Kerstverlichting in januari

Wat is het toch donker buiten. De kortste dag van het jaar is alweer een maand geleden, maar ik merk er weinig van dat de dagen langer worden. Ik wil eigenlijk niet zeuren, maar als rasechte Nederlander kan ik het niet laten. Wat een suffe winter! Al die grijze mistige dagen, geen gezellig pak sneeuw of vrieskou in de lucht…En dat terwijl we misschien wel een witte kerst zouden krijgen, aldus de weermannen. In november werd ik door mijn eigen zoon al lekker gemaakt met een strenge winter. De hoge- en lage drukgebieden lagen precies zo als in de winter van 1963, aldus andere weermannen. Dat beloofde wat! Maar nee hoor, de temperatuur is volgens mij nog geen 24 uur onder nul geweest.

Behoorlijk vroeg dit jaar zagen we hier in de buurt al kerstverlichting hangen. Een enkeling begon er in oktober al mee, maar de meesten in november. In elk geval ver voordat Sinterklaas gevierd was. Dat was vroeger ook wel anders! Toen ik klein was, deden we nog aan advent. Mijn vader hing een adventsster op voor het raam, en mijn moeder zorgde voor een adventskandelaar met 4 kaarsen. Elke week mocht er een kaarsje meer aan, en als ze alle vier brandden, dan was het bijna kerst. Pas dan kwam er een kerstboom bij ons in huis, die verder in de kerstvakantie mocht blijven staan. Het laatste weekend van de vakantie werd de kerstboom afgetuigd, en alle versiersels gingen netjes in dozen naar zolder. Mijn ouders hielden erg van regels en routine. Maar mijn moeder klaagde wel vaak dat januari zo’n vervelende maand was. Zo saai, helemaal geen gezelligheid en feesten meer. En koud natuurlijk! Ze hield niet van schaatsen of van ons op de slee trekken, dus wat haar betreft mocht het meteen lente worden.
Mijn moeder leeft allang niet meer. Wat zou ze haar ogen uitkijken naar al die versierde huizen tegenwoordig! Kerstversieringen langs de dakgoot en pergola’s, kerstbomen binnen en buiten, hertjes in de tuin. Ik denk dat ze haar hoofd zou schudden om zoveel poespas. Of zou ze het eigenlijk wel leuk vinden?

Corona maakt het leven er niet leuker op, dus wij deden er dit jaar alles aan om het in huis gezellig te maken. Eén adventsster vóór en eentje achter, daar begon het mee. Twee kleine kerstboompjes in de huiskamer in plaats van één grote. Veel gekleurde ballen en ook heel veel lampjes. Niet ik, maar Gerard spande de kroon met overal kerstverlichting ophangen. Een snoer in het trappenhuis en een snoer van de keuken naar de huiskamer. Leuk hoor, al dat extra licht! We hadden bij wijze van spreken geen lampen meer nodig. Maarten kreeg ook nog een lichtsnoer met ledlampjes van Sinterklaas. Janine was daar erg jaloers op, want zij had dat ook op haar verlanglijst staan. ‘Ik wil er ook een!’ klaagde ze. Eerst leek me dat geen goed idee, vanuit pedagogisch oogpunt. Maar op de dag dat er een lockdown aangekondigd werd, zijn we maar snel naar een winkel gegaan. We kochten er twee doosjes met lichtsnoeren en nog meer spul. Thuis snapte ik niet waarom ik twee doosjes kerstverlichting had gekocht, maar Gerard wist er wel raad mee. Eentje in de kamer van Janine en eentje in de tuin! Die in de tuin was nog bijzonder ook. Blauwe, groene en rode lampjes wisselden elkaar af, in wisselende tempo’s. Ik geneerde me er bijna om, het leek wel een kermisding. Wat zou mijn moeder daarvan gezegd hebben?! Maar Gerard vond dat het moest kunnen en de kinderen klaagden er ook niet over. Tot afgelopen weekend.

‘Wat hebben jullie nou in de tuin hangen?’ merkte onze dochter Willemijn op. Ze logeerde het weekend gezellig bij ons. ‘Wat een ding zeg, net iets voor Tokkies! Dat is toch niks voor jullie?’
Ik was het helemaal met haar eens, maar Gerard haalde zijn schouders op. ‘Gezellig toch?’ zei hij. ‘Wat is erop tegen om de tuin te versieren!’ Niets op zich in de kersttijd, maar het was toch al lang januari. ‘Maandag is het Blue Monday, een mooie dag om de kerstverlichting weg te halen’, vond ik. ‘Vooruit’, zwichtte Gerard.

Om precies te zijn hangt het snoer er nu nog steeds, maar het kan niet meer branden. De batterijtjes zijn eruit. Ik zie Gerard er wel voor aan om dat ding het hele jaar door aan te doen. Met verjaardagen of zo, of op warme zomeravonden. Nou ja. Vandaag was ik even bij een vriendin, en daar hing de adventsster nog! Voor de gezelligheid, maar ook als teken van licht in de duisternis. Eerst wilde ze haar kerstboom langer laten staan, maar die begon teveel naalden te verliezen. Ik vond het leuk staan, die ster. Als het dan toch steeds donker is en niet sneeuwt, dan maar kerstverlichting in januari…

Goede voornemens

De eerste week van januari is alweer voorbij. De kop is eraf, zogezegd. En die kop ging snel! Het was kerstvakantie, en die vakantie hebben we goed benut met bijslapen, rommelen in huis, wandelen en onze ouders opzoeken. Voor de gezelligheid lieten we onze kleine kerstboompjes lang staan, en de adventssterren hingen er tot en met Driekoningen. Daarna was ik de kerstspullen wel helemaal zat.
Ik had me op Nieuwjaarsdag voorgenomen om geen goede voornemens te doen. Ik had toch geen idee wat. Toch betrapte ik mezelf er een paar keer op dat ik dingen dacht als: “Dit ga ik niet meer doen dit jaar”, of: “Dat ga ik nóg beter doen”. Een nieuw jaartal nodigt toch blijkbaar uit om dingen te willen veranderen. Vaak zijn het van die dingen als: meer op m’n gezondheid letten, meer sporten, minder op m’n telefoon etc.

Dat laatste heb ik één dag serieus geprobeerd. Niet met het idee van het hele jaar, maar gewoon voor het idee. Nou, het was een bijzondere ervaring. ’s Ochtends ging het prima, ik miste het helemaal niet. Wat een vrijheid ineens! Niet steeds bezig met appjes beantwoorden of toch even snel op Facebook kijken. ’s Middags werd het al moeilijker, vooral toen ik moe werd. Blijkbaar pak ik m’n mobiel dus vaak als ik niets anders te doen heb. Dan lees ik meteen even de hoofdpunten van de NOS, maar het was best relaxed om dat niet te doen. ’s Avonds na half 9 vond ik dat ik toch echt even op whattsapp MOEST kijken wat ik zoal gemist had, en ook het nieuws kon niet wachten tot morgen. De dag was toch bijna voorbij, dus het experiment ook. Mijn conclusie was: ik had weinig gemist, en ik hield behoorlijk veel tijd over. Toch heb ik er geen gewoonte van gemaakt om de dagen daarna radicaal anders om te gaan met mijn mobieltje. Tja, de macht der gewoonte. Blijkbaar wil ik toch liever gestoord worden, of verveel ik me geregeld.

