Een tijdje geleden kregen we een uitnodiging van het verpleeghuis van mijn vader. Er zou een herdenking zijn voor alle bewoners die het afgelopen jaar overleden waren. ’Weer een herdenking?’ dacht ik in eerste instantie. In november was ik ook al bij een herdenking geweest in de kerk, samen met Willemijn. Maar mijn broers hadden er wel oren naar, en ik gaf me dus ook maar op. De bewuste herdenking zou op 30 januari plaats vinden, precies op de overlijdensdatum van mijn moeder. Hoe toepasselijk, dacht ik, dat zou papa nog wel mooi gevonden hebben.
Die dag reed ik eerst nog even langs het oude lege huis. Ik ontdekte dat de diepvries met niets erin dik onder het ijs zag, dus die ben ik snel gaan ontdooien. Daarna heb ik de benedenverdieping gezogen, en liep ik nog even een rondje door het huis. Vervolgens reed ik naar Willemijn in Leiden. Daar zou ik eerst eten, en na de herdenking zou ik bij haar blijven logeren. Mijn broers hadden bij nader inzien toch afgezegd.
Raar hoestje
‘Wat heb je een raar hoestje, mam’, merkte Willemijn op. Ik had inderdaad een raar gevoel in mijn keel, maar voor de rest voelde ik me prima. Ik genoot ervan om er even uit te zijn en lekker voor me te laten koken!
Niet veel later reden we naar het verpleeghuis. Hoewel het donker was, zag het er van buiten zeer bekend uit. Alsof er niets veranderd was… We liepen naar de hoofdingang waar we vriendelijk ontvangen werden door een gastvrouw. Zij bracht ons naar een zaaltje waar we voorheen ook weleens koffie dronken met papa/opa. Herkenbare plek dus. Een kleine groep mensen zat er al te wachten, er was koffie en thee en er klonk mooie muziek. De geestelijk verzorger van het huis en de locatiemanager leidden de herdenking. Ze vertelden dat er dat jaar wel twintig mensen overleden waren, best wel veel voor een relatief klein verpleeghuis. Eén voor één werd elke overledene kort herdacht, een kaarsje voor hem of haar aangestoken en een mooie witte roos in een vaas gezet. Rustig en symbolisch. Ik keek het geheel eens rond en vroeg me af waarom ik niet verdrietig was. Links en rechts van me werden er tranen weggeveegd. Ik miste mijn vader echt wel! Maar hier leek het net alsof hij er gewoon nog was, alsof we hem zo meteen op de afdeling nog even welterusten zouden zeggen.
Na afloop liepen mijn dochter en ik samen naar de bewuste afdeling; ofwel naar huisje drie. Op de deur van de kamer waar mijn vader had gewoond, hing allang een andere foto. Een andere bewoner die altijd in een rolstoel door de gang heen en weer reed, was ook overleden. Maar de andere bewoners waren er nog wel, en natuurlijk de vaste verzorgenden. Die begroetten ons heel hartelijk met een knuffel, alsof we oude bekenden waren. En zo voelde het eigenlijk de hele tijd ook.
‘Gezellig dat jullie er waren!’ zei de gastvrouw op het laatst. ‘En leuk dat je bij je dochter gaat logeren! Hier, neem allebei een roos mee. Één voor je vader en één voor je moeder.’ Dankbaar nam ik de rozen in ontvangst en moe maar voldaan reden we samen naar mijn dochters huisje.

P.S. Van dat gezellige logeren kwam niet veel terecht… ik werd ’s nachts heel ziek. Dat rare hoestje bleek de voorbode van een flinke griep! Mijn man kwam me de volgende dag maar ophalen, omdat ik niet in staat was om zelf te rijden. Inmiddels zijn we bijna twee weken verder en begin ik weer op de knappen. Mijn mooie witte roos was jammer genoeg snel verwelkt, omdat ik door de koorts vergat was om ‘m in water te zetten… Die van Willemijn heeft het langer volgehouden. En de gezellige logeerpartij; die doen we binnenkort nog maar eens over!
