Zeven paar ogen kijken me aan. Wat zeg ik, acht paar zelfs, vanaf zes verschillende schermen. We zitten in een online vergadering, in het kader van de vorderingen op school van onze dochter. Een hele mond vol. Onze dochter mag zelf ook het één en ander zeggen; leuk om je eigen kind vanaf een schermpje te zien! De reden dat het allemaal zo moet is minder leuk. Het ging niet goed met haar op school afgelopen jaar. Nu doet ze een tussentijds traject om op adem te komen. Na dit traject van ongeveer vier maanden, moet ze terug naar school, of naar een andere school. Vandaag gaan we horen wat men adviseert.
Maar eerst is onze dochter aan het woord. Heel moedig van haar om haar zegje te doen tegen al die volwassenen, ik had dat niet gedurfd op 13-jarige leeftijd! Ze mag gelukkig na een kwartier uitloggen. Gerard en ik horen de deskundigen vervolgens één voor één aan, nadat we eerst onze eigen overwegingen hebben genoemd. Ik merk na een poosje dat ik afgeleid raak door de achtergrond die ik zelf had gekozen: een gezellige kamer met een knapperend houtvuurtje. Net toen ik het houtvuurtje wilde vervangen door iets anders, begon de vergadering al. Dat is zo typisch met online vergaderen, dat ik me ga zitten ergeren aan stomme dingen. Aan de achtergrond dus, maar ook aan hoe mijn haar zit, aan alle rimpels in m’n gezicht, aan de weerspiegeling van het scherm enz. Bij normale vergaderingen word je natuurlijk ook wel afgeleid, maar dit is toch anders.
Even een indruk van wie zich allemaal in deze vergadering met ons bezighouden? Dat zijn een orthopedagoog, een stagiaire, een zorgmentor, een vakdocent, een gezinsbegeleidster van een andere instantie, een zorgcoördinator van school, en een afgevaardigde van de gemeente Wageningen. Ik twijfel of ik ze nu allemaal genoemd heb… Want zo gaat dat als je niet precies binnen de lijntjes loopt, dan krijg je met een hoop deskundigen te maken. Wat er ook bij komt is dat je als ouders ongelofelijk veel formulieren moet invullen. Voor dit schooltraject bijvoorbeeld, maar ook voor een andere dingen. Alles moet verantwoord worden en alles moet terug te vinden zijn. Geloof het of niet: één zorgvuldig ingevuld aanmeld formulier raakte kwijt bij de post! Toen moest alles nog een keer… grrr 😡#$:-(😩🥴
Aan het einde van deze vergadering wisten we dat ons kind naar een andere school moest. Het eerste wat ons te doen stond, was weer 25 formulieren invullen, uitprinten en handtekeningen zetten… En dat alles op zeer korte termijn, want de meivakantie stond al voor de deur. Maar alles voor je kind, dus natuurlijk deden wij dat.
Ook al is het allemaal ingewikkeld; veel lof aan alle hulpverleners die ons door deze fase heen loodsen! Op een dag zal ik er op terugkijken, en me afvragen waar ik zo moeilijk over deed. Maar ja, dat is meestal zo als het in je leven anders gaat dan je verwacht had. En wie zegt dat ik zelf tussen de lijntjes pas?!
6.30 De wekker gaat. Nee hè, nu al? Ik draai me liever nog even om… Maar wacht, ik zou op onze kleinzoon gaan passen, toch maar uit m’n warme bed.
7.15 Ik start de auto. Thee mee in een thermosbeker en brood in een zakje. Het is allang licht, wat een verschil met een paar maanden geleden! Toen vertrok ik in het donker en kwam ik thuis in het donker. En dan die files… Nee, laat mij maar daglicht op de snelweg rijden.
8.15 Na een vlotte reis zonder files of oponthoud, arriveer ik bij het huis van mijn dochter en schoonzoon. Meestal zit Tommie dan in de kinderstoel zijn broodje te eten, maar vandaag niet. ‘Hij slaapt weer,’ zegt dochterlief met een bleek gezicht. ‘Hij was om half 6 al aan het spoken, tot half 8. En toen werd hij moe.’ Tja, zij had ook graag haar bed weer in willen kruipen, met een tweede kindje op komst is elk uurtje slaap erg welkom… Maar ja, er moet gewerkt worden. Met nog wat instructies voor mij – ‘Daar ligt de sleutel, geef hem maar wat brood van vanmorgen en misschien moet je zelf maar een appeltje eten om het goede voorbeeld te geven?’ – loopt ze de deur uit. Op naar een andere wereld. Ik installeer me op de bank met mijn thee en boterham, en lees de nodige appjes van het thuisfront in Wageningen.
9.19 Tommie mocht niet te lang slapen, had Irene gezegd, anders zou hij ’s middags niet meer naar bed willen. Dus ik ga naar boven, doe zijn deur op een kiertje en kijk; er komt beweging in het slapende hoopje. Tommie stommelt overeind, zijn ene speen in zijn mond en de andere twee binnen handbereik. Hij pakt z’n blauwe knuffelaap en geeft hem aan mij. ‘Die!’ zegt hij vrolijk. Die is naast mama het meest gebruikte woordje wat hij kent. Even later krijg ook de andere knuffel. Ik zet ze op de rand en laat ze weer in zijn bedje duikelen, wat hij erg grappig vindt. Ik ben blij dat hij lacht. We gaan de dag wel weer lekker doorkomen samen!
10 uur. Het eerste fruithapje en koekje zitten er alweer in bij Tommie, even later gevolgd door een poepluier… Zelf geniet ik van een bakje koffie, dat heb ik inmiddels wel verdiend! Ik kijk naar buiten en zie de lucht betrekken. Hé, ik wilde net een wandeling maken. Tommie staat intussen te wijzen naar zijn schommel buiten, en roept: ‘Die, die!’ Snel maar zijn schoentjes en jasje aan en op de schommel. Hij vindt het heerlijk, ook al beginnen de eerste druppels te vallen. Ondertussen klungel ik met de wandelwagen. Het zitje staat in de slaapstand, en ik krijg het ding met geen mogelijkheid overeind. Wat nu? Dom dat ik het niet meer weet, daar ga ik Irene of Simon toch niet mee lastig vallen?! Ik besluit bij een buurvrouw verderop aan te bellen. Met 3 kindjes weet zij vast wel hoe het moet. Maar een oudere vrouw – ook oma – doet open en zij komt wel even kijken. Ze heeft eigenlijk ook geen idee hoe het moet… Door trial and error heb ik toch ineens de goede knop te pakken, yes! Nou Tommie erin, riempjes vastklikken en gaan.
