Zomerblues

’t Is weer voorbij die mooie zomer…’

Dit weemoedig klinkende liedje van Gerard Cox uit 1973 zeurt de hele dag al in m’n hoofd. Belachelijk, de zomer is nog helemaal niet voorbij! Het is een beetje bewolkt, en het regent eindelijk weer eens. Toch voelt het voor mij vandaag wel zo. De zomervakantie is in elk geval bijna voorbij.

Gerard werkt allang weer, en ik heb mijn dagelijkse bezigheden en mantelzorg ook alweer opgepakt. Maar de kinderen hangen nog veel rond. Om de beurt hebben ze een week kamp achter de rug, allebei zijn ze dus een week het enige kind geweest thuis. Het was stil die weken. Janine mist Maarten toen hij op kamp was. ‘Nu kan ik jou niet irriteren’, schreef ze op een kaartje…was dat nou even jammer! Maar was sicht liebt, das neckt sich, leerde ik vroeger van mijn lerares Duits. Ze was zelf ook Duits en ik vond haar erg aardig, maar dat terzijde.

De eerste schooldag hebben ze alletwee vrij, dus dat begint al relaxed. De dag erna gaan ze kennis maken met de mentor en de klas, en woensdag begint het volgens mij dan echt. De één gaat naar de tweede, en de ander naar de vierde. Zo nieuw en spannend zou het niet moeten zijn, maar ze hikken er toch tegenaan. Zeven weken vakantie is een hele tijd, best lastig om dan weer in het gareel te komen. Ineens moeten ze deze week op tijd opstaan, brood smeren, naar school, huiswerk maken, naar voetbaltraining (Maarten dan) en natuurlijk een beetje chillen. Maarten gaat naar Mavo 4, dus die moet examen doen dit jaar. De klassen zijn door elkaar gemixt, daar is hij niet blij mee want nu zit hij niet eens bij zijn vrienden. Saai, zuchtte hij. Wie weet zitten er toch een paar leuke mensen in je klas, opperde ik. Daar had hij weinig vertrouwen in. Gelukkig ziet hij zijn vrienden nog wel in de pauze. Verder begint hij aan een baantje bij de supermarkt, ook al nieuw en een beetje spannend.

Janine komt ook in een andere klas dan vorig jaar. De helft van de leerlingen kent ze al, de andere helft niet. ‘Oh nee, zitten díe weer bij mij in de klas!’ jammerde ze vorige week al dramatisch. Niet dat ze gepest wordt hoor, maar alles aan school is niet leuk. Veel te veel boeken, een stom rooster en nog stommere docenten. Ze is op en top puber ook al is ze nog geen 13, en dat laat ze merken ook. Ik probeer er doorheen te laveren, met wisselend succes. Meisjes in de puberteit gedragen zich anders dan jongens. Maar één ding is hetzelfde; dat afwisselend afstoten en aantrekken. Ik blijf me erover verbazen. Hetzelfde kind dat je bij de deur afsnauwt waarom je hem of haar NU weer stoort, geeft je even later een dikke knuffel, of kruipt ’s nachts stiekem bij je in je bed!

Toen onze kinderen klein waren, was ik dolblij als de zomervakantie voorbij was. Eindelijk weer school, eindelijk weer rust in huis! Sommige moeders zeiden zelfs dat hun vakantie dan pas begon. Zo heb ik dat niet ervaren, want met de school begonnen ook weer de clubjes, zwemlessen, korfbal en gym. Zolang ze te jong waren om daar zelf heen te fietsen, moesten we altijd brengen en halen. Ik heb toch wat afgefietst al die jaren!
Die tijd is inmiddels allang voorbij. Waarom dan toch die zomerblues, dat melancholische gevoel? Het wordt deze week nog een keer 30 graden, het kan niet op deze zomer. Maar toch…het is een onbestemd gevoel, de tijd door je vingers glipt. Ineens is het al donker om half 10, moeten de lichten aan. Er liggen eikels op de stoep, blaadjes van de bomen zijn verdroogd en vallen af. In de tuin hangen een paar grote spinnenwebben met dikke spinnen erin. Eerste voorboden van de naderende herfst, waar ik als september kind eigenlijk óók erg van houd.

Voor alles is er een tijd, eeuwen geleden al opgeschreven door Prediker. En zo is het. Er is een tijd van vakantie, en een tijd van aan de slag gaan. Laten we dat nu maar snel gaan doen!