Ik hoefde me ook niet voor te nemen om minder te gaan roken. Ik heb nooit gerookt. Dat ik zelfs nooit een sigaret heb geprobeerd, had vooral te maken met mijn opa’s. Die rookten allebei; de ene rolde shag en de ander rookte sigaren. Ergens vond ik het wel lekker ruiken, maar allebei de opa’s hoestten zo verschrikkelijk! Eén van hen kreeg zelfs longkanker, en dat maakte zoveel indruk op mij dat ik nooit aan roken durfde te beginnen. Daarbij kregen wij van onze ouders 100 gulden op onze 16e verjaardag als we dan nog niet gerookt hadden. Geen probleem voor mij. Elk jaar dat je volhield kwam er weer 100 gulden op je spaarbankboekje, dus pa en ma betaalden zich arm aan hun 4 niet-rokende kinderen (waarvan er sommigen toch weleens stiekem aan een sigaret zaten). Toen ik 21 werd, zette mijn vader er een punt achter.

Gezonder gaan leven dan en meer sporten, jaaa!!! Dat wilde ik wel. Ik had dat het afgelopen jaar al in gang gezet door naast jazzdance (één keer per week), bij een hardloopgroepje te gaan (twee keer per week). Mijn conditie is er zeker op vooruit gegaan. Totdat bij de zoveelste lockdown de deuren van de sporthal dicht moesten. Geen jazzdance meer dus… Hardlopen mocht nog wel, maar later werd dat ook gedoe. Alleen in tweetallen toegestaan, ja hallo zeg! Zo onhandig als je normaal met een groep van 12 of 15 bent. Binnen de kortste tijd had ik alweer hoofdpijn en last van m’n rug. Kun je nagaan wat sporten met je doet. Ik hoop van harte dat de nieuwe regering die conclusie ook heel snel trekt!

Er is één gewoonte die ik nog niet genoemd heb, waar ik echt wat mee wil doen. En dat is: niet zo streng zijn voor mezelf. Ik vind mezelf geen perfectionist, en in theorie weet ik dat de lat te hoog leggen, niet slim is. Toch doe ik het steeds weer. Dan vind ik mezelf dom, erger ik me aan die onzekerheid die steeds weer de kop op steekt, en twijfel ik aan mijn kunnen. Stiekem hoop ik de beste te zijn met hardlopen of de vlotste in contacten leggen. Wil ik een leuke vrijwilligster zijn die niet zo snel uit het veld geslagen is en ga zo maar door. En als ik dan faal in eigen ogen, leg ik mezelf iets op. Dan moet ik een heel eind lopen bijvoorbeeld, of ga ik heel hard de keuken boenen. Net alsof dat helpt!

In alle jaren is me inmiddels duidelijk geworden dat niemand perfect is en dat ik altijd fouten zal maken. Boos worden op mezelf als iets niet lukt, heeft dus weinig zin. Goed, ik neem me voor om mezelf meer te gunnen in 2022! En wie dit herkent, laat het me horen. En wie denkt: waar gaat dit over? Die moet maar even wachten op een volgende blog.

Alle goeds in het nieuwe jaar!

Tussen kerst en oud en nieuw

It’s the most wonderful time of the year! Dat hoor je op de radio en je ziet het op TV. Lekker eten met je familie, gezellig samen spelletjes doen, kerstboom versierd en kerstverlichting aan… genieten maar! Voor een heleboel mensen is dat ook zo, voor een heleboel anderen echter niet. Veel mensen zijn alleen. Of ze hebben wel familie, maar ze voelen zich nog steeds alleen, omdat het niet zo botert onderling. Veel mensen zijn stiekem blij als de kerstdagen achter de rug zijn. Nog even Oud- en Nieuw door zien te komen, en dan weer weg met al die kerstbomen en prullen!

In huize van Eijk zijn de kinderen erg blij met hun lange kerstvakantie. Even geen verplichtingen, even geen gezeur van huiswerkbegeleiding of vervelende docenten. De één loopt hier nog langer in pyama rond dan de ander. Soms zelfs letterlijk de hele dag. Ze eten wanneer het hun uitkomt en doen waar ze zin in hebben. Gerard en ik missen het gestress ’s ochtends helemaal niet. Als het even kan slapen we zelf ook lang uit, het is toch donker buiten. Als het aan Gerard zou liggen, zou de ontbijttafel er om 3 uur ’s middags nog net zo bij staan als om 9 uur ’s ochtends. Je pakt gewoon wat wanneer je er behoefte aan hebt is, zijn motto. Daar zit wat in, maar toch ruim ik de boel op een gegeven moment maar op.

De kerstdagen waren weer net een soort marathon. Om te beginnen was onze Hanna jarig op 24 december. Een lastige dag om jarig te zijn, al klinkt het leuk dat je ooit de eerste kerstbaby van het jaar bent geweest. Nu is het lastig vanwege de corona-maatregelen. Toch ging ik erheen, en samen met haar zussen en zwager hebben we lekker taart gegeten. Het stroomde van de regen en het was druk onderweg, maar alle moeite waard.

Eerste Kerstdag brachten we met een deel van de kinderen bij mijn vader door. In tegensteling tot de dag ervoor was het ijzig koud. Leuk, dacht ik, gaat de winter nu eindelijk echt beginnen? Maar nee. Op Tweede Kerstdag werd code oranje afgegeven vanwege ijzel of sneeuw… althans die dreiging was er. We gingen we toch maar op pad, onder andere voor het kerstdiner bij Irene en Simon. We hebben daar unieke foto’s gemaakt, gewandeld, spelletjes gedaan en op de bank gehangen, terwijl de Top 2000 door de kamer schalde. Anderhalve meter afstand? Het lukte niet helemaal om aan die regel te houden, maar iedereen bleef na afloop gezond. Iedereen kwam ook veilig thuis, geen ijzel bij ons in de omgeving gelukkig.

Wat was ik moe de dagen erna, ik moest even flink bijslapen. Die luxe permitteer ik mezelf tegenwoordig maar. En nu is het alweer Oudjaarsdag. Het jaar 2021 is bijna voorbij! Nog een paar uren om terug te kijken op het oude jaar. Wat een vreemd jaar is het geweest, door alle dingen met corona. Maar daar ga ik het niet over hebben. Ik ben ook best dankbaar voor het afgelopen jaar, er zijn zoveel mooie dingen gebeurd! Zal ik eens wat noemen?

Mijn vader is 90 geworden. Inmiddels zelfs al 90 en een half, en hij is nog steeds gezond. Okay, zijn geheugen begint gaten te vertonen en dat is best schrikken, maar wat wil je op die leeftijd?
Mijn schoonmoeder van 81 is er nu beter aan toe dan een jaar geleden. Ze heeft haar draai gevonden in het verpleeghuis en ze wordt daar goed verzorgd.
Irene en Simon hebben een huis gekocht en zelf prachtig opgeknapt. Een prestatie om u tegen te zeggen!
Hanna werd verliefd op haar bovenbuurman en de bovenbuurman op haar… wat een mooi stel! Zij gaat als eerste van ons gezin aan de slag als ZZP-er.
Johan is gezond en sterk en heeft als hovenier altijd genoeg werk. Nog een mooi punt: hij laat de sigaretten in de schappen liggen en sport wat af!
Willemijn heeft haar bachelor gehaald, cum laude nog wel, en studeert nu ijverig door voor haar master. Ze is altijd lekker druk bezig.
Maarten is over van 2 naar 3 Mavo en doet het daar goed. Hij had de ene groeispurt na de andere en is nu al de langste van onze kinderen.
En Janine groeit ook hard, zit op tweetalig onderwijs in de brugklas en is na een paar zware maanden nu aardig gewend.

