Ik hou heel veel van Gerard, en hij ook van mij. Toch zijn er momenten dat we ons allebei afvragen wat we ooit in elkaar gezien hebben… Ik vind hem dan ingewikkeld doen en hij vindt mij dom… Meestal gaat het om kleine dingen, maar ook kleine dingen kunnen knap irritant zijn!
Vaak verlopen de irritaties volgens hetzelfde patroon: de één doet iets en de ander reageert, waarop de één boos wordt en de ander zich ook niet begrepen voelt.
Gelukkig duren dat soort momenten niet lang; we hebben echt wel wat geleerd in alle jaren samen. Maar toch een blog over dit onderwerp. Al was het alleen maar… om gelijk te krijgen van mijn lezers 🙂
Pas was het weer zo’n dag. We hadden prima geslapen en het was herfstvakantie. Niets aan de hand. We zaten gezellig wat te drinken; wij koffie en de kinderen limonade. Koek lag klaar op een schaaltje. En ineens ging het mis.
Ik zat op een stoel bij het raam en wilde m’n beker even in de vensterbank zetten. Maar ik keek ook achterom…en voor ik het wist gooide ik de volle beker koffie om. Een flinke plens koffie stroomde over de vensterbank en de rest drupte op de vloer.
‘Oh nee… m’n koffie!’ riep ik geïrriteerd.
‘Oh nee, de nieuwe vloer!’ riep Gerard vanuit de andere hoek van de kamer. ‘Wat doe je nou weer? Maarten, geef jij mama gauw eens een vaatdoek om de vloer schoon te maken!’ Maarten is nooit zo snel op dit soort momenten, dus ik stond al in de keuken voor hij iets gevonden had wat op een vaatdoek leek. Gauw begon ik de koffie van de vloer te deppen. Ik baalde ervan dat mijn hele beker zo ongeveer leeg was. Maar Gerard heeft op zulke momenten altijd erg de behoefte om uit te pluizen hoe iets gebeurd is. Ook weer zoiets!
‘Wat gebeurde er nou precies?’ vroeg hij dus.
‘Niks,’ zei ik, ‘ik zat gewoon naar buiten te kijken’.
‘Nee,’ zei Gerard’, jij doet altijd van alles tegelijk. Je draaide je om en je deed onhandig met die koffie’.
Waarom vraag je het eigenlijk, als je het antwoord toch al weet?, dacht ik sacherijnig. Maar ik zei niets. Ik maakte de boel netjes schoon, spoelde de vaatdoek uit en schonk een nieuwe kop koffie in. Relax, sprak ik mezelf toe.
Niet zo heel veel later liep Gerard in de keuken te rommelen.
‘Had jij de koffie nou in de thermoskan gedaan?’, vroeg hij.
‘Ja ik geloof het wel,’ zei ik vaag. ‘Hoezo?’
‘Nou, de dop van de thermoskan is weg. Waar heb je die gelaten?’ ‘Ik heb geen idee’, zei ik. Hij is ook altijd alles kwijt!
‘Maar jij had de koffie toch overgegoten? Dan weet je toch wel waar de dop is? Of was je vergeten om ‘m af te sluiten?’
Ik probeerde me op een stukje in de krant te concentreren en luisterde maar half. ‘Wat zei je?’
‘Ja, je hoort me toch!’, riep Gerard ongeduldig. Terwijl hij liep te mopperen en zich druk maakte over hoe het precies gegaan was, schoot de thermoskan uit zijn handen…
‘Chips!’
‘Wat doe je allemaal?’, vroeg ik. Maar ik kreeg geen fatsoenlijk antwoord; wel een hoop lelijke woorden, die tegen hem zelf gericht waren.
Ik moest er eigenlijk wel om lachen. Eerst gooi ik de koffie om en nu hij! ‘Zal ik je helpen opruimen?’, bood ik aan.
‘Nee hoor, ik doe het zelf wel,’ zei Gerard. Ondertussen mopperde hij door over waar die koffie helemaal heen gespetterd was… op het aanrecht, over een kastdeurtje, over de vloer en tegen een pas witgeverfd muurtje. Het was een heel slagveld. Lekker bezig Gerard!
Helaas voor hem moest hij ook nog met de kinderen naar de tandarts. Nog meer gedoe. Want zo oud als ze zijn, ze kunnen maar niet onthouden dat ze dan eerst hun tanden moeten poetsen! Verder zochten ze naar hun schoenen, naar leuke cd’s voor onderweg in de auto, (de jeugdtandarts bevindt zich zo’n 25 km verderop), naar eten voor op de terugweg enzovoorts.
Eindelijk vertrokken ze en ik hoopte even een tijd rust te hebben. Maar nee, binnen drie minuten ging de bel alweer. Janine stond voor de deur.
‘Waar zijn de pasjes van de tandarts?’ vroeg ze.
‘Ah joh, die heb je helemaal niet nodig,’ zei ik. ‘Ze kennen jullie toch? Dat inchecken is alleen maar voor de show’.
Ik liep met haar mee naar de auto en zei ongeveer hetzelfde tegen Gerard. Die was het niet met me eens.
‘Wat denk jij dan waar ze die pasjes voor nodig hebben!’ zei hij ongeduldig. ‘Kunnen die kinderen nou nooit eens zelf iets bedenken? We waren zo op tijd en nou komen we weer te laat en en ….”
Ik luisterde niet meer naar hem. Gaf Janine een aai over haar bol en gooide het portier dicht. ‘Tot straks jongens!’
Uiteindelijk waren ze niet te laat, hadden ze hun pasjes toch wel nodig, maar werden ze evengoed geholpen. En ik had mooi tijd om de keukenvloer te soppen en een eindje hard te lopen. Altijd fijn na dit soort stress.
Dit was maar één voorbeeld van hoe snel het soms mis kan gaan. Ja maar hij ook altijd, ja maar zij…! Gelukkig zijn we dit gedoe tegenwoordig snel zat, evenals discussies over wie er gelijk heeft (toch, Gerard?).
We maken het dan weer goed, geven elkaar een knuffel, en zetten nieuwe koffie. Net zo makkelijk.