Vreemde vogels

Het leven is niet altijd leuk. Een oude tante van mij, inmiddels al 7 jaar geleden overleden, vond dat ook. ‘De mensen worden steeds gekker’, zei ze vaak tegen me door de telefoon. ‘Ik vind er niks meer an’.
Ik vind er ook niet altijd wat an, soms denk ik zelfs dat ik gek word. Iedereen heeft maar een mening, er is geen enkel taboe meer, de één voelt zich gekwetst door de ander en de ander voelt zich niet gehoord, dus ook gekwetst.
En dan het weer! Eerst is het te warm, dan weer te koud. ‘Aprilletje zoet heeft nog weleens een witte hoed’… Mijn kinderen kenden die uitdrukking niet, maar dankzij april dit jaar wel. En nu is het meivakantie en lijkt het wel herfst!

Om te voorkomen dat ik gek word, ga ik regelmatig met iemand praten. Het is heerlijk om even mijn hart te luchten en ook fijn om hier en daar wat tegengas te krijgen. Ik leer anders naar mezelf te kijken en daardoor anders op gebeurtenissen te reageren. Dat is een mooi proces, maar het is ook pijnlijk en confronterend. Hoe langer je verkeerd aangeleerde patronen hebt gebruikt, hoe langer je erover doet om die weer af te leren. Maar goed, het vordert gestaag.

Evengoed ga ik er vaak een beetje gespannen heen. Zo ook vorige week. Ik was van te voren al moe en ik wist dat het weer pittig zou gaan worden. Toch fietste ik maar weer dapper naar het station en ging op een bankje zitten. De trein zou over 12 minuten komen. Het was gelukkig rustig, kon ik lekker wat voor me uitstaren en denken.
Die rust werd echter snel verstoord. Er kwam een jongen het perron op die, zonder afstand te houden, iedereen luid begroette. ‘Hallo!’ zei hij ook enthousiast tegen mij. Ik groette hem terug en dacht na of ik hem ergens van kende. Nee, geen idee. Hij liep alweer door naar het meisje vlakbij me, dat ook op de trein stond te wachten. Blijkbaar was zij voor hem de juiste persoon om een verhaal tegen te beginnen. Ik was stiekem blij dat hij mij voorbij was gelopen. Vroeger kreeg ik dat soort jongens ook altijd op me af. Ik hoorde van anderen dat dat kwam omdat ik er zo naïef uitzag… nou ja.
Het meisje naast me leek net zo’n type als ik vroeger; vriendelijk, bereid om te luisteren en niet veroordelend. Mooie eigenschappen, maar sommige mensen maken daar graag gebruik van. Ik kreeg zo het gevoel dat deze jongen – zonder mondkapje- er ook zo eentje was.

Hij begon met een vaag verhaal, ik zou niet eens kunnen zeggen waarover. Ik pakte een appel en deed mijn best om niet te luisteren. In plaats daarvan probeerde ik een foto te maken van een kauwtje. Dat beestje zat hooguit anderhalve meter van me vandaan op de rand van het perron. Het keek me brutaal aan met een blik van ‘Eet eens even door! Ik ga echt niet zomaar weg, hoor!’ Hij trok zich ook niets aan van de jongen naast hem met de harde stem. Die stelde het meisje allerlei vragen, en elk antwoord van haar bracht weer een nieuwe vraag op gang. Wat ze van homofilie vond bijvoorbeeld, wat het verschil was met homosexualiteit en wat er eigenlijk slecht aan was. Het meisje gaf geduldig antwoord, maar echt interesse in die antwoorden was er niet bij. Ik kreeg medelijden met haar en keek hun kant op.
‘Storen wij u, mevrouw?’ richtte de jongen zich nu tot mij. ‘Nee hoor’, zei ik. ‘Maar wel een moeilijk onderwerp zo ineens’.
De jongen nam een flinke slok uit een flesje oranje limonade met héél veel suiker. En hij was al zo hyper… zou hij gebruikt hebben? Ook merkwaardig dat hij alleen maar een trui en een trainingsbroek droeg; het was behoorlijk koud.
‘De wereld is maar een zooitje’, zei hij tegen mij. ‘Nou, zeg dat wel’, beaamde ik. ‘Ik maak er ook niks van.’ Dat antwoord leek hij niet verwacht te hebben van zo’n vijftigplusser, maar hij bleef ad rem. ‘Ach ja, iedereen pist weleens naast het potje.’