Persoonlijk maakte ik ook mooie dingen mee.
In februari heb ik heerlijk een dagje geschaatst op de uiterwaarden, met Johan. Zo leuk om zoiets te doen met je oudste zoon. Ik hoop dat het weer flink gaat vriezen in 2022.
Ik ben bij een heel leuk hardloopgroepje gegaan, waardoor mijn conditie vooruit springt, en waar ik leuke contacten kado krijg.
De eetstoornis plus depressiviteit die me jarenlang last bezorgden, zijn op hun retour. Goodbye my love (eetstoornis), ik heb je niet meer nodig! Sinds kort probeer ik mijn ervaringsdeskundigheid in te zetten in een inloophuis. Erg leerzaam, niet in de laatste plaats voor mijzelf… Soms erg confronterend, maar bijzonder werk. Ik ben blij dat ik deze kans krijg. – Last but nog least waren Gerard en ik dit jaar 30 jaar getrouwd en nog steeds happy together! Al verschillen we soms als dag en nacht, we houden van elkaar en we houden elkaar vast. Een groot feest zat er niet in, maar als er meer mag, gaan we gauw eens wat plannen.

Misschien kun je zelf ook mooie dingen bedenken over het afgelopen jaar. Misschien ook niet, ieder leven is weer anders en soms is er gewoon niks aan. Evengoed wens ik jou als lezer een bijzonder mooi, gezond en gezegend nieuwjaar toe. Dank voor het lezen van mijn blogs en voor alle leuke reacties. See you in 2022!!!

Wanneer wordt het weer normaal?

Het was een mistige dag in december. Zo’n dag waarop je denkt dat het nooit meer licht wordt… en dat werd het ook niet. Normaal wil mist nog weleens optrekken na een poosje, maar deze dag bleef het maar somber en nevelig. Zelfs in mijn hoofd voelde het mistig, alsof ik nog niet echt wakker was. Maar dat was ik wel, want we hadden ontbeten en de kinderen waren al naar school. Ze hadden er geen zin in en dat lieten ze ons ook duidelijk merken.
Ik plofte op de bank en dacht na over wat ik zou gaan doen vandaag. Ik had nog erg weinig inspiratie. Gelukkig hadden we twee kleine kerstboompjes in huis en een heleboel lichtjes, dat maakte de kamer tenminste nog gezellig.

De dagen ervoor waren weer eens druk geweest en gecompliceerd. Ten eerste omdat het alsmaar donker en miezerig was. Ten tweede omdat er onduidelijke afspraken op school waren bij ons ene kind, met als gevolg een heel boze dochter thuis. En die boosheid richt zich voornamelijk op mij…Verder had ons andere kind buikpijn en kon hij niet naar school. Hij was ook nog een boek kwijt en daar was hij streng op aangesproken. ‘Zou je daar buikpijn van kunnen hebben?’, vroeg ik. Hij wist zeker van niet. Ik wist het ook niet. In elk geval deed een dagje thuis hem goed en natuurlijk vond ik zijn boek terug: het lag in de kamer van zijn zus. (Niet om op te scheppen, maar ik vind bijna alles terug wat de anderen kwijt zijn! Kwestie van stug doorzoeken en op vreemde plekken kijken ;-).
Verder had onze auto ineens een lekke voorband, en lukte het niet om de reserveband erop te krijgen. Beter gezegd, het lukte niet eens om de lekke band los te schroeven! Dus daar moest over gebeld worden, en het duurde lang voor er hulp kwam en vervolgens was de garage al dicht. Geen wereldramp, maar je zit er ook niet op te wachten. En dan hadden we natuurlijk de persconferentie. Niet dat we er live naar keken, het meeste was toch al uitgelekt. Maar het was duidelijk dat de avondlockdown voorlopig nog niet voorbij was!

Nog even doorbijten allemaal en dan wordt het Kerstmis. Maar wat voor een Kerst? Vroeger waren we de weken ervoor altijd druk met voorbereidingen. Ik hielp mee met het versieren van de school, en we hadden een kerstviering (ook van school). Vertederd keken we naar al die kinderen, die er snoezig uitzagen in hun mooie kerstkleren. De ene klas zong een mooi liedje, de andere speelde muziek, en we zongen ‘Komt allen tezamen’, en ‘Stille nacht’. Na afloop dronken we met z’n allen wat warms in een propvolle ruimte, waar diezelfde engeltjes van kinderen baldadig liepen te schreeuwen en overal doorheen renden. Maar nu? Geen kind meer op de basisschool, geen schattige toneelstukjes of ergernis over lawaai. Zelfs geen kerstnachtdienst in het vooruitzicht! Corona, corona, corona….Wanneer wordt het nou weer eens normaal???

Ik zal vast niet de enige zijn die zich dit afvraagt. Er komt maar geen einde aan het corona-tijdperk, lijkt het. Vorig jaar hadden we nog wel het idee dat we eruit zouden komen als er eenmaal vaccinaties zouden zijn, of goede medicijnen. En als je daar niks in zag, was het geen probleem want het zou allemaal wel over gaan. Je hoorde toch ook niets meer over corona-besmettingen in China?
Helaas is het zo anders gelopen. We zitten er nog tot over onze oren in, en niet alleen wij in Nederland. En hoewel elk land het anders aanpakt, het lijkt wel of niemand de corona-crisis op kan lossen.

Ooit ben ik lang bedlegerig geweest. Ik kreeg toen van iemand het advies om na te denken over mensen die het nóg slechter hadden. Dat vond ik toen geen leuk advies, maar ik heb het wel onthouden. Tegenwoordig pas ik het weleens toe, dan denk bijvoorbeeld aan mensen in de Tweede Wereldoorlog. Aan mensen zoals jij en ik die regels opgelegd kregen, bang werden gemaakt, nauwelijks informatie ter beschikking hadden. Die honger leden en niet meer wisten of de buurman nog te vertrouwen was. Stel je voor dat je man of zoon naar het leger moest, of dat ze onder moesten duiken! Hoe hielden de mensen dat toen vol? Als ik het daarmee vergelijk, vind ik de coronaregels nog wel meevallen. Het deprimerende is echter dat je niet weet hoe lang het duurt en wanneer het weer normaal wordt. En wat is normaal? Ons normale leven is al heel anders dan dat van een vluchteling, om maar wat te noemen.

Tenslotte. Ik heb eens een boek gelezen met de titel: Eat, pray, and love (Eten, bidden en beminnen). Ik zou nog iets aan het rijtje toe willen voegen : luister naar muziek of zing een mooi lied! Kerstliedjes genoeg in deze tijd van het jaar. Want als al die adventsvieringen en kerstavonden niet doorgaan, dan moeten we er zelf maar wat van maken. Ik werd heel blij van onderstaand lied Stop the Cavalry. Luister er maar eens naar, en ondanks alles een prettige kersttijd gewenst!

Het hoofd boven water houden

Foto door Valeria Boltneva op Pexels.com

‘Begin de dag met een dansje, begin de dag met een lach.
Want wie vrolijk kijkt in de morgen, die lacht de hele dag.
Ja, die lacht de hele dag.’


Dit liedje was jaren geleden te horen bij radio Gelderland, als begintune van een programma dat om 7 uur begon. Heel irritant vond ik het. Ik ben niet zo’n ochtendmens; ik hou niet van vrolijke liedjes op dat tijdstip en al helemaal niet van een dansje doen als je net wakker bent! Maar het is wel blijven hangen.

