De kamptrui

Héél lang geleden… waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden ze elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen, afkomstig van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman. Hij studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo probeerde ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze inmiddels een paar vriendjes gehad. Geen van die hen was echter de ware.

Op een dag zat ze zich in haar studentenkamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome; misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Op dat moment belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur aan de telefoon te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ zei het meisje. ‘Nou, zei de vriendin, ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Zij willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hen niet eens en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze 2 dagen later al zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
‘Wow, wat een buitenkans!’ dacht het meisje. Ze hoefde er geen uur over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief bezig te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Als ‘ie klaar was, zou ze alle namen van de deelnemers erop borduren, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen twee weken.

Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van de bergen, de groep, en van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al maanden eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd… een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eentje dan… Zou ze hem ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een jasje. Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard haar spulletjes kwam brengen, nota bene op de dag van haar afstuderen. Wat een verrassing! De andere jongens waren er ook, maar haar hart begon toch echt sneller te kloppen voor die ene. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen ze op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden ze officieel verkering. En dat meisje… dat was ik natuurlijk.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en deed nogal stug. Gerard begreep daar niets van. Hij maakte veel grapjes en sloofde zich uit om mijn aandacht te krijgen. Aan het eind kregen wij de kamptrui kado, als dank voor het te gekke kamp én omdat wij nu een stel waren. We moesten hem wel regelmatig uitlenen aan andere kampleden, werd ons gezegd.

‘Ze moesten eens weten…’ dacht ik. Want ik had mijn conclusie al getrokken: ik maakte het uit! Ik had er geen zin meer in. Toch bleek dat de oplossing niet te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. Andersom moest Gerard erg wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen leven had, en eigen ideeën. Met een rugzakje vol bagage uit haar jeugd, niet te vergeten. Dat had hij zelf ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’. Daar hadden we helemaal gelijk in, maar het kostte jaren om te ontdekken hoe!

De kamptrui heeft jaren onderin een kast gelegen. We deden hem nooit aan, het model was veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Een paar maanden geleden besloot ik hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Het was nog een hele klus. Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was. Totdat ik ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen (wat Gerard al een paar keer geopperd had, maar bij mij niet binnenkwam…). Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Ergens is die trui een beeld van ons huwelijk. We trouwden 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen… werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar. Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een relatie houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van! Iets dat ons beter past dan de vorm van 30 jaar geleden.

Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En ook dat ik het met jou uithou. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het misschien niet gered. Reden genoeg voor een feestje! Maar ja, dat komt later pas, als we lekker geen afstand meer hoeven te houden 🙂 🙂 🙂 :-):-) 🙂 🙂 🙂

Gepubliceerd door Rineke van Eijk - de Muijnck

Hallo, mijn naam is Rineke. Vierendertig jaar getrouwd met Gerard (pseudoniem) en moeder van zes kinderen. Vier van deze kinderen zijn al volwassen en wonen op zichzelf. De jongste twee, allebei pubers, wonen nog thuis. Mijn leven is nooit saai, daar schrijf ik dan ook graag over. Als ervaren moeder twijfel ik regelmatig aan mijn kwaliteiten als opvoeder, maar kan mijn hart ophalen aan twee lieve kleinkinderen. Zoals in elke relatie, hebben wij ups en downs. Ook daar valt het nodige over te schrijven, zeker als eén van de twee te maken krijgt met ernstige ziekte. Last but not least; deze blog ben ik gestart ten tijde van we de corona-crisis. Crisissen gooien het normale leven overhoop, maar bieden ook nieuwe mogelijkheden. Gelukkig ligt die tijd al achter ons. Veel leesplezier gewenst!

5 gedachten over “De kamptrui

Plaats een reactie