11 uur. Wandelen langs het Amsterdam Rijnkanaal in de regen. Altijd interessant om samen naar de vrachtboten te kijken, naar de treinen, de hoge brug en de langs stuivende auto’s. Ik wil een plastic hoes over de wandelwagen doen, maar Tommie wil dat absoluut niet. Misschien wordt hij er een beetje claustrofobisch van, bedenk ik. Dus frommel ik het plastic maar wat over zijn beentjes, en dat vindt hij oké. Mijn eigen schoenen blijken niet waterdicht… tijd om terug te gaan dus en droge sokken aan te trekken.
12 uur, lunchtijd. De boterhammen moeten nog ontdooien en Tommie weet niet wat hij wil. Nou, dan maar even de tv aan. Tommie is bijna tien minuten geboeid door de avonturen van Nijntje, wat best lang is. Maar hij heeft ook erge honger, dus ik zet hem gauw in de kinderstoel. Schort aan, slab eroverheen. Dat is geen overbodige luxe, want hij smeert zich behoorlijk onder. Hij is een kieskeurige eter. Appelstroop en pindakaas zijn topfavoriet. Maar de broodkorstjes opeten? Ho maar. Hij spuugt ze uit in zijn slabbetje of hij gooit ze op de grond… Dat hoefde oma vroeger niet te proberen Tommie!
13 uur. Het eten is klaar, tijd om te spelen. Speelgoed genoeg, maar Tommie z’n oog valt op een kastje. Papa en mama zijn zo flauw geweest om die op slot te draaien en de sleutel te verstoppen. Maar slim als hij is, probeert hij een pen in het sleutelgat te duwen. Hij kijkt me vragend aan, waarom gaat die kast nou niet open? Oma moet heel erg haar best doen om hem af te leiden. We gaan maar eens naar boven voor een schone luier. Tommie kruipt zelf de trappen op, richting de werkkamer van zijn moeder. ‘Mama?’ Nee mama is er niet, leg ik uit. Intussen slaat de regen tegen de ramen, wat ook wel interessant is. Ik zucht in mezelf, want ik wil niet de hele middag binnen zitten.
14 uur. Hoera, de zon breekt door! Aangezien Tommie er niet echt slaperig uit ziet, zet ik hem in de wandelwagen en lopen we richting het dorp. Het is heerlijk fris en groen buiten na alle regen. Van die typische Hollandse wolkenluchten, prachtig. Tommie kijkt tevreden rond, hij neuriet wat en sabbelt op zijn speen. Misschien valt hij straks wel in slaap, dat zou fijn zijn. Maar eerst de boodschappen inslaan bij de supermarkt. Handig om dat met een kinderwagen te doen, die kun je helemaal volstouwen onder het zitje. Dat deed ik vroeger ook, alleen was de afstand van de winkel naar huis een stuk korter. Ik moet op de terugweg flink duwen, er staat een harde wind en Tommie wordt het zat. Ik word ook nog gebeld ondertussen, multi-tasking oma heeft haar handen eraan vol.
15 uur. We zijn thuis. Uitgeput leg ik Tommie in zijn bedje, wat hij me niet in dank afneemt. Hij zet een flinke keel op, maar ik ga naar beneden. Eerst even me-time. Ik zet thee, eet een stuk chocola, en plof op de bank. Natuurlijk luister ik met een half oor hoe hard er boven gehuild wordt, maar de babyfoon zet ik uit. Gemeen? Nee hoor, ik hoor Tommie zo ook wel. Even lijkt het erop dat hij zich erbij neerlegt, maar helaas… hij begint hoe langer hoe harder te huilen. Dit gaat niet werken. Ik til hem uit zijn bedje met slaapzak en al, en kalmeer mijn verdrietige kleinzoon met een dikke knuffel. We gaan maar weer naar beneden. Een beetje spelen, een boekje lezen, en op de bank hangen. Mijn energieniveau is laag. Tommie vindt het niet erg, hij kruipt lekker tegen me aan. Samen rusten we zo wat uit op de bank. Heerlijk, zo kan het ook.
16.30 Daar komt een auto aanrijden, Tommie kijkt op. ‘Mama?’ zegt hij met een vragende blik. Nee, het is papa. Nou vooruit, dat is ook wel leuk, lijkt hij te denken. Hij lacht door het raam naar zijn vader, maar klemt zich de eerste vijf minuten toch nog maar even aan oma vast. Ook niet erg, dan kan papa even landen na een lange werkdag. Hij staat altijd voor dag en dauw op. Respect voor al die jonge drukke werkende ouders, die nog geen nacht door kunnen slapen! Ik weet zelf nog maar al te goed hoe vermoeiend dat was, en dan had ik nog niet eens een werkgever die op me zat te wachten.
16.50 Ik stap de auto weer in richting Wageningen, mijn taak zit erop. Tommie houdt niet zo van afscheid nemen – ik ook niet- dus dat houden we maar zo kort mogelijk tegenwoordig. Simon en Tommie redden zich verder wel. Ik voeg in op de A2, waar ik goed door kan rijden. Op de A12 is het helaas een ander verhaal… druk druk druk. Ik doe er anderhalf uur over, maar dan ben ik weer veilig thuis. Daar kan ik zo aanschuiven aan tafel. Het was een fijne dag als oppas-oma, maar met gewoon Rineke en mama zijn, ben ik ook helemaal tevreden 🙂
‘Ga de Stille week in op weg naar Pasen, en vier het met je hart en zintuigen’. Met die zin eindigde onze dominee zijn overdenking, afgelopen zondag. Dit zinnetje bleef bij mij hangen. We kregen geen opdracht mee van ‘Geloof dit’, of ‘Doe dat’, of ‘Doe dat vooral niet!’ Nee, maak gebruik van wat in je is, je hart en je zintuigen. Ofwel alles wat je voelt, ziet, hoort, ruikt en proeft.