Toen ik weer naar hem keek, begon hij zich ineens te verdedigen. ‘Zeg, ik draag geen mondkapje, maar ik ben al ingeënt hoor!’
‘O ja?’ zei ik verbaasd. ‘Maar je bent nog zo jong! Jullie zijn toch nog helemaal niet aan de beurt?’
‘Ja maar ik woon in een soort leefgroep, daar loop je sneller kans om besmet te raken dus zijn wij allemaal al ingeënt”, zei hij.
Waar bemoei ik me eigenlijk mee, vroeg ik mezelf beschaamd af. Die jongen was duidelijk niet 100 %, laat ‘m toch kletsen.
Ondertussen had hij zijn pijlen alweer op het meisje gericht. Hij wilde niet vrouwonvriendelijk zijn, maar daar werd hij soms wel van beschuldigd. Maar hij had wel een vriendin, dus zo vrouwonvriendelijk was hij ook weer niet. Het meisje lachte, had er verder weinig op te zeggen. De jongen begon steeds sneller te praten, iets over borsten en verschillende formaten daarvan enzovoorts. Geërgerd keek ik naar de kauw, die inmiddels verderop zat. ‘Maar mijn vriendin is heel rijk’, kletste de jongen door. Naïef als ik was – net als vroeger- dacht ik dat hij het over geld had. Tot hij gebaren begon te maken hoe groot de cup van zijn vriendin zo ongeveer was.
Ineens kon ik er niet meer tegen. ‘Zo praat je toch niet over je vriendin!’, zei ik berispend. ‘Stel je voor dat zij het zou horen!’ Ik voelde me beledigd voor haar, en voor mezelf, en had ook helemaal genoeg van zijn praatjes.

In de verte kwam de trein eraan. De jongen liep snel weg, op zoek naar ander publiek waarschijnlijk. Het meisje en ik keken elkaar zuchtend aan, met een blik van ‘Die is weg! Wat een vreemde vogel.’

Toch dacht ik er onderweg nog over na. Had ik anders moeten reageren, had ik hem moeten vragen wat zijn verhaal eigenlijk was? Had ik moeten zeggen dat hij okay is en dat God van hem houdt?
Eerlijk gezegd wist ik het niet. Ik ben niet zo goed in dit soort gesprekken. Als ik onderweg ben, wil ik niet praten met vage figuren. En zeker niet van gedachten wisselen over onderwerpen die hij aansneed! Maar ja, we leven in een vrij land. Al ben je een vreemde vogel, je mag zeggen wat je wil. Trouwens, wat is normaal en wat is vreemd? Ik was zelf ook op weg naar iemand, die naar mijn verhalen ging luisteren. En die krijgt daar nog voor betaald ook… ook een beetje vreemd toch?

We hebben allemaal wat, we zijn allemaal raar en toch zijn we broertjes en zusjes“. Met deze regel uit een oud liedje van Elly en Rikkert, stop ik ermee. “We hebben allemaal wat, we zijn allemaal raar en toch houden we van elkaar“. Laten we het daar dan maar op houden.

Gepubliceerd door Rineke van Eijk - de Muijnck

Hallo, mijn naam is Rineke. Vierendertig jaar getrouwd met Gerard (pseudoniem) en moeder van zes kinderen. Vier van deze kinderen zijn al volwassen en wonen op zichzelf. De jongste twee, allebei pubers, wonen nog thuis. Mijn leven is nooit saai, daar schrijf ik dan ook graag over. Als ervaren moeder twijfel ik regelmatig aan mijn kwaliteiten als opvoeder, maar kan mijn hart ophalen aan twee lieve kleinkinderen. Zoals in elke relatie, hebben wij ups en downs. Ook daar valt het nodige over te schrijven, zeker als eén van de twee te maken krijgt met ernstige ziekte. Last but not least; deze blog ben ik gestart ten tijde van we de corona-crisis. Crisissen gooien het normale leven overhoop, maar bieden ook nieuwe mogelijkheden. Gelukkig ligt die tijd al achter ons. Veel leesplezier gewenst!

Plaats een reactie