Degenen die mij wat beter kennen, weten dat ik niet altijd supervrolijk ben. Ik heb af en toe last van depressieve buien, al zie je dat niet altijd aan me. Vroeger als kind had ik dat niet, maar ik was wel heel gevoelig. Ik dacht over allerlei dingen na. Als wij op vakantie waren bijvoorbeeld, werd ik na anderhalve week al droevig. Niet omdat ik heimwee had, maar omdat we dan over de helft waren, zó fijn vond ik het om te kamperen! En als het Goede Vrijdag was, durfde ik bijna niet naar de kerk. Ik werd zo verdrietig van al die liedjes over het lijden van Jezus. Stel je voor dat ik ging huilen, dat wilde ik natuurlijk niet. Huilen was iets voor kleine kinderen, niet voor meisjes van 9…

Als je zelf nooit depressief bent, is het moeilijk voor te stellen hoe dat voelt. Ik heb eens een boek gelezen van iemand die zich graag beter in wilde leven in mensen met een depressie. Dus reserveerde hij 3 dagen in zijn agenda om depressief te zijn. Hij ging er speciaal voor vroeg naar bed, plande helemaal niets en probeerde zo somber mogelijk te zijn. Maar hoe hij ook zijn best deed en hoe negatief hij ook probeerde te denken, het lukte hem niet.
‘Zie je wel? ‘ was zijn conclusie. ‘Als je je voorneemt om depressief te zijn, dan zul je merken dat het niet lukt!’
Misschien heb ik het niet 100% goed onthouden, maar in grote lijnen kwam het hier op neer. Nou, zo werkt het natuurlijk niet. Als je nooit weeën hebt gehad, weet je ook niet hoe die voelen. Ook al lees je er informatie over en doe je aan zwangerschapsgymnastiek, pas tijdens een bevalling weet je hoe weeën ongeveer voelen (overrompelend pijnlijk).
En zo is het ook met een depressie: je weet pas hoe het is als je er last van hebt.

Maar goed, inmiddels heb ik in mijn leven heel veel geleerd, dus ook hoe ik daarmee om kan gaan. Elke dag een ritme aanhouden bijvoorbeeld, op tijd naar bed en gezond eten. Niet zo verrassend. Wat ook helpt is… naar buiten! Lekker wandelen, met Gerard bijvoorbeeld of met een vriendin. Of in m’n eentje, en dan blikjes en andere rommel oprapen, ook erg helpend om mijn hoofd leeg te maken. Hardlopen doet me ook erg goed. Ik zit tegenwoordig zelfs bij een hardloopgroepje en train twee keer in de week. Verder luister ik graag naar muziek, en soms ga ik iets creatiefs doen, zoals Diamond painting (iets met kraaltjes plakken, een heel precies werkje). Allebei erg rustgevend. En zo kom ik de dagen wel door als ik in de put zit.
Ik hoef vast niet uit te leggen dat deze tijd van regels en discussies over (anti)coronamaatregelen níet bijdragen aan vrolijk zijn.

Waar ik wel vrolijk van word, is mijn volwassen kinderen opzoeken. Wat een zegen toch als je die hebt! Familie neemt je gewoon voor lief, ook al doe je zeurig of irritant (toch?). Lekker eten, kletsen of herinneringen ophalen. Afgelopen weekend was ik op pad met mijn oudste zoon. We gingen eerst naar Irene en haar vriend, en daarna naar mijn vader. Ik had met enige bluf gezegd dat ik daar wel voor eten zou zorgen, maar ik was zo moe geweest de dagen ervoor. Ik had niet eens energie om iets te verzinnen!
‘Misschien heeft opa wel zin in patat’, opperde Johan. Mmm lekker, maar naar de snackbar op zondag? Ik twijfelde eraan of mijn vader dat zou willen, want vroeger mochten we ’s zondags nog geen ijsje kopen. Maar ik had het mis: hij vond het geen enkel probleem. Dus liepen Johan en ik naar de dichtstbijzijnde Tomas Patat, zoals mijn vader elke snackbar noemt. Het was er niet druk. We bleven even voor de vitrine staan om te bedenken wat we wilden bestellen.

‘Kom maar verder hoor’ zei de dame achter de toonbank. ‘Jullie hoeven geen anderhalve kilometer afstand te houden, anderhalve meter is genoeg!’ Daarmee was de hartelijke toon gezet. Heel wat anders dan de lijst voorschriften die her en der opgehangen waren tegen de verspreiding van het coronavirus. Haar man nam de bestelling op en gaf toelichting op wat wat was. Elke snackbar heeft tenslotte zo zijn eigen assortiment.
Toen ik een groentekroket bestelde, vroeg de man: ‘Wil je een vegetarische groentekroket of eentje met vlees?’
Een vegetarische groentekroket of eentje met vlees? Niet begrijpend keek ik hem aan. ‘Met van die rundvleesdraadjes erin’ voegde de man toe. Sinds wanneer doen ze rundvlees in een groentekroket? dacht ik. De vrouw haastte zich om de verwarring op te lossen. ‘Hij bedoelt of je een vegetarische wil of een veganistische, die hebben we ook’, zei ze. Dat stond echter niet op de menulijst.
‘Oh, nou doe mij maar een gewone groentekroket’ zei ik. Ik was nog steeds in de war over het idee van een vegetarische groentekroket met rundvlees.

Kijk, daar kan ik nou zo enorm van opknappen! Simpele dingen doen, verrassende vragen krijgen, familie om me heen. Daarom schrijf ik het hier maar eens uitgebreid op, nog voordat we vanavond weer een persconferentie krijgen met nieuwe – al dan niet uitgelekte – maatregelen…

Foto door cottonbro op Pexels.com

Wachten tot je een ons weegt

Mijn dochter voelde zich deze zomer een poosje niet lekker en daarom gingen we naar de huisarts. Die gaf ons een verwijzing voor de kinderarts in het ziekenhuis. Ik belde op voor een afspraak; half oktober konden we terecht. Half oktober?! Het was toen net augustus!
‘U kunt ook naar een ander ziekenhuis gaan, als het u te lang duurt’, adviseerde de dame aan de telefoon. Janine wilde überhaupt niet naar een dokter in wat voor ziekenhuis dan ook, dus ik heb het maar op half oktober laten staan. Zelf had ik ook niet zo’n zin om naar een andere stad te gaan.

Toen Janine eindelijk aan de beurt was, had ze inmiddels al andere klachten… maar goed. De kinderarts nam de tijd, luisterde aandachtig en deed diverse tests. Ze stelde voor om bloed te laten prikken en een hartfilmpje te laten maken. Ze had een licht ruisje bij het hart gehoord, waarschijnlijk onschuldig, maar toch goed om even te checken. Uiteraard kon dat allemaal niet diezelfde week, maar een week later. Dat viel me nog mee. Onze dochter vond het maar niks, maar wij vonden het wel geruststellend dat ze haar eens onderzochten. Ze zag zo vaak witjes en ze had vaak hoofdpijn.
Drie weken na de onderzoeken zou de uitslag besproken worden, via een telefonisch consult. Als er echt iets bijzonders was, zouden ze wel eerder bellen. Geen bericht, goed bericht. Dat zei mijn vader vroeger ook altijd als wij – elders in het land op kamers – lange tijd niet belden. Mijn moeder maakte zich sneller ongerust dan hij, maar mijn vader wuifde haar zorgen dan weg. En meestal klopte dat ook.

