Terwijl ik dit schrijf, dwarrelt de sneeuw naar beneden. Sneeuw…maar de voorjaarsvakantie was toch net afgelopen? Waar is dat voorjaar dan? De bollen zijn al een eind boven de grond en verschillende struiken lopen al uit. Gelukkig heeft de natuur enige reserve ingebouwd, en kunnen die prille voorjaarsbloeiers er tegen. Ik heb er meer moeite mee…ik heb het zo koud! Met een wollen trui, wollen omslagdoek, twee paar sokken en hete koffie, word ik pas weer warm. De thermostaat staat op 18 graden en dat proberen we nog even vol te houden. Het leven is al duur genoeg.
Ik heb m’n zoon net naar school gebracht met de auto. Hij heeft geen gips meer maar een zogeheten Walker (alternatief voor loopgips, ziet eruit als een moonboot). Fietsen is er nog niet bij. Maar het leuke van wegbrengen is dat je even een moment met z’n tweetjes hebt. ‘Je mist het fietsen zeker wel’ zei ik tegen Maarten vanmorgen. ‘Helemaal niet,’ antwoordde hij. ‘Ik zit liever in de auto’. Liever lui dan moe… Alhoewel het punt vooral is dat hij school niets aan vindt. Dat is begrijpelijk. ‘En wat vind je ervan dat het sneeuwt?’ vroeg ik verder. ‘Nutteloos’, zei hij.
Nutteloos, daar moest ik even over nadenken. ‘Het is maart, wat heb je er nou aan? En het blijft niet eens liggen, dus je kan er niets mee,’ lichtte hij toe. Heel logisch natuurlijk, zo is hij ook wel. Met zijn vijftien jaar al hard op weg om een jongeman te worden. Hij is al een kop groter dan zijn moedertje.
Over nutteloos gesproken; ik vind het einde van de winter ook een beetje nutteloos. Veel mensen hebben dat in januari, als alle feestdagen voorbij zijn. Daar heb ik helemaal geen moeite mee, maar het einde van de wintermaanden valt me zwaar. Vooral als het dan weer zo koud wordt, zoals nu. Het hoeft echt geen hoogzomer te zijn ineens, maar ik kan de thermometer wel omhoog kijken! Helaas, dat lukt niet. De enige thermostaat die ik hoger kan zetten is die van onze eigen verwarming. Maar dat willen we niet, om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Intussen rijden Gerard en ik elke dag naar Ede op en neer met onze hinkepoot. Ook niet goed voor het milieu, kan die jongen niet gewoon met de bus gaan? Nee, want die bus rijdt tegenwoordig vaker niet dan wel door de stakingen, dus dat werkt ook weer niet. En zo blijven we maar bezig. Eerst was ik druk met mijn vader, nu met onze jongste zoon, en vanaf morgen ga ik op onze kleinzoon passen. Al die mannen die me nodig hebben…niet te vergeten mijn eigen man…Niet dat het erg is hoor, maar soms bekruipt me de gedachte: wanneer doen ze nou eens wat voor mij?
Als ik mezelf zo’n vraag stel, is het tijd om er bij stil te staan. Doe ik dat niet, dan gaat het een eigen leven leiden. Zijn het muizenissen? Gepieker over niets zogezegd? Of word ik daadwerkelijk tekort gedaan?
Een antwoord hierop kwam uit onverwachte hoek. Ik moest weg en Gerard pakte mijn fiets uit de schuur. Toen ik erheen liep, stond hij vreemd naar m’n fiets te kijken. ‘Pas op, er zit een muis in je fietstas!’ zei hij. ‘Pak jij de voorkant van de fiets, dan probeer ik de tas ondersteboven keren’. Een muis?! Ik keek in de tas en zag een bruin muisje angstig naar boven kijken. Ach wat een lief beestje, ging het door me heen. Samen sjorden we wat aan mijn fiets en gelukkig, de muis sprong eruit. Zo snel als hij kan schoot ‘ie achter de containers.
Wat was ik blij met die hulp van m’n man! Vaak zeg ik dat ik die fiets zelf ook wel kan pakken. Maar stel je voor dat ik onderweg gepiep had gehoord of nog erger, een muis aan mijn jas! Vreselijk toch? En nog wat, Gerard had die morgen ook al mijn fit-horloge weer aan de praat gekregen, wat mij minstens een half jaar niet gelukt was. Vraag niet hoe het kan, maar profiteer ervan- dat zegt hij vaak. Ik profiteer er zeker van, al vind ik dat met die muis wel meer dan toevallig. Morgen ga ik op kleine Bobbie passen. Zijn grote ogen, zijn verbaasde blik van wie ben jij ook weer? en stralende glimlachjes zijn al een beloning op zich.