Heel lang geleden, in de jaren tachtig van de vorige eeuw, studeerde ik pedagogiek in Utrecht. Daar woonde ik ook op kamers. Ik studeerde klinische pedagogiek en géén orthopedagogiek, dat waren toen verschillende richtingen. Tegenwoordig heet het gewoon pedagogische wetenschappen. We hadden colleges en werkgroepen, maar je moest ook veel thuis doen aan de studie. Een heel verschil met de middelbare school, waar alles toch min of meer voorgekauwd werd.
Ik had onder andere voor pedagogiek gekozen, omdat ik opgroeien zelf niet zo’n makkie vond. Althans, in de puberteit. Het leek me leuk om ouders en gezinnen te helpen. Ik had wel zo mijn ideeën waar het mis gelopen was bij ons thuis c.q. wat er voor verbetering vatbaar was geweest. Ik was een ijverige student. Naar colleges gaan vond ik leuk, ik zat altijd aantekeningen te maken en lette goed op. Niet dat ik er nog heel veel van weet trouwens. We kregen college van knappe heren zoals professor Lubbers en professor Kok, en leerden over zelfverantwoordelijke zelfbepaling (theorie van professor Langeveld) en opvoeden in historisch perspectief. In die tijd lazen wij uitsluitend boeken en readers, ook wel klappers genoemd. Die laatsten stonden vol wetenschappelijke artikelen, gekopieerd en gebundeld in een zogeheten reader. Ik heb er nog steeds een stel op zolder staan, weggooien vond ik zo zonde. Uiteindelijk heb ik wel wat boeken weggedaan. Maar er waren er een paar, die wilde ik bewaren. Eén daarvan draagt de mooie titel: ‘Wat is er toch met mijn kind?’ Het boek, geschreven door professor Kok, is goed leesbaar voor ouders en heerlijk toegankelijk. Niet simpel maar wel een verademing naast alle theoretische pedagogiekboeken. Het ging over bijzondere kinderen – en hun ouders – die bij hem in de praktijk kwamen. Hij gaf die kinderen toepasselijke namen, zoals Gert de stuurloze raket, Bartje Vormvast en Maartje, die door haar moeder een hollewaai werd genoemd, een doodgoed kind maar een flodder. Het zal je gezegd worden! Ik had nog nooit van het woord hollewaai gehoord. Het betekent iets als met alle winden meewaaien, nooit goed nadenken over wat je zegt. Typetjes die ik nooit vergeten ben.

Ik ben helaas nooit zo ver gekomen dat ik zelf een pedagogische praktijk opgezet heb (alhoewel, zes kinderen opvoeden is een hoop werk!). Het kwam ook nooit in me op dat die professoren of docenten misschien zelf wel een moeilijk kind hadden, laat staan zelf ooit een soort Bartje Vormvast waren geweest. Ik had ze op een voetstuk staan, die hoog opgeleide geleerden en hulpverleners. Zij wisten hoe je moest opvoeden.
Vele jaren later ben ik heel blij met alle mensen die een stukje mee hebben gelopen, als het hier thuis niet goed ging. Ondanks alle kennis uit mijn studie, zat ik geregeld met de handen in het haar. “It takes a village to raise a child” zegt een Afrikaans gezegde. Meestal gaat het wel goed als je als ouders je best doet en wat netwerk om je heen hebt (familie, buren, vrienden). Maar soms was de draaglast groter dan de draagkracht en dan hadden we hulp nodig. Opvoeden is echt niet niks! Deze zomer ging het niet goed met onze jongste dochter en ik dacht vaak aan dat boek: Wat is er toch met mijn kind? Maar nog meer: wat heeft ze nu nodig? Want dat laatste heb ik inmiddels wel geleerd, net zoals ik zelf heb moeten ontdekken wat ik als moeder en Rineke nodig heb.
Tja, komen die oude boeken toch nog van pas. Het is leuk om er doorheen te bladeren, ik herinner me meer dan ik dacht. Maar ik lees de teksten wel met een andere bril dan in de tijd dat ik studeerde. Letterlijk, omdat ik toen contactlenzen had en nu allang een multifocale bril 🙂 En figuurlijk, want je hoeft geen professor te zijn om je kinderen op te voeden. Met een heleboel liefde en gezond verstand kom je al een heel eind, toch?
Lieve Irene, Hanna, Johan, Willemijn, Maarten en Janine: wat ben ik blij dat ik jullie moeder mag zijn 💕

Zo herkenbaar als wat!
LikeLike