Ik vergat het zinnetje met dezelfde vaart weer. Het was snertweer die middag, en voor ik het wist liep ik erover te mopperen. Maar maandagochtend -nooit mijn favoriete dag- liep ik van de bushalte terug naar huis. En ineens viel me wat op; het zonlicht viel zo mooi en zacht door het groen van de struiken! Zou ik het proberen vast te leggen? Ik pakte mijn telefoon, klik klik klik. Ik vond het resultaat aardig, hoewel het in het echt mooier was. Gauw stopte ik mijn mobieltje weer in m’n zak, want ik zag al wat mensen naar me kijken wat er te zien was in de struiken.
In de avond wandelde ik naar een vriendin. En alweer viel mijn oog op iets waar ik anders minder op let: de lucht. Vol met uitgewaaierde vliegtuigstrepen die weet- ik-waar heen vlogen. Ik vond het prachtig! En alweer werd ik aangestaard door voorbijgangers, wat er toch te zien was. Kennelijk vind ik het toch best belangrijk wat andere mensen van mij denken, zelfs als ik iets heel mooi vind.
Als het lente is, is het niet zo moeilijk om je zintuigen te gebruiken. Kijk maar naar buiten, de natuur explodeert zo ongeveer. De struiken lopen uit, de kastanjebomen vormen blaadjes, grote populieren staan vol bloesem. Overal bloeiende narcissen, hyacinten, blauwe druifjes en tulpen. Vroeg in de morgen hoor je de vogels al fluiten. Voordat de wekker gaat, maken ganzen in de sloot bij ons achter me al wakker met een hoop gesnater. En dan die zachte wind, heerlijk na alle kilte van de afgelopen maanden!
Toch is dat genieten van al het schoons om ons heen niet voor iedereen weggelegd. Ik las in een onderzoek van het Trimbos dat een kwart van alle volwassenen wel een keer een depressie doormaakt. Inclusief ondergetekende dus. En van de jongeren is drie op de tien geregeld depressief. Zeven van de tien niet, maar bij elkaar toch een behoorlijk aantal. Je zult er maar last van hebben. Of… je zult maar net je vader of moeder hebben verloren, of binnen afzienbare tijd gaan verliezen. Of je klasgenoot die het leven niet meer aan kon… wat een tragedie en een verdriet! Daar helpen die schattige Blauwe Druifjes toch niet bij?
Nee. Bloemen, planten en mooie luchten kunnen het gat in je ziel niet dichten. Was het maar waar. Soms lijkt het zelfs wrang dat alles maar uitloopt, terwijl het in jezelf zo donker is.
Maar toch ook ja. Mij helpt het in elk geval wel om opmerkzaam te zijn. Met aandacht kijken, luisteren en voelen, maakt me ontvankelijker voor wat mooi is om me heen. Zachter, en ook stiller. Dat past dan weer goed bij de Stille Week, de week voor Pasen. En dat moois hebben we hard nodig in deze wereld vol onrust, geweld en dood.
Afgelopen week werden we getrakteerd op mooie wolkenluchten en kleurrijke zonsondergangen. Ik kreeg er geen genoeg van, wat een feest voor de zintuigen! Zou de dominee dit bedoeld hebben, of niet? In elk geval geef ik er gewoon deze draai aan. En bij deze goede Paasdagen toegewenst!
Afgelopen week barstte er ineens discussie los over het woord moeder. Volgens sommigen in het kabinet zou dat beter uitgedrukt kunnen worden door de omschrijving: ‘Ouder uit wie het kind geboren is’. Dit om bepaalde groepen mensen niet te kwetsen. In eerste instantie dacht ik: wat een onzin! Maar al verder lezend begreep ik dat er meer achter zat. Okay, er zijn blijkbaar mensen die zich gepasseerd voelen door het woord moeder. Of die wel moeder zijn, maar zich niet in de omschrijving herkennen, of nog weer wat anders. Wat is het toch ingewikkeld om het iedereen naar de zin te maken! Ik ben blij dat ik in een land woon waar bijna overal serieus aandacht aan besteed wordt. Maar ook erg blij dat ze het woord moeder hebben laten staan. Over één ding kunnen we het in elk geval allemaal eens zijn: we hebben allemaal een moeder, anders zouden we nooit geboren zijn. Maar de vader dan, zou die ook niet anders omschreven kunnen worden? Bijvoorbeeld als degene door wie een kind mede ontstaan is? Of met behulp van wie het kind geboren is? Ach nee, dat roept weer verwarring op met verloskundigen of gynaecologen, die misschien ook meegeholpen hebben bij het ontstaan en de geboorte van het kind.
Afgelopen week heeft deze moeder niet zoveel bijzonders meegemaakt. Althans, geen opsluitingen, ongelukken of andere rampen. Wat niet wil zeggen dat het een rimpelloze week was, maar we begonnen in elk geval gezellig met een feestje van een jarige dochter. De zon scheen heerlijk en onze dochter straalde tussen alle vriendinnen, vriend en familie. Ik genoot er ook van. Maar de rest van de week was ronduit vol en stressig. Ik had een indrukwekkend aantal afspraken met hulpverleners rondom onze jongste dochter. Als je niet binnen de lijntjes past op school en je bent puber, dan komen daar een heleboel deskundigen bij kijken!
Terug naar dat moeder-zijn. Uit mij zijn er dus zes kinderen kinderen geboren, zes pijnlijke bevallingen. Bevallen is niet iets waar je beter in wordt naarmate je er meer aan gedaan hebt, zoals met hardlopen. Maar had ik het willen missen? Nee, want anders was ik nooit moeder geworden! Beetje het kip- en- ei verhaal, maar zo is het voor mij. Moeder worden is geen vanzelfsprekendheid en zeker geen verdienste, maar wel een groot geschenk. Tegelijk is het een hele klus om die kinderen groot te brengen. Vroeger dacht ik dat alles makkelijker werd, als ze boven de 12 waren. Inmiddels weet ik beter, het wordt alleen maar anders. Je hoeft geen luiers meer te verschonen of naar zwemles te fietsen, maar je krijgt andere dingen. Andere zorgen, en andere vreugden. Ik heb geen huilende kinderen meer ’s nachts, maar lig wel geregeld te tobben waar onze 16-jarige zoon toch uithangt! En als hij dan eens gewoon thuis is ’s avonds, lig ik eerder in bed dan hij. Omdat ik veel moeier ben.