Vijf dagen van tevoren kreeg ik een herinneringsmail van het ziekenhuis over het telefonische consult. Wij zouden gebeld worden; dringend verzoek om zelf niet te gaan bellen. Drie dagen daarna kregen we nog een herinnering. Als we het nú nog zouden vergeten, onmogelijk!

Gerard en ik hadden het erover welk telefoonnummer ze eigenlijk zouden bellen. We hebben allebei een 06-nummer en we hebben ons ouderwetse vaste nummer nog.
‘Wat heb jij doorgegeven?’ vroeg ik, aangezien hij de eerste keer mee geweest met Janine. ‘Oh, daar is toen niet om gevraagd; vermoedelijk wat bij onze gegevens staat’ zei hij, ‘maar anders bel je even op, om dat te checken.’
Daar had ik op dat moment niet zo’n zin in en later kwam ik er niet aan toe. Ik ging er voor het gemak vanuit dat mijn nummer in het systeem staat, aangezien ik het meest bereikbaar ben. Hij heeft een enorme hekel heeft aan telefoneren. Als er een telefoon gaat, neemt hij die 9 van de 10 keer niet eens op! Bovendien is zijn mobieltje aan z’n eind. Die ligt de hele dag aan een oplader en dan nog valt ‘ie elke keer uit, ook al staat de batterij op 100%. Niet erg handig.( De vervanger laat nog even op zich wachten.)

Op de bewuste dag zat ik op het juiste tijdstip klaar met 3 telefoons. Gerard had nachtdienst gehad en lag te slapen. Het was stil in huis en het bleef stil… Na een kwartier nog geen telefoontje, na een half uur ook niet en na drie kwartier nog steeds niet. Tja, wat nu? Ondanks dat er in de mail stond dat je NIET naar het ziekenhuis moest bellen, belde ik het algemene nummer, moest een kwartier in de wacht hangen en kreeg toen eindelijk iemand te pakken.
‘Hé, wat raar’, zei die mevrouw. ‘Ja, ik zie dat de afspraak nog niet afgehandeld is. Dus de arts zou in principe nog kunnen bellen’. Ik vond het ook raar. Ik kon toch niet de hele ochtend thuis gaan zitten wachten?
Een uur later werd ik gebeld door een assistente van de kinderarts op ons vaste nummer. ‘Dag mevrouw, de arts heeft geprobeerd u te bellen, maar u nam niet op!’
‘Hoe kan dat nou?’, zei ik verbaasd, ‘ik zit hier met 3 telefoons naast me en ik ben de kamer niet uit geweest!’
Dat vond zij ook vreemd. Ik informeerde welk nummer er gebeld was. Dat was die van mijn man. Nee hè! Niets van gemerkt – trouwens in de belhistorie stond geen gemiste oproep. Ik gaf haar mijn 06-nummer en ze zou kijken wat ze voor me kon doen. Ze zou me later terugbellen.

Een tijdje later kwam Gerard uit bed. ‘En, wat zei de kinderarts?’ vroeg hij. Ik vertelde hem dat die ons niet kon bereiken met zijn telefoon. ‘Waarom belt ze dan ons vaste nummer niet?’ zei hij verbaasd. ‘Heb je gevraagd waarom ze dat niet gedaan had?’
Eerlijk gezegd was dat nog niet in me opgekomen. Ik hoopte maar dat de assistente snel zou terugbellen! Maar helaas, twee uur later nog steeds geen telefoon.

Ik was intussen behoorlijk geïrriteerd door dat wachten en binnen zitten en besloot een ommetje te gaan maken. Met mijn prikstok en vuilniszak natuurlijk, altijd nuttig bezig zijn is mijn verslaving. Het was een mistige herfstdag, heerlijk om buiten te zijn. Ik wandelde, prikte blikjes uit de struiken en keek af en toe op mijn telefoon. Totdat ik zag dat ik een oproep had gemist! Hoe dan? Hij zat gewoon in mijn jaszak met het geluid aan! Wat was er aan de hand vandaag?
Anderhalf uur later, toen ik allang weer thuis was, ging de telefoon weer. Nu was dat zeker weten die kinderarts, dacht ik. Ik griste mijn mobiel van de tafel, begon vrolijk te praten… en zag tot mijn schrik dat de verbinding verbroken was. Wat was er nu weer mis gegaan?! Terugbellen leverde ook niets op: het centrale nummer.

Het eindigde ermee dat een licht geïrriteerde assistente later belde met het verwijt dat de arts tijd voor ons neemt, dus dat we dan wel bereikbaar moeten zijn. Detail: de assistente belde steeds met ons vaste nummer en dat werkt dus prima. Waarom deed die arts dat dan niet?

Vandaag was er een nieuwe afspraak voor ons ingepland. Inmiddels is er een uur verstreken en hebben we – allebei thuis- nog steeds geen telefoon gehad van het ziekenhuis. Nou, ik weet het nu niet meer, dit is wachten tot je een ons weegt (en dat is, zie eerdere blogs, geen gezonde ontwikkeling). Dan maar weer gewoon terug naar de huisarts met onze dochter? Want daar ging het uiteindelijk om!

PS De aanhouder wint 🙂 Nog weer drie kwartier later belde de kinderarts op. Het valt allemaal wel mee gelukkig, maar ze wil onze dochter toch even volgen. Okay!

Moela- het vervolg

Onze oude wasmachine moest vervangen worden, voordat hij spontaan uit elkaar zou knallen Hij maakte met de dag meer lawaai! Waarschijnlijk waren de lagers versleten en die laten repareren was nogal een duur iets. Het leek beter om maar een nieuwe te gaan kijken.
Normaal doen wij vrij lang over de keuze van zoiets nieuws, maar in dit geval niet. Heel ouderwets misschien hoor, maar wat is een huisvrouw zonder wasmachine? Ik moest er niet aan denken. Ik gaf Gerard een week de tijd om op internet naar een nieuw apparaat te zoeken. Zelf vergeleek ik verschillende modellen op websites en liep een witgoedwinkel binnen. Daar stonden de prachtigste wasmachines op een rij. Wat een aanbod! Welke zou bij ons passen? De verkoper deed ijverig zijn best om mij een mooi (en duur) apparaat aan te praten, maar ik kon niet beslissen. Eerst nog maar eens met het thuisfront overleggen, zei ik.

Na enige discussie besloten we het over een andere boeg te gooien. Iemand had ons op het idee gebracht om een tweedehands wasmachine te kopen, Refurbished zogezegd. Volgens de omschrijving van diverse grote aanbieders zijn die ook prima. Vakkundig nagekeken, gerepareerd, van nieuwe onderdelen voorzien en geheel gereinigd. Goed voor het milieu en goed voor de portemonnee. Dat sprak ons wel aan en we besloten de gok te wagen. En snel dat het ging! De ene dag bestelden we een nieuwe wasmachine, de volgende dag werd ‘ie al geleverd.
Twee mannen kwamen de nieuwe brengen en namen de oude mee. De wasmachine werd aangesloten in onze douchecel, en meteen op het heetste programma gezet om goed schoon te spoelen. Daarna zouden we direct kunnen gaan wassen. Ik was reuze benieuwd. Ik zag wel meteen een kras op de zijkant en de knopjes op het bedieningspaneel waren een beetje vies. Ons ouwetje zag er nog mooier en schoner uit, dacht ik spijtig. Maar ja, deze Moela zou vast wel beter zijn.

‘Wat stinkt het hier!’ was het eerste wat ik dacht, toen ik een tijdje later de douchecel weer in kwam. Het rook naar schimmel en niet zo’n klein beetje ook. Ik riep Gerard erbij of hij het ook rook. Dat deed hij, wat vreemd.
‘Er zit wel wat schimmel op het plafond,’ zei Gerard. Tja, dat was mij ook al opgevallen. Zou het kunnen dat die ineens ging ruiken doordat het hier flink warm was geworden? Twijfelend snuffelde ik in de buurt van de wasmachine, die rook ook niet helemaal fris. ‘Voor de zekerheid nog maar een keer op 90 graden laten draaien’, dacht ik.
Het hielp niet veel. Er hing na afloop nog steeds een vreemde lucht. Maar we namen de proef op de som en gooiden onze vuile was in de machine, op hoop van zegen.
Gek genoeg kwam die er wel schoon uit. Zou het dan toch het plafond zijn?

Foto door Max Vakhtbovych op Pexels.com

In de dagen erna gingen we ijverig aan de slag met dat plafond. Gerard maakte het eerst voorzichtig schoon, en zette een extra ventilator neer om de boel daar droger te krijgen. Het hielp wel iets. Een dag later ging ik nog rigoreuzer te werk met chloorachtig spul. Als er NU nog schimmel op het plafond bleef zitten, dan wist ik het niet meer! En verder maar weer die ventilator aan, een paar dagen achter elkaar. De kinderen begonnen te klagen dat ‘ie herrie maakt, en ze klaagden ook over de chloorlucht die lang bleef hangen. Uiteindelijk haalden we de ventilator maar weg. De wasmachine deed het verder toch wel goed.

Toch rook het niet meer zo fris als voorheen in de douchecel Wat was er toch aan de hand? Zou er schimmel in de waterleiding zitten of zo, was de hele vloer verrot en moesten we alles openbreken? ‘Welnee’, zei Gerard, ‘dat is onzin. Misschien liggen er wel stinkende washandjes in de wasmand.’
Dat vond ik op mijn beurt weer onzin, ik hield de was heus wel bij! Maar wat veroorzaakte die lucht dan wel?
In een helder moment haalde ik na een week het zeepbakje van de wasmachine eruit. Die leek schoon, op wat zwarte plekjes na. Ik maakte ‘m helemaal schoon met een oude tandenborstel en schoof ‘m er weer terug. Maar de dag erna zag ik weer zwarte dingetjes in het zeepbakje zitten. Waar kwam dat nou vandaan? Ik haalde ‘m eruit en rook een vage schimmellucht. Toen pakte ik een zaklamp, en scheen in de ruimte waar het zeepbakje hoort te zitten. Tot mijn schrik zag ik daar flink wat zwarte schimmel zitten, en nog wat geelgroene uitlopers ook.
‘Kijk nou eens!’ riep ik naar Gerard. Die keek verbaasd. Zou dat de reden zijn van de vreemde lucht? Zoveel was het toch niet? Ik maakte er een paar foto’s van, met het idee die op te sturen naar de winkel. ’s Nachts kon ik er niet goed van slapen, maar op een gegeven moment hakte ik de knoop door. Ik zou de winkel de volgende dag bellen om de wasmachine te ruilen. We zaten tenslotte nog binnen de garantietermijn van 30 dagen.

Zo gezegd, zo gedaan. Ik moest twintig minuten aan de lijn hangen voor ik een medewerkster te pakken kreeg, maar goed. Ze luisterde naar mijn klacht en vroeg wat ik nu wilde. Nou, dat leek mij eenvoudig; een goed werkende en schone wasmachine natuurlijk! Daar kon zij in meegaan en alweer was het snel geregeld. De schimmelwasmachine zou opgehaald worden en wij kregen een andere. En ja hoor, nog geen vierentwintig uur later stonden ze al op de stoep. Twee andere mannen, die benieuwd waren waarom we voor een refurbished kozen. We legden het uit, maar gaven aan dat dit geen succes was geweest. Ze leefden met ons mee. ‘ Als deze nou ook niet werkt, zou u ook een ‘tweede-kans wasmachine kunnen nemen mevrouw’, zei eentje van de twee. ‘Tweede kans? Dit is toch al de tweede kans. Als deze het ook niet goed doet, wil ik gewoon een nieuwe!’ zei ik.

Maar goed. Onze nieuwste refurbished wasmachine is mooier dan de vorige, en de schimmellucht is geheel verdwenen! De was ruikt ook een stuk frisser, heerlijk hoor. Het enige wat je nu ruikt is rubber. Laten we hopen dat dat de nieuwigheid is van een pas vervangen onderdeel…

Moela… er is geen betere!

Leeftijdsgenoten van mij weten vast wel waar deze slogan vandaan komt. Ik wil geen reclame maken voor wasmachines, dus ik heb er maar een gekke naam aan gegeven. Ik zou ook <Puntje puntje laat je niet in de steek< boven deze blog kunnen zetten, een slogan uit dezelfde periode. Tegenwoordig hoor je niet veel reclame meer voor wasmachines. Iedereen is waarschijnlijk al voorzien.

In de loop van de jaren hebben we de nodige wasmachines versleten. Toen we net getrouwd waren hadden we er niet eens een. We woonden we in een flat met een gezamenlijke wasruimte. Best grappig, ging je met je mand vuile was naar beneden in de hoop dat één van de wasmachines leeg was. Net als op een camping. Toen we al een dochtertje hadden en ik in verwachting was van de tweede, verhuisden we naar een grotere flat (drie hoog zonder lift). Daar kwam al gauw een eigen wasmachine in te staan. Tweedehands en met een losse centrifuge die veel lawaai maakte, maar ik was er heel blij mee. De meisjes ook. De wasmachine stond in de keuken, en Irene en Hanna keken graag door het raampje naar de ronddraaiende was. Dat was leuk! Ze hadden nog de leeftijd van loopfietsjes, en reden vrolijk rondjes van de keuken naar de huiskamer, door de gang en dan weer naar de keuken.
Toen Johan geboren was en ik het met 3 kindjes best wel druk had, zette ik hem vaak met Maxi Cosi en al op de wasmachine. Dat had zo z’n voordelen: hij werd slaperig van alle geluiden van de was, ik hoefde niet te bukken om een speentje te geven of een speelgoedje, en zo werd hij niet omver gereden door zijn grotere zussen. Maar dat vertelde ik niet op het consultatiebureau, want die hadden het natuurlijk erg onverantwoord gevonden. Gelukkig is hij nooit van die wasmachine af gevallen!

Foto door cottonbro op Pexels.com

De wasmachine draaide heel wat keertjes in de week. Met kleine kinderen die katoenen luiers droegen en verder ook het nodige vies maakten, ging het hard. En er was alweer een baby op komst! Mijn schoonmoeder keek het hoofdschuddend aan; de flat werd te klein, de auto ook, en al die oude spullen van ons… dat kon toch nooit goed gaan?!
Toen we goed en wel verhuisd waren naar een huis met een tuintje, kochten m’n schoonouders een nieuwe wasmachine plus een droger voor ons. Heerlijk was dat en ook erg handig, zo’n droger! Alhoewel… al snel ging ik onze schone was toch buiten hangen. Waarom ook niet, we hadden toch een tuin? En boven op zolder droogde alles ook vrij snel. Een wasdroger slurpt energie, hadden wij inmiddels ontdekt. Een gezin met 4 kinderen heeft heel wat nodig, en veel geld hadden we niet. Besparen wat er te besparen viel dus.

