraard. De jongste was op kamp.
Er zat er niets anders op dan zelf de mouwen op te stropen. Ik geloof dat ik wel 30 keer de trap op ben gesjouwd. En nóg was het niet klaar. Uitgeput rolde ik ’s avonds in bed tegen Gerard aan, die zich helemaal niet zo druk maakte.
‘Het komt allemaal wel goed joh’, zei hij troostend. ‘En zo niet, dan kun je daar nu toch niets aan doen’. Logica waar geen speld tussen te krijgen was. Dus probeerde ik mijn vermoeide lijf maar te ontspannen en wonder boven wonder lukte dat nog ook.
De volgende morgen stonden we vroeg op. Ik had geen hoofdpijn meer, maar wel ontzettende spierpijn van het gesjouw van gisteren. Het plan was dat wij om negen uur weg zouden gaan. Janine moest opgehaald worden en daarna zouden wij naar het oude huis van schoonmoeder rijden. Daar konden wij bivakkeren tijdens de verbouwing. Konden de jongelui mooi hun gang gaan in ons huis, zonder dat wij ons ermee gingen bemoeien.
Maar zoals wel vaker bij ons, liep het anders. Gerard had zijn tas nog niet gepakt en ik was te moe om helder na te denken. Traag at ik een beschuitje en dronk een kop thee.
‘Ga jij Janine maar halen’, zei ik tegen Gerard. ‘Ik ben zo moe, ik kan beter nog wat langer hier blijven.’
Gerard keek een beetje moeilijk. ‘We zouden toch samen weggaan?’
‘Jij hebt je tas nog niet eens ingepakt!’ zei ik kattig. ‘Dacht je dat ik dat ook nog ging doen na alles wat ik gisteren al heb gedaan?’
Net op dat moment kwam er een vrolijk appje binnen van onze dochter Irene en vriend Simon.
‘We zijn al bijna bij Veenendaal hoor! We zijn mooi op schema!’
Eerlijk gezegd had ik gehoopt dat ze zich een uurtje verslapen zouden hebben… Maar nee, dat zat er niet in.
Zuchtend legde Gerard zich bij mijn plan neer. Veel tijd om te discussiëren hadden we ook niet, want er werd al op het raam geklopt. ‘Halloooo!’
Daar stonden Irene en Simon. Simon had een flinke aanhangwagen achter zijn auto. Daar begon hij meteen allerlei gereedschappen uit te halen, en – heel belangrijk – de bouwradio.
‘Waar is Toon?’ informeerde Simon. Het was tien over acht.
‘Die zal zo wel komen,’ zei ik. En inderdaad, vijf minuten later kwam zoon Toon aanscheuren met een busje van zijn werk.
‘Goeiemorgen!’ riep hij vrolijk. ‘Wat? Is het hier nog niet leeg?’
‘Hee, jij bent een kwartier te laat!’ merkte Simon op. ‘Tijd is tijd toch?’
Toon lachte. ‘Nou, waar beginnen we mee? Moeders, heb je al koffie?’
Iedereen praatte door elkaar heen en intussen werd de bouwradio aangezet. In een handomdraai werden de laatste spullen in doosjes gestopt en boven gebracht. Daar was het zo vol, dat je er nauwelijks kon lopen. Het lukte Maarten nog net om plekje vrij te houden op zijn bed… kon hij tenminste nog even relaxen!
Gerard vertrok met de auto en ik liep vertwijfeld rond in huis. Ik was nu al verschillende dingen kwijt. Zoals het mobieltje van Janine, die ze een week had moeten missen door kamp. Waar zou dat ding nou toch gelegd zijn? mopperde ik. Janine zou niet blij zijn als ik ‘m niet kon vinden.
Beneden klonk er een hoop herrie. Simon was degene die de hele organisatie regelde. Hij had een strak schema gemaakt voor de komende 7 dagen en hij deelde de opdrachten uit. Tafels en stoelen moesten naar de tuin. De koelkast, diepvries en afwasmachine moesten in de bus van Toon, want die zou hij overnemen.
‘Maar er zit nog van alles in de diepvries!’ riep ik.
‘Oh, dat zoek ik later wel uit,’ zei Toon makkelijk. Dat uitzoeken later bleek vooral te bestaan uit weggooien, want het meeste was ontdooid toen hij eindelijk tijd had. Zonde van alle net-gekochte Cornetto’s, kaassouflés, broodjes en de rest. Er zat zelfs een goed ingepakte reserve-batterij in van onze telefoon (actie van Gerard), tot zijn verdriet óók weggegooid. Tja.
‘Wat ga je met die piano doen?’ vroeg Simon. ‘Die kan hier echt niet blijven staan hoor!’
Het plan was eigenlijk om die in de tuin te zetten, maar het was gaan regenen. Niet zo geschikt voor een piano, ook al was die al oud.
Paniekerig belde ik bij de buren aan. Wisten zij een ruimte waar de piano kon staan? Nee, dat wisten ze niet. Redder in nood werd onze andere buurman, die zijn huiskamer aanbood als tijdelijke opslagplaats. Hij ging toch op vakantie. Ik kon hem wel zoenen, maar vanwege corona begon ik daar natuurlijk niet aan.
Waar het mij steeds niet lukte om Maarten in beweging te krijgen, kreeg Irene dat zo voor elkaar. Maarten mocht meehelpen de tegeltjes uit de keuken eraf te slopen met een soort drilboor. Stoer en met gehoorbescherming op was hij lekker aan de gang. Het was een enorm kabaal. Voor ik er erg in had, lagen de onderdelen van onze oude keuken al in de aanhanger, en reden Toon en Irene ermee naar het afvalstation.
Voor ik er erg in had, stonden Gerard en Janine ook alweer op de stoep. En vlak daarna Toon en Irene met een lege bus. De jongelui kregen honger van al dat werken; of ik dus even voor de lunch kon zorgen. Natuurlijk. Daarna weer tien dozen en tassen doorzocht vanwege dat ellendige mobieltje. Maar… ik vond ‘m! Janine weer blij.
Uiteindelijk was de hele benedenverdieping gestript in een paar uur tijd. Alles was eruit, geen tegeltje meer aan de muur, geen restje tapijt of splinter hout meer op de grond. En wij waren nog steeds niet weg… Om drie uur zwaaiden wij iedereen uit die die dag geholpen had – dag 1 van de planning was gedaan – en sloten de boel af. We moesten het nu echt loslaten, het werk letterlijk uit handen geven en vertrekken. Maar ik had er al meer vertrouwen in dan 24 uur daarvoor. Gerard had gelijk: het zou allemaal vast goed komen. En zo niet… dan kon ik er nu toch niets meer aan doen.
Eén opmerking over 'Verbouwing -2-'