Een grote vreugde van moeder zijn, is vervolgens ook nog grootmoeder worden. Ook geen vanzelfsprekendheid, dus nog iets om dankbaar voor te zijn. Dat leuke kleinzoontje van ons is intussen alweer 16 maanden. Ik geniet elke dag als ik weer eens op mag passen. Hij lacht als ik binnenkom en huilt als ik de deur uit ga, al is het alleen maar even naar de wc… We spelen vaak met de bal of blokjes, of ik kruip achter hem aan tot ik hem te pakken heb en dan schatert hij het uit. Ik zet hem in de kinderwagen en dan wandelen we langs het Amsterdam Rijnkanaal. ‘Bo!’ zegt hij, wijzend naar de vele boten die daar langskomen. Niets ontgaat hem, elke trein die langsrijdt en elk vliegtuig in de lucht ziet hij gaan. Veel woordjes kent hij nog niet, maar eentje beslist wel. En dat is… mama! Dat roept hij dan ook de hele dag door. En ook ‘ Ama! ‘, wat ik maar opvat als oma. Mama is voor hem de belangrijkste persoon, dat is duidelijk. Hoe goed papa ook zijn best doet -en dat doet hij al vanaf de eerste dag- mama is degene die onmiddellijk een lach tevoorschijn tovert.
Je hoeft echt geen moeder te zijn om leuke dingen met kleine kinderen mee te maken. Pas deed ik in de hal van de kerk mijn jas uit. Een klein jongetje stond naar mij te kijken, half verscholen achter het been van zijn papa. Ineens liep hij stralend op me af en riep: ‘Mama!’ “Hee, ik ben jouw mama toch niet,’ zei ik glimlachend tegen hem. Beteuterd waggelde hij terug naar het been van zijn vader. ‘Ach ja,’ zei zijn moeder die in de buurt stond, ‘Jij hebt ook een maillot en bruine schoenen aan.’
En nu denk ik : Stel je voor dat dát de definitie van moeder zou zijn volgens het kabinet, een ouder met een maillot en bruine schoenen. Daar zou je helemaal discussies over krijgen!
Ik schrik wakker van mijn dochter die ineens in onze slaapkamer staat. Moeizaam kom ik overeind. Ze heeft eng gedroomd, zegt ze, en daarna was ze bijna over één van de poezen gestruikeld op de overloop. Poes wilde naar buiten, maar mijn dochter kreeg de voordeur niet open. ‘Ik ga er wel even heen,’ zeg ik zuchtend. Eerst breng ik haar terug in bed en dan ga ik naar beneden om de voordeur open te doen.
Ik draai wat, wrik wat, trek wat aan de deur, maar ik krijg er geen beweging in. Wat gek! Poes moet dan maar door de achterdeur naar buiten. Slaapdronken kruip ik terug in bed bij Gerard, die niets van dit alles heeft gemerkt. Ik lig nog wel wat te piekeren wat er mis kan zijn met die deur, toch geen inbrekers…?
Een paar uurtjes later worden we wakker. Ik draai me nog eens om, maar herinner me dan het euvel met de deur. ‘Gerard, kan jij er even naar kijken?’ vraag ik. Als ik een tijdje later beneden kom, ga ik er al bijna van uit dat hij het wel opgelost heeft. Hij is veel technischer dan ik. Maar helaas… ook Gerard krijgt het niet voor elkaar. We kunnen de sleutel wel omdraaien, maar dan blijft ie ergens haperen. Wat nu? Kruipolie erin? Maar dan moet dat ook aan de buitenkant.
Ons rijtje huizen is zo gebouwd, dat we geen paadje achterom hebben. De achterdeur leidt naar de achtertuin en daarachter is een sloot. Niet handig in dit geval, we kunnen ons huis gewoon niet uit! Behalve door het klapraam aan de voorkant dan, wat Gerard met pijn en moeite voor elkaar krijgt. Ik geef hem het flesje olie aan door het raam en hij probeert het slot nu vanaf de buitenkant open te draaien. Maar helaas, zonder resultaat. Pfff…
We zoeken op internet wat we nu kunnen doen. ‘Kijk eens, er bestaat een Sleutelambulance,’ zeg ik even later opgelucht. ‘Met een half uur zijn ze bij je’. Gerard veegt dit voorstel resoluut van tafel. ‘Dat is vragen om problemen’, zegt hij. ‘Er staan zoveel slechte verhalen over die Sleutelambulance op internet Je wordt opgelicht waar je bij staat en ze zijn helemaal niet betrouwbaar’. Maar wat moeten we dan? Een slotenmaker in de buurt zoeken? Gerard blijft zijn twijfels houden, die vertrouwt hij ook voor geen cent. Nee, dan maar de winkel bellen waar het slot ooit gekocht is.
Dat bleek makkelijker gezegd dan gedaan. Eerst werd er niet opgenomen, pas een half uur later uiteindelijk wel. Maar zij konden niets voor ons doen en verwezen door naar een ander adresje. Die persoon nam eerst ook niet op en had vervolgens helaas geen tijd. Tja. Gerard en ik begonnen intussen al lekker geïrriteerd te raken over en weer. ‘Nou, dan bel ik de politie,’ bedacht ik ineens. Dat was een goede zet, want de politie dacht rustig hardop mee. Ze gaven me een lijstje met betrouwbare sleutelmakers in de regio, wat maar een handjevol was. En ik ging door met bellen, al kreeg ik er inmiddels hoofdpijn van. De ene nam niet op, de ander had geen tijd, pas het laatste bedrijf uit Nijmegen nam de telefoon op en belde daadwerkelijk met hun monteur. Ze hadden er eentje, maar die kon pas de volgende dag langskomen! Nee hè… ik voelde me zo opgesloten in huis door dat stomme kapotte slot. Ik werd er onrustig van. Hoe kon het nou ineens niet werken? Had iemand geprobeerd binnen te komen? De politie had daarnaar gevraagd en ik piekerde erover, ook al was er niets te zien. Stel je nou voor dat het afgelopen nacht niet gelukt was, en ze vannacht terugkwamen?! Hoe kon ik nou rustig gaan slapen?
Intussen hadden we wel een escape gevonden om toch naar buiten te kunnen: via het huis van de buren. Zij waren op vakantie, in dit geval een geluk bij ongeluk. Met een krukje in onze tuin konden we over de schutting klimmen naar hun tuin. Dan via hun achterdeur- woonkamer- gang en voordeur naar buiten. En vice versa als je weer naar binnen moest. Lekker omslachtig… We probeerden het tot een minimum te beperken. Superfijn dat we buren hebben die hier niet moeilijk over deden🙏!
Om een lang verhaal kort te maken; ik sliep toch wel goed die nacht, moe van alle stress. De volgende morgen vroeg stond er een aardige monteur voor de deur. Al snel had hij een diagnose; niet de cilinder maar het binnenwerk van het slot was kapot. En dat kon hij best maken, als hij tenminste het benodigde spul in zijn grote bus kon vinden. Er werd 5 minuten flink gerommeld in die bus en Gerard en ik vreesden al dat het niks zou worden. Maar nee, hij vond wat hij nodig had en ging aan het werk. Twintig minuten later was de klus geklaard, wat een opluchting!!! En ja het kostte wat, maar dan heb je ook wat.
Eind goed, al goed. Maar wat kan een mens door iets kleins toch al gefrustreerd raken, ik tenminste wel. En wat heerlijk dat er anderen zijn die je dan hulp geven! We zijn niet alleen op de wereld.
Een tijdje geleden kregen we een uitnodiging van het verpleeghuis van mijn vader. Er zou een herdenking zijn voor alle bewoners die het afgelopen jaar overleden waren. ’Weer een herdenking?’ dacht ik in eerste instantie. In november was ik ook al bij een herdenking geweest in de kerk, samen met Willemijn. Maar mijn broers hadden er wel oren naar, en ik gaf me dus ook maar op. De bewuste herdenking zou op 30 januari plaats vinden, precies op de overlijdensdatum van mijn moeder. Hoe toepasselijk, dacht ik, dat zou papa nog wel mooi gevonden hebben.
Die dag reed ik eerst nog even langs het oude lege huis. Ik ontdekte dat de diepvries met niets erin dik onder het ijs zag, dus die ben ik snel gaan ontdooien. Daarna heb ik de benedenverdieping gezogen, en liep ik nog even een rondje door het huis. Vervolgens reed ik naar Willemijn in Leiden. Daar zou ik eerst eten, en na de herdenking zou ik bij haar blijven logeren. Mijn broers hadden bij nader inzien toch afgezegd.
Raar hoestje
‘Wat heb je een raar hoestje, mam’, merkte Willemijn op. Ik had inderdaad een raar gevoel in mijn keel, maar voor de rest voelde ik me prima. Ik genoot ervan om er even uit te zijn en lekker voor me te laten koken!
Niet veel later reden we naar het verpleeghuis. Hoewel het donker was, zag het er van buiten zeer bekend uit. Alsof er niets veranderd was… We liepen naar de hoofdingang waar we vriendelijk ontvangen werden door een gastvrouw. Zij bracht ons naar een zaaltje waar we voorheen ook weleens koffie dronken met papa/opa. Herkenbare plek dus. Een kleine groep mensen zat er al te wachten, er was koffie en thee en er klonk mooie muziek. De geestelijk verzorger van het huis en de locatiemanager leidden de herdenking. Ze vertelden dat er dat jaar wel twintig mensen overleden waren, best wel veel voor een relatief klein verpleeghuis. Eén voor één werd elke overledene kort herdacht, een kaarsje voor hem of haar aangestoken en een mooie witte roos in een vaas gezet. Rustig en symbolisch. Ik keek het geheel eens rond en vroeg me af waarom ik niet verdrietig was. Links en rechts van me werden er tranen weggeveegd. Ik miste mijn vader echt wel! Maar hier leek het net alsof hij er gewoon nog was, alsof we hem zo meteen op de afdeling nog even welterusten zouden zeggen.
Na afloop liepen mijn dochter en ik samen naar de bewuste afdeling; ofwel naar huisje drie. Op de deur van de kamer waar mijn vader had gewoond, hing allang een andere foto. Een andere bewoner die altijd in een rolstoel door de gang heen en weer reed, was ook overleden. Maar de andere bewoners waren er nog wel, en natuurlijk de vaste verzorgenden. Die begroetten ons heel hartelijk met een knuffel, alsof we oude bekenden waren. En zo voelde het eigenlijk de hele tijd ook.
‘Gezellig dat jullie er waren!’ zei de gastvrouw op het laatst. ‘En leuk dat je bij je dochter gaat logeren! Hier, neem allebei een roos mee. Één voor je vader en één voor je moeder.’ Dankbaar nam ik de rozen in ontvangst en moe maar voldaan reden we samen naar mijn dochters huisje.
P.S. Van dat gezellige logeren kwam niet veel terecht… ik werd ’s nachts heel ziek. Dat rare hoestje bleek de voorbode van een flinke griep! Mijn man kwam me de volgende dag maar ophalen, omdat ik niet in staat was om zelf te rijden. Inmiddels zijn we bijna twee weken verder en begin ik weer op de knappen. Mijn mooie witte roos was jammer genoeg snel verwelkt, omdat ik door de koorts vergat was om ‘m in water te zetten… Die van Willemijn heeft het langer volgehouden. En de gezellige logeerpartij; die doen we binnenkort nog maar eens over!
Als het aan ons tempo zou liggen, dan zouden we misschien volgende jaar zomer klaar zijn met het huis leegruimen… Wat ging dat langzaam! Maar er lag ook zoveel leuks. Dan kwam ik weer een stel boeken tegen met een handgeschreven wens van mijn grootouders zaliger, of een doos met kerstversieringen uit de jaren zeventig. De bergruimtes op zolder lagen vol met verrassingen: radio’s uit de tijd van de tweede Wereldoorlog, mijn vader z’n originele legerkleding, zijn trouwkostuum inclusief hoge hoed, een restant spinnenwiel dat nog van van mijn moeder was geweest, twee retro parasollen, keurig opgeborgen in plastic hoesjes, koperen hangers die nergens bij leken te horen. Maar één van de leukste dingen die ik onder een laag stof tegenkwam, was het oude ledikantje waar wij alle vier ooit in geslapen hebben. Wit met prachtige in pastel geverfde spijltjes. Ik was op slag verliefd op dit pareltje, en nam ‘m mee naar huis. Met nog een stel andere dingen die ook te mooi waren om weg te gooien…
Maar zo schoten we natuurlijk niet erg op.
Het werd tijd om er hulp bij te zoeken. Mijn zus had op internet een paar uitruimbedrijfjes gevonden. Mijn ene broer en ik zaten op een dag klaar om twee van die bedrijfjes met elkaar te vergelijken. Want wat online heel mooi lijkt, moet in het echt natuurlijk nog maar blijken. De eerste man kwam keurig op tijd en liep meteen met ons het huis door. Het was een man van weinig woorden, leek het, en van opschieten. Na een kwartier (!) had hij het al gezien en beloofde hij er een mooie offerte te maken.
Het tweede bedrijf was ongeveer het tegenovergestelde… Ze kwamen te laat, of eigenlijk wisten ze niet eens precies meer wat de afspraak was! Maar ze namen een uur de tijd om rustig rond te kijken, vragen te stellen en ideeën te opperen. Aan hun bedrijfje zat een tweedehandswinkel gekoppeld, waar ze nog wel de nodige spullen van mijn vader konden verkopen. Zelfs het oude bankstel, waar wij geen stuiver meer voor gaven. Dat klonk leuk! Ondanks de rommeligheid in het begin, kozen we uiteindelijk voor dit bedrijfje. ‘De Haagse Harries’ noemde mijn broer ze, en dat bleek wel een goede typering. Heel sympathieke harde werkers, maar een tikje chaotisch. De eerste dag van het uitruimen, kon mijn oudste broer erbij zijn in huis. Maar op de tweede dag moesten ze zichzelf helpen. Met de regelmaat van de klok werd ik gebeld.. . ‘Hallo Rineke, ja daar ben ik weer hoor. Hoe zit het met…?’ en dan kwam er weer een vraag over het fornuis of een kast, of iets uit de garage. Waar het eerste bedrijfje het in 1 dag gefikst zou hebben (zei hij), deden deze er twee dagen over en toen was het nog niet klaar. Ik kreeg er hoofdpijn van!
Maar uiteindelijk was de klus dan toch geklaard. Ik was heel nieuwsgierig hoe het huis er nu uit zou zien… Leeg, hol en onherkenbaar? Ik trotseerde de files en reed weer naar het westen des lands. Net als anders parkeerde ik m’n autootje op het plein, en liep de garage in. Die was huge vergeleken met normaal, enorm ruim en leeg. En het huis zelf? Het eerste wat me opviel toen ik de keuken inliep, was het vertrouwde getik van een tijdschakelaar. Ooit zo ingesteld door mijn vader, omdat er altijd gekookt moest worden tussen 5 en 6…ach ja… Verder lagen er wat spullen in de gang, dingen die de uitruimers blijkbaar niet interessant vonden. Op zolder waren ze een kast vergeten, die je toch moeilijk over het hoofd kon zien kwa formaat! Maar verder viel het me ontzettend mee. Het huis was leeg. Leeg, maar toch warm en licht. Ik voelde me nog steeds welkom. Toch werd het tijd voor nieuwe bewoners. En wij, als kinderen, waren er klaar voor om het los te laten.
Allereerst welkom aan iedereen die mijn blog nu leest en denkt: ‘Hé, ze schrijft weer, dat is lang geleden!’
Het is inderdaad een poos stil geweest. Er was zoveel gebeurd, dat de lol van bloggen er zelfs af was. Mezelf rust gunnen en wat minder moeten was belangrijk om verder te komen. Het weer hielp goed mee om me terug te trekken… regen, regen en nog eens regen! Desondanks zag en zie je mij geregeld wandelen of hardlopen. Buitenlucht doet me goed, zelfs als het nat en koud is. Op een dag voelde ik dat ik weer boven water kwam. Meer energie, meer zin om dingen te doen in plaats van vooral de dag door zien te komen. Die lijn zet zich gelukkig voort. Dus ook zin en tijd om de pen weer op te pakken. Pen? Nou ja, laptop dan.
Precies een jaar geleden brachten we onze vader naar een verpleeghuis. Dat was niet zijn idee, maar hij legde zich er vlot bij neer, tot onze verbazing. Mijn vader heeft erg genoten van de goede zorg en de gezelligheid aldaar. Helaas ging hij sneller achteruit dan wij gedacht hadden… Zijn 92e verjaardag haalde hij nog net begin juni, maar drie weken later is hij overleden, als gevolg van een hersenbloeding.
In no time hadden we zijn kamer in het verpleeghuis leeggehaald. Zoveel stond daar niet in, het was maar een kleine ruimte. De spullen gingen terug naar mijn vaders oude huis. Dat huis stond er nog gewoon, alsof er niets gebeurd was. Het voelde vreemd en tegelijk vertrouwd om er te zijn. In het begin had je het idee dat m’n vader elk moment weer binnen kon komen lopen. Er stond een foto op tafel, waarop hij je vrolijk aankeek, net alsof hij nog iets tegen je wilde zeggen. De dementieklok ernaast was niet meer goed aan de praat te krijgen, alsof het ding aanvoelde dat ‘ie overbodig was. Ach, wat was alles toch snel gegaan…
‘Nu moeten jullie het huis zeker gauw leeghalen’, zeiden mensen tegen ons. ‘Wanneer wordt het verkocht?’ Diversen kenden wel iemand die er belangstelling voor had. Maar wij waren niet zo snel. We wonen allemaal een flink eind uit elkaar; van Nederland, Duitsland, tot en met Frankrijk en Amerika. Dat vraagt tijd en creativiteit om elkaar te ontmoeten en tot afspraken te komen. We lieten er enige maanden overheen gaan. Op een dag gingen we er echt voor zitten. Het zou een hele klus zou worden om het huis leeg te ruimen, ook emotioneel gezien. We hadden er allemaal jaren gewoond, onze moeder was er ziek geworden en daar overleden. Later, nadat mijn vader hertrouwd was, nam onze stiefmoeder ook het nodige aan spullen met zich mee. Als je bedenkt dat het een flink huis is met 5 slaapkamers en veel kastruimte… daar past veel in! En weggooien, daar deden ze niet aan. Ze hadden de nog oorlog meegemaakt, dus alles werd netjes opgeborgen en keurig bewaard.
Waar moesten we beginnen?
We begonnen maar met het verdelen van de meest in het oog springende dingen, zoals klokken, schilderijen, boeken, en fotoalbums. Fotograferen was een grote hobby van mijn vader geweest, en alles was keurig ingeplakt in mooie albums. Maar het waren er nogal veel! En wat zouden we doen met papa z’n kleren en schoenen? Zijn gereedschap, oude postzegelverzameling, oude filmapparaten, video’s, dozen vol dia’s, souvenirs uit verre landen, oude ansichtkaarten… Waarom bewaarden ze die überhaupt?! Ik heb tig ritten naar Sassenheim gemaakt om mooie dierbare spullen mee te nemen (ons eigen huis staat er nu vol mee). Natuurlijk namen mijn broers en zus ook het nodige mee en onze kinderen, nichtjes en neven idem, plus een lading naar de kringloopwinkel. Maar nog bleef er veel over.
Mijn oudste broer stortte zich vol overgave in het uitzoeken van de paperassen. M’n tweede broer begon met filmpjes en dia’s te laten digitaliseren. Ik had niet zo’n idee meer wat daarop stond, maar het resultaat was verrassend. Zo grappig om jezelf te zien touwtje springen als acht-jarige, en zo aandoenlijk om onze ouders arm in arm te zien wandelen. Er zijn zelfs bandopnames gedigitaliseerd van 60 jaar geleden. Daar hoor je naast onze ouders ook onze allang overleden opa’s en oma’s praten, én onszelf als baby huilen en brabbelen. Wat een kostbare herinneringen!
Weer een volgende stap was een makelaar uitkiezen. Dat kostte ook tijd, want wie is de beste? Degene die we uitgekozen hebben, gaat het hopelijk heel goed doen. ‘Onze’ makelaar heeft zin in de klus, maar had ook een dringend advies: ‘Jongens, jullie moeten het huis wel helemaal leegruimen hoor!’ En we dachten dat we al een aardig eind op weg waren! Opruimen is een lastige klus. Want afstand doen van de spullen van je ouders is afstand doen van je eigen verleden. En dat valt echt niet mee.
Om maar meteen met de deur in huis te vallen: ik stop een poosje met bloggen. Niet omdat ik te weinig onderwerpen heb of geen zin meer heb, maar er is teveel ruis op de lijn thuis. Ik moet zoeken naar dingen die me helpen ontspannen. Schrijven helpt me daar meestal bij, en dat doet het nog. Maar nu even niet niet voor publiek. Dus helaas… even geen verslag van onze toestanden of mijn ervaringen met kleinzoon Tommie. Die kan inmiddels al kruipen trouwens en er is een wereld voor hem opengegaan. Over een maand mag hij zijn eerste kaarsje uitblazen, ongelofelijk hoe snel zo’n eerste jaar gaat!
Maar hierbij toch nog een laatste anekdote, om het even af te sluiten. En paar weken geleden was ik een appeltaart aan het maken. Alles met de hand natuurlijk, dan wordt zo’n taart het lekkerste. Ik deed mijn ringen af en legde ze op tafel in de huiskamer. ‘Niet per ongeluk opruimen hè?’, zei ik, terwijl ik het deeg begon te kneden.
‘Nee hoor’, zei Gerard. ‘Maar nu je het zegt… heb jij mijn trouwring toevallig gezien? Die lag daar ergens bij de fruitschaal, dacht ik.’
‘Hoezo?’ vroeg ik verbaasd. Gerard zei dat hij ‘m afgedaan had toen hij ging korfballen. Dat doet hij altijd. Hij wist zeker dat ie ‘m ook deze keer in huis neergelegd had, maar toch kon hij ‘m niet meer vinden. Dat was raar, ik werd een beetje boos. Stom dat ik het zelf nog niet had gezien dat hij zijn ring niet droeg. Want toen ik even narekende wanneer hij voor het laatst gesport had, was dat niet twee dagen geleden, maar wel anderhalve week geleden. Hoe dom van Gerard om zo lang niets te zeggen!
Ik begon diezelfde avond te zoeken in kastjes en op plankjes, achter boeken, schaaltjes en los fruit. Gerard heeft het talent de dingen zodanig op te ruimen, dat hij ze zelf nergens meer kan vinden. Meestal vind ik het wel terug, maar dit keer niet. Terwijl de appeltaart het hele huis lekker deed geuren, liep ik me op te winden over zijn slordigheid. Onze trouwring nota bene, hét symbool van onze liefde in goede en slechte tijden. En hij deed er nog laconiek over ook! Het is maar een ding, had hij gezegd…
De volgende dag was ik jarig, vandaar die appeltaart. Het bezoek zou pas eind van de dag later komen, dus ik had nog ruim tijd om op te ruimen. Hoewel ik jarig was, liet de kwestie trouwring me niet los. Op een gegeven moment bedacht ik dat ik de stofzuigerzak maar eens moest legen. Het leek me niet erg waarschijnlijk dat ik een ring ongemerkt op had gezogen, maar dan wist ik tenminste zeker dat ik overal gezocht had. Ik nam de volle stofzuigerzak mee naar buiten, voelde her en der vanaf de buitenkant en ging er toen in snuffelen. Drie maal raden wat daar lag te blinken tussen het stof en alle haren: Gerard z’n ring! Plus nog een paar stuivers, een knikker en een kapotte wasknijper. Ik was ontzettend opgelucht en grabbelde hem eruit. Maar ik zei niks tegen Gerard. Ik stopte de ring in een broekzak met een ritsje ervoor, om zeker te weten dat ‘ie niet nog een keer kwijt zou raken. En… om Gerard nog even te laten bungelen in onzekerheid.