We hebben jaren met die wasmachine gedaan, het was een goeie. De droger werd weinig gebruikt tot verdriet van m’n schoonmoeder, bleef het daardoor veel langer doen dan de wasmachine. Want na x jaar begaf de wasmachine het… De garantietermijn was al verstreken en na een paar reparaties gaven wij het op. Ik had zóveel was, ik moest de beste wasmachine hebben die we konden betalen, vond ik. Dus die kwam er, en ik was er heel blij mee! Hij was veel stiller dan de vorige en alles kwam er veel droger uit. Al kreeg ook deze kuren en moesten we er een reparateur bij halen. De goede man liep alles na, en viste uiteindelijk een paar haarspeldjes uit de afvoer… ‘Oh, die zijn van mijn dochters’, probeerde ik nog als excuus. Maar de reparateur zei streng: ‘Nee mevrouw, wij zijn de volwassenen, wij moeten alles checken voordat we het in de machine gooien!’ Ik zal zijn opmerking nooit vergeten.

Met uiteindelijk zes kinderen waste ik vaak meerdere keren per dag. Later werd dat gelukkig minder, al namen de studerenden nog lang hun wasjes mee naar mams. Geen probleem, met liefde liet ik alles weer schoon wassen door mijn apparaat.


Mijn vader heeft een wasmachine die het al 40 jaar doet, liefkozend het wasmeisje genoemd. Ongelofelijk, vroeger had je nog echt kwaliteit! Tegenwoordig is er geen wasmachine meer zo robuust, hoeveel geld je er ook voor neerlegt. Ook die goeie van ons ging gek doen. Hij begon te schudden en te dansen op de vloer. Al wassend verschoof ‘ie steeds meer van plek, en dingen die er los op stonden vielen er af. En al eerder rook de schone was niet meer zo fris. Soms zaten er vlekken op de kleren die er vóór de wasbeurt niet op hadden gezeten (een verschijnsel dat wasluis heet). Daar zijn heel wat leuke shirtjes door verpest. Ten slotte werd het centrifugeren steeds meer lawaaierig. Het was niet om aan te horen, het viel me nog mee dat de buren niet kwamen klagen! Het leek bijna of er een raket op steeg, en ik maakte me ongerust. Straks ploft dat hele ding nog eens uit elkaar! zei ik tegen Gerard.

Dit keer gaf hij me redelijk snel gelijk dat er een andere nodig was. We hebben gekozen voor een ‘Refurbished’. Ofwel niet zomaar een tweedehandsje, maar één die vakkundig gerepareerd is en voorlopig weer mee kan. Hoe lang precies, dat kunnen ze er niet bij zeggen. We nemen de gok. Meer kinderen gaan er toch niet komen, en het is goed voor het milieu om spullen te hergebruiken. Voor ons doen was het wonderlijk snel geregeld.

Eén ding viel een beetje tegen… ineens rook de hele douchecel naar schimmel. Maar wacht eens, er zat ook wel erg veel schimmel op het plafond! Dat zou toch niet door de nieuwe wasmachine gekomen zijn?

(Wordt vervolgd 🙂

Brugklasser anno 2021

Het leven van een brugklasser gaat niet over rozen… Dat van haar ouders ook niet, maar dat is weer een ander probleem.
De overgang van de vertrouwde basisschool naar een onbekende middelbare school is groot, hoe goed ze dat tegenwoordig ook op proberen te vangen met meedraaiochtenden, kijkmiddagen en kennismaking met de klas voor de zomervakantie. Allemaal goed bedacht en beter dan niks; toch moet een brugklasser zo ongeveer weer bij nul beginnen.

De eerste week hielden we onze adem in toen onze dochter voor het eerst wegfietste. Dikke tas achterop, losse haren en daar ging ze. Zou ze het wel redden? Weet ze de weg wel en komt ze in een leuke klas? Als ouder heb je er geen invloed meer op. Op de basisschool kon je tenminste nog zien hoe je kind naar binnen sjokte, of de fiets op slot stond en en of ze haar gymtas wel bij zich had. Nu moet je haar laten gaan. Er hangt een rooster in de kamer van haar lesuren, maar dat rooster is inmiddels allang achterhaald, schijnt het.
Die eerste week was ze best wel nerveus. Wat moet er allemaal in die tas? Hoe laat moest ze weg om op tijd te zijn? En – ook erg belangrijk – welke kleren trok ze aan zonder voor gek te lopen? Een heel gepuzzel op de vroege morgen. En dan ook nog een boterham wegwerken op een tijdstip waarop je normaal nog lekker in bed lag.

De tweede week stonden wij als ouders versteld hoe snel ze het nieuwe ritme oppakte. Nooit gedacht dat ze zó vroeg klaar kon zijn! Ze bleek zo ongeveer als eerste van de klas voor school te staan, op een klasgenoot na die met de bus ging. Heerlijk zeg, dat hadden we met de anderen weleens anders gehad!
Overigens waren er nog wel wat dingetjes. Ze at zelden haar brood op. Dat vergat ze of ze had er geen tijd voor. Hoe houdt ze dat nou de hele dag vol, vroegen we ons bezorgd af. Het antwoord kwam aan al snel: de automaat met snoep en lekkers was erg verleidelijk…véél lekkerder dan zo’n kleffe boterham met kaas toch?!
Een ander dingetje was de telefoon. Had ze die nu wel bij zich, of niet? Zo niet, waar zat ze dan toch zo lang na school? Stomme ouders ook, dat die zich dan ongerust gaan zitten maken…

De derde week. Het hele nieuwe onwennige was eraf, nu werden er langzaam wat eisen aan de brugklassers gesteld. Kom op tijd, neem de goede boeken mee, leer voor je eerste schriftelijke overhoring! Wij als ouders moesten op school komen voor een kennismakingsuurtje met de mentor. Ik kan me niet herinneren dat dat vroeger ook al was. In elk geval was het leuk. Leuk om ouders tegen te komen die je blijkt te kennen van heel andere dingen (zwemles, een cursus, voetbal). Leuk om die mentor te zien, wat een enthousiaste jonge vrouw! En zo toegankelijk ook voor ons, je mag haar bellen en appen als er ook maar iets speelt. ‘Vooral doen hoor!’ werd ons op het hart gedrukt. Vroeger haalden mijn ouders het niet in hun hoofd om een mentor lastig te vallen. Problemen loste je zelf wel op; alleen in het uiterste noodgeval werd er contact opgenomen met school!
Onze brugger had ons voorbereid dat die mentor vast wel zou ‘gaan zeiken’ over de laatkomers in haar klas. Inderdaad werd dat genoemd, met als opmerking: ‘Het zijn nog maar net brugklassers, dus als ze die gewoonte nú al hebben…?’ ‘Bijsturen dus, ouders’, was de boodschap. Voor ons een volkomen overbodige mededeling, maar voor anderen blijkbaar niet.

In de vierde week begon de vermoeidheid toe te slaan. Gaperig en wit zat ons kind aan het ontbijt, mopperend dat ik haar brood sneller moest smeren en waarom papa haar fiets nog niet buiten had gezet. Inmiddels een beetje gewend aan het schoolleven, maar toch nog niet helemaal. De school had bedacht dat ze naar huiswerkbegeleiding moest komen na afloop van de lessen. Onzin, tijdverspilling vond onze dochter. Toen bleek dat er toch echt van haar verwacht werd dat ze daar aanwezig zou zijn, was het huis even te klein. Wie verzon er nou zoiets belachelijks? Ze wilde niet meer als een kleuter behandeld worden, dat snapten wij toch zeker wel?! Alle frustratie en ergernissen kwamen eruit.
En zo waren er nog wel wat dingen. Die zware rugtas, het gepruts elke keer met de sluiting van haar rekje achterop de fiets, buiten gymen dus nog een extra tas, lesuren die uitvielen. Dat er echt een lerarentekort is in Nederland, komt nu heel dichtbij. Soms is er gewoon geen docent, en dan moeten ze naar een studielokaal. Niks buiten hangen of wat lekkers kopen in de plaatselijke snackbar, wat in mijn tijd vrij gewoon was. Dat voorrecht krijgen ze hier pas vanaf de derde klas.

Ik hoor niks over scheldpartijen als ‘brugsmurf!’, en: ‘Hé tas, waar ga je met die brugger naartoe?’ Onze kinderen zijn bereikbaarder dan ooit met hun mobieltjes. Tenzij ze die uitzetten of de Wifi-code niet weten. Onze dochter appt graag tussen de lessen door; van onze zoon hoor je niets. Er was maanden iets met zijn mobiel, waardoor hij er niet eens mee kon bellen. Waar heb je die telefoon dan eigenlijk voor?!

Als mijn moeder nog geleefd zou hebben, zou ze haar oren niet geloofd hebben. Ze was zelf juf op een basisschool, streng maar rechtvaardig en met de wil elk kind verder te helpen. Maar dan moest je wel opletten en vooral niet brutaal doen. Weet je wat onze dochter pas naar ons appte, tussen de lessen door?

‘Bejaarde appelflappen zijn jullie, allebei!’

Nou, daar konden we het dan weer mee doen. Een heel verhaal wat er speelde, maar dat gaat te ver om op in te gaan. Onze kinderen hebben ook recht op hun privacy, ook al hebben ze dan een moeder die graag schrijft.

Tijd voor een bak koffie met een flinke plak oudewijven koek!

Zwerfinator in opleiding

Weleens van de Zwerfinator gehoord? Ik niet, tot voor kort. Mijn geliefde, die veel meer op internet leest dan ik, natuurlijk wel.
De Zwerfinator alias Dirk Groot verzamelt al jaren troep van de straat, het zogenaamde zwerfafval. Dat ligt echt overal, als je er op gaat letten. Denk maar niet dat het in jouw buurt wel meevalt (dat dacht ik namelijk ook).
De Zwerfinator verzamelt het afval niet alleen, hij onderzoekt het ook. Zo begon hij in 2016 van elk gevonden stuk rommel een foto te maken en de locatie te noteren. Dat leverde heel veel informatie op. Hij ging ermee naar de overheid en naar mensen van de industrie. En met succes! Zo is de fabriek die Anta-Flu snoepjes produceerde, overgestapt op beter afbreekbare wikkels in plaats van plastic, en wordt er sinds kort statiegeld geheven op kleine plastic flesjes. Hij geeft ook lezingen en gastlessen op scholen.

Heel grappig om te lezen op zijn website vond ik trouwens de zin dat troep van je afgooien in wezen een natuurlijke reactie is! Maar met zulke hoeveelheden plastic werkt dat in onze samenleving natuurlijk niet. Een nadenkertje.

Ik vind het een vondst wat die man allemaal doet. Maar eigenlijk is het niet zo nieuw als het lijkt. Ik vind namelijk ook altijd al van alles, als kind al. Dat komt omdat ik vaak naar de grond keek. Vroeger vond ik heel vaak dubbeltjes en kwartjes, soms een gulden en heel soms een rijksdaalder. Die laatste waren er niet veel, dus je was echt gelukkig als je die op kon rapen! Nog zeldzamer was het als je briefgeld vond, een briefje van 10 bijvoorbeeld. Schatrijk voelde ik me toen ik die een keer vond! Als ik me heel goed herinner heeft mijn zus zelfs een keer een portemonnee gevonden met een paar honderd gulden er in! Die heeft ze netjes bij de politie gebracht (zo ging dat vroeger), en de rechtmatige eigenaar kwam hem ophalen. Mijn zus kreeg als dank 10 gulden en een bos bloemen. Aan privacy deed men toen nog niet, de politie gaf gewoon namen en adressen van de vinders door.

Ik heb later ook weleens portemonnees gevonden, maar nooit met zoveel geld erin… Gisteren zelfs nog eentje; die lag kletsnat onder een struik. Er zat helemaal niets in.
Vroeger vond ik ook geregeld sleutels. Fietssleutels of een bos huissleutels. Die bracht ik ook naar de politie. Verder verzamelde ik rommeltjes zoals mooie scherven, botjes, schelpen, de schedel van een konijn en knopen. Kon altijd handig zijn, dat laatste. Ik legde het mooi neer op mijn kamertje, netjes op de plank van een kast. Mijn eigen mini-museum! Behalve m’n ouders en vriendinnetjes waren er weinig belangstellenden, maar ik vond het prachtig.

Een sprong naar het heden. Ik kijk nog steeds veel naar de grond, en toen mijn man me vertelde dat er statiegeld zit op kleine flesjes, ging ik daar bewust naar zoeken. Ik vond er meteen een paar in de buurt. Maar dat niet alleen! Ook mondkapjes, lege drinkpakjes ijspapiertjes en kapotte fietsonderdelen. Ik gooide de hele zak leeg in onze tuin en liet het aan Gerard zien. ‘Je lijkt de Zwerfinator wel’, zei hij. ‘Nu nog noteren waar je het gevonden hebt, en wat de datum van het product is. Dan kun je concluderen hoe lang het er al ligt.’
‘Ja zeg, ik ga geen hele administratie bijhouden van die rotzooi!’ zei ik. Typisch weer een idee van Gerard. Maar het zoeken naar dingetjes tijdens een wandeling, dat ligt me wel. En ik werd enthousiaster naarmate het aantal statiegeldflesjes toe nam in mijn verzameling. Je wordt er niet rijk van, maar toch leuk om geld van de straat op te rapen! Bovendien ben ik dan nuttig bezig, doe ik ook wat voor een schoner milieu.

Inmiddels ben ik verschillende keren op jacht geweest. En vuil dat het was… ‘Gatverdamme, wat stinkt het hier!’ riepen m’n kinderen toen ik weer met een zak afval door het huis liep. Ik had ook wel iets geroken, maar buiten viel dat nog niet zo op. Vermoedelijk had iemand in zijn blikje gepist, en het vervolgens in de struiken gezet. Jakkes jakkes jakkes!!! Ik heb mijn handen wel tien keer gewassen en nu zoek ik niet meer zonder handschoenen aan. Maar ja, een Zwerfinator in opleiding kan ook nog niet alles weten…

Dit weekend is het World Cleaning Day. Overal ter wereld zijn er acties om samen met anderen je buurt op te schonen. Hier in Wageningen zijn zulke Opschoondagen een aantal keer per jaar. Misschien ga ik mee doen. Maar nog beter, misschien ga ik elke dag wel even opschonen! Doe jij mee? Je zult versteld staan hoeveel blikjes je tegenkomt. Wie weet vind je ook wel een lege portemonnee, of een oud nummerbord. Mocht je die toevallig kwijt zijn, ik heb er eentje gevonden!