Op Tweede Kerstdag ga ik met een dochter naar mijn vader. Vanwege de corona-maatregelen kan ik maar één kind meenemen. Hanna had haar opa het langst niet gezien, dus de keuze viel op haar. Gerard blijft thuis met de jongsten drie, lekker rustig. Onze Hanna is een prettige reisgenoot. Ze klaagt niet als ik mijn pasje weer eens kwijt ben, of als ik in mijn rugzak rommel, op zoek naar kauwgum. Dit in tegenstelling tot mijn geliefde… Verder houdt Hanna ook van lezen, schrijven en een beetje naar buiten staren in de trein. Net als ik.
Mijn vader woont in de buurt van Schiphol. Je bent dus wel even onderweg als je er met het OV heengaat, reken maar op twee-en-een half uur. Maar ach, we zitten hoog en droog in de trein. Mondkapjes op, afstand houden van andere passagiers, eigenlijk best relaxed.
Het was weer eens zo’n dag dat het maar niet licht werd. Ik ben daar geen fan van. Om nog enigszins aan onze vitamine D te komen, besluiten we om vanaf het station in S. naar mijn vader z’n huis te lopen. Een wandeling van ongeveer 25 minuten, deels langs de snelweg, deels door de buurt waar ik als kind gewoond heb. ‘Kijk, dat is ons oude huis’, wijs ik Hanna aan. ‘En dat is de Zandsloot, daar speelden we vaak’. In de zomer kon je er roeien of langs de kant op naar dingen speuren. In de winter leerde je daar schaatsen. Iets wat mijn kinderen tegenwoordig nog nauwelijks meemaken.
Een eindje verderop ruikt het heerlijk naar mest. “Kijk, bij die boerderij wachtte ik altijd op mijn vriendinnen, als we naar school gingen’. De boerderij staat erbij alsof er niets veranderd is in 40 jaar. Het witgeschilderde viaduct onder de snelweg door lijkt ook niets veranderd. Nog steeds dezelfde gladde klinkertjes op straat en graffiti op de muren.
Niet veel later bellen we aan bij mijn vader. Ik zie hem stram overeind komen en een beetje wankel door de kamer lopen. Maar met een grote glimlach zwaait hij de voordeur open. ‘Kijk, daar zijn de dames. Kom gauw binnen, want het is koud! Zijn jullie helemaal vanaf het station komen lopen?’ Hoofdschuddend gaat hij voor ons uit de warme woonkamer in; 24 graden wijst de thermometer daar aan. Een mooie oude mannen-temperatuur, zoals mijn vader dat noemt. ‘Maar die thermometer klopt niet hoor,’ zegt hij altijd als wij klagen over de warmte. ‘Trek er maar 2 graden van af.’ Waarom, dat is me nooit duidelijk geworden.
Mijn vader ziet er goed uit, maar hij zegt dat hij moe is. Iets wat hij tot voor kort nooit zei. ‘Wat wil je pap, je bent 89!’ zeg ik. ‘Ja, ja,’ zegt mijn vader en dan richt hij zich tot Hanna. ‘Jouw moeder doet net alsof ik al 90 ben. Dat zei ze pas nog, en dat ik daarom eerder voor een coronaprik opgeroepen word. Maar ik ben nog lang geen 90!’ Hanna lacht. Mijn vader ziet er inderdaad niet hoogbejaard uit, al trillen zijn handen en is hij gauw buiten adem. ‘Ach ja, dat hoort erbij’, zegt hij altijd als je daarnaar vraagt. ‘De dokter wil dat ik een foto laat maken in het ziekenhuis, maar ik zie er de noodzaak niet van in. Zolang het niet erger wordt…’
Wonderlijk hoe mijn vader zich herstelt na een aantal zware jaren. Zijn tweede vrouw was erg hulpbehoevend geworden, en hij stond dag en nacht voor haar klaar. Verpleging in huis was niet nodig; hij regelde het zelf wel. Met grote moeite hebben we hem zo ver gekregen dat hij een huishoudelijke hulp accepteerde, maar daar hield het dan ook echt mee op. Ruim een jaar geleden werd hij voor de tweede keer weduwnaar en dat viel niet mee. Toch is hij weer opgekrabbeld en geniet hij van zijn leven. ‘Meid, ik vermaak me wel hoor’, zegt hij, als je hem vraagt hoe hij zich voelt. ‘Alleen zijn is niet altijd leuk, maar ik heb genoeg te doen. En ik ben nog gezond, dus wat wil je nog meer?’
Na een poosje babbelen maak ik een rondje door het huis. Niet om te controleren of het netjes is, want dat is het er altijd. Met ijzeren discipline zorgt mijn vader daar welk voor. Mijn hemel, ik wilde dat ik wat organisatietalent van hem had geërfd! Dan zag ons huis er tenminste ook wat opgeruimder uit… ‘Ja hoor eens, een huis is om in te leven, en wij hebben kinderen’, zegt Gerard altijd als ik daarover klaag. Maar vroeger leefden wij toch ook? Hoe doet hij dat toch? En zijn tuin is ook altijd een plaatje. Zowel in de voor- als achtertuin staat alles op z’n plek. Vroeger wist hij zelfs de namen van elk plantje in het Latijn, dankzij de Fleur (een tijdschrift over bloemen en planten).
Een blik op een klok en ik ren naar beneden. Het is al 5 uur en ik zou koken! Tweede Kerstdag of niet, mijn vader wil om kwart voor 6 het eten op tafel. Ik ben niet zo’n keukenprinses, maar ik doe m’n best. Zelf-gedraaide gehaktballetjes, gebakken aardappels en groenten. En modern als ik ben, check ik m’n appjes tussendoor. M’n vader kijkt over mijn schouder mee naar de foto’s die ik heb gemaakt. Hij heeft ook een mobieltje, maar die gebruikt hij slechts voor noodgevallen. Foto’s maakt hij met een fototoestel.
Na het eten doen Hanna en ik de afwas, en mijn vader ruimt op. ‘Dat kunnen wij ook wel hoor, pap’, zeg ik, maar het maakt geen indruk. Stel je voor dat we de kopjes op de verkeerde plek zetten! Toch zien we dat hij echt moe is.
We maken ons klaar voor vertrek. Tot een paar jaar geleden bracht m’n vader ons dan naar het station, maar dat doet hij niet meer. Hij rijdt alleen nog bij daglicht naar de supermarkt, één keer in de week. Alle andere dingen doet hij met de fiets. Lopen lijkt wel het enige wat hem niet meer goed afgaat…
‘Zielig hè’, zegt Hanna, als m’n vader ons uitzwaait. ‘Helemaal alleen in dat grote huis…’ Ik herinner me ineens dat mijn opa ons óók zo uit stond te zwaaien, in zijn eentje. Toen vond ik dat ook zielig. Maar nú ben ik vooral trots op die vader van mij! Oud is hij zeker, toch kan ik nog een beetje kind zijn bij hem. Want het laatste wat hij altijd tegen mij zegt is dit:
‘DAG MEISJE!’