Nou, ik zat er meer mee dan hij geloof ik. Maar na twee dagen heb ik hem de ring weer om zijn vinger geschoven. Hij was er blij mee, maar ook verbaasd dat ik ‘m in de stofzuigerzak had gevonden. ‘Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren’, sprak hij plechtig uit. En: ‘Waarschijnlijk heb je ‘m zelf opgezogen, want jij doet dat meer dan ik!’
Tegenwoordig let ik beter op wanneer hij gekorfbald heeft. Je weet toch maar nooit. En verder… ga ik een poosje rust nemen en hopelijk nieuwe inspiratie opdoen. Eerst maar wat stof van me af laten glijden.
Tot later! En als dat te lang duurt, kun je me ook mailen of langskomen.
Het is alweer de tweede helft van september. De herfst is nog ver te zoeken, hoewel het vandaag regent en de kastanjes beginnen te vallen. De blaadjes van de bomen verkleuren en het is ’s avonds snel donker. Maar qua temperatuur lijkt het nog wel zomer. Zonder jas naar buiten kan nog best, en dat was vroeger nooit zo als ik bijna jarig was!
Na een aantal weken school, zouden we nu wel weer in het ritme moeten zitten. Zo was het meestal ja, maar dit jaar dus niet. Met een kind in de jeugdhulpverlening, loopt alles anders. Vanwege de privacy van onze dochter en ons, ga ik niet op de problematiek in. Maar geloof me dat het complex is, en voorlopig nog niet opgelost.
Je mag blij zijn dat je zo snel hulp hebt gekregen, zeggen sommigen. De wachtlijsten in de jeugdzorg zijn vreselijk. En inderdaad, ik ben blij met de mensen die voor ons klaar staan! Maar nog liever had ik dit hele gedoe niet gehad. Moedeloos staarde ik een maand geleden naar de tijdschriften in de wachtkamer, wachtend op ons eerste intake gesprek. Lukraak pakte ik een blad, sloeg het open en vond daar een verhaal over een jonge vrouw met buikvlieskanker… Oei, het kan altijd nog erger! Maar blij werd ik er natuurlijk niet van. Dat werd ik ook niet van de intake. Lieve help, een spervuur van vragen werd op ons afgevuurd. Ik had medelijden met onze dochter, en ook met onszelf. Het leek ineens niet zo ontzettend lang geleden dat we met een ander kind bij de hulpverleners zaten, en nu weer. Maar veel tijd om daar bij stil te staan, was er niet. Er werd doortastend opgetreden. Dit en dat vermoedden ze dat er speelde, zus en zo stelden ze een behandeling voor, inclusief medicijnen. Voor we het wisten, stond er een vervolgafspraak gepland en daarna zouden we meteen begeleiding krijgen. Nou, genoeg om eerst wat te laten bezinken.
Ze mag maar halve dagen naar school, was een van de eerste adviezen, en ook liever niet met de fiets. Eerst bekeek ik dat soort adviezen nog vanuit mezelf, zeg maar vanuit een gezond persoon. ‘Oh maar dan mist ze zo veel!’ En: ‘Wat is er mis met een lekker fietstochtje?!’ Maar zo werkt dat nu niet bij onze dochter. Na een paar hele dagen school, stortte ze al in… Ze heeft geen energie en geen concentratie, dat was ons al verteld. Soms duurt het even voor het tot je doordringt dat die adviezen niets voor niets zijn. Een mens is soms hardleers. Ik dacht destijds precies hetzelfde toen onze andere dochter niet naar college kon: ‘Oh nee, dan mist ze van alles!’ Dat was achteraf gezien helemaal niet het grootste probleem, en het is helemaal goed gekomen. Maar nu staan we aan het begin van een ander proces, en dat is wennen.
We worden intensief begeleid, dat is nodig voor het herstel van onze dochter. Maar het vraagt veel van ons. We moeten alert zijn op haar signalen, op één lijn staan als ouders, voorspelbaar zijn, ingrijpen bij teveel stress enzovoorts. Heel wat do’s en dont’s passeren de revue. We doen heel erg ons best, maar ik word er ook ontzettend moe van. Niet alleen daarvan, wordt me steeds verteld. Je bent ook nog in de rouw over je vader en het hele afgelopen jaar was nou niet bepaald rustig. Meer dan logisch dat je zo moe bent, want het is alles bij elkaar echt zwaar.
Op een avond bracht ik Janine naar bed, net als elke avond. Net als anders bleef ik even bij haar zitten, gewoon om er nog even te zijn. En toen viel ik in slaap, met mijn hoofd op haar bed. Ik begon meteen te dromen, en met veel moeite werd ik weer wakker. Het leek wel of ik een uur geslapen had! Maar dat was niet zo, zei Janine, die zelf nog wakker was. Het was even de omgedraaide wereld, wie brengt wie nou eigenlijk naar bed? In elk geval was ’t duidelijk dat ik omviel van de slaap. Ik ben die avond dan ook maar gauw naar bed gegaan om bij te slapen, en de avond daarop nog een keer, en nog een keer. Met mijn energie en concentratie is het inmiddels ook niet meer zo super.
Om goed voor een ander te zorgen moet je goed voor jezelf zorgen. Dat hebben we intussen vele malen gehoord. Een open deur, als je het mij vraagt. Maar zo eenvoudig is het nog niet. Als er een beroep op mij gedaan wordt, dan reageer ik daarop. Niet nodig, zegt de begeleidster, je kunt het ook aan een ander vragen. Of niets doen, niet meteen op zoek naar dat ene T-shirt van zoon of het OV pasje van dochter. Zo leer ik elke dag weer wat, in een poging om een nieuw evenwicht te vinden hier samen. Wish me luck! Als een soort antwoord daarop verscheen er gisteren een prachtige regenboog, precies toen ik m’n dochter naar de bus bracht. Ik kreeg er niet genoeg van om ‘m op de foto te zetten. Er is hoop, dacht ik, er is nog altijd een God die over ons waakt. Hoe moe ik soms ben, elke dag zijn er toch lichtpuntjes om weer door te kunnen gaan. Ik wens ze jou als lezer ook toe, in wat voor omstandigheden je ook zit.