Hoogteziekte

De eerste wandeling met z’n vieren was niet zo’n succes. Ik had de route die middag zelf al gelopen, het was niet heel moeilijk. Een stukje langs de doorgaande weg, een stuk langs slinger weggetjes die steil omhoog liepen, en een bankje tussendoor om uit te rusten. Dat moest lukken met onze beginnende wandelaars. We vertrokken vroeg in de avond toen de ergste warmte voorbij was. Stevige schoenen aan, flesjes water mee. Maarten en Janine liepen in lekker tempo voorop, en wij er achteraan.

Twintig minuten later hadden we al een leuk uitzichtpunt bereikt, maar de weg liep nog verder omhoog. Gerard en ik wilden graag nòg een stukje lopen, maar de kinderen hadden geen zin meer. We spraken af dat wij iets verder zouden gaan en dat zij op ons zouden wachten. Ze hadden hun mobieltjes bij zich, dus ze zouden zich wel even vermaken. Gerard en ik genoten van de vergezichten. Het was prachtig zo met dat avondlicht, en het was zo rustig! Er viel een heleboel te fotograferen. Jammer dat de kinderen het zo snel zat waren.

Niet veel later belde Janine ons op. ‘Komen jullie al, het duurt zo lang!’ ‘Nou, dat viel in mijn ogen best mee. Zij hadden mooi op adem kunnen komen in de tussentijd en wij niet. Maar goed, we zouden een andere keer wel verder lopen. Dus gingen we terug en begonnen samen de afdaling. En toen ineens werd Maarten niet goed. ‘Ik heb buikpijn’, klaagde hij. Dat gebeurt wel vaker maar deze keer ging het niet over. ‘Ik voel me niet lekker…’ steunde hij even later, en toen keken we pas goed. Wat zag hij er beroerd uit! Lijkwit alsof hij wagenziek was, hij kon amper nog op zijn benen staan. Wat had hij nou ineens?

Gerard is op zulke momenten altijd een rots in de branding. Hij zocht een rustig plekje in de berm, waar Maarten even kon liggen. Janine en ik liepen een klein eindje verder, om af te wachten. Ik was niet blij, zacht uitgedrukt. Mijn gedachten gingen alle kanten op. Moesten we de auto halen om Maarten naar ons huisje te brengen? Nee, dan zou hij nog misselijker worden met al die haarspeldbochten. Moesten we een dokter bellen? Nee, zo erg was het nou ook weer niet. Konden zijn niet zo sterke longen niet tegen de frisse berglucht? Ik zuchtte diep, hadden we daar dan 800 kilometer voor gereden? Of had hij spontaan last van hoogteziekte? Daar worden mensen ook ziek van, had ik weleens gehoord. Dat zou ook niet best zijn, wat kon je daaraan doen?

Net toen ik hopeloos door mijn eigen gepieker een schietgebedje begon, kwamen Gerard en Maarten eraan. Maarten hing half op Gerard, maar hij liep in elk geval weer. Hij zag nog steeds bleek, maar het ergste was kennelijk voorbij. We hebben met z’n vieren nog een poos op een bank gezeten, totdat Maarten weer in staat om rustig terug te lopen. Pfff… Eenmaal terug bij ons huisje had hij weer praatjes en de verdere avond was er niets meer aan de hand. Heel apart.

De volgende ochtend voelde hij zich nog steeds prima. Ik stelde de kinderen voor om naar het dorpje te lopen om boodschappen te halen. ‘Okay”, zeiden ze. Hoe ver het precies was, dat wist ik niet. Maar het leek me goed om hun benen te laten wennen aan de bergweggetjes. Gerard bleef thuis om even rust te hebben.

Na nog geen tien minuten begon Janine te klagen… ze had buikpijn en was een beetje misselijk…wat nu weer? Weer een gevalletje hoogteziekte??? Ik dacht na. Ze zag er niet heel ziek uit, en ik had geen zin om weer een half uur langs de kant van de weg te zitten. Dus toen zij vol bleef houden dat het echt niet ging, belde ik Gerard op. Als hij haar tegemoet liep vanuit het huisje, dan konden Maarten en ik weer verder. Janine knapte meteen op van het idee dat ze niet mee boodschappen hoefde te doen. Het dorpje bleek overigens helemaal niet ver weg te liggen, dus dat viel ook weer mee. De enige die niet zo blij was die morgen, was Gerard. Hij had nu maar amper tijd voor zichzelf gehad…

Pas op de vierde dag lukte het om echt een flink eind te wandelen met z’n vieren. Niemand had nog last van hoogteziekte. Wel van dorst en moeie voeten, maar dat is weer een ander verhaal.

Vakantieschaamte

We zijn alweer een week thuis. De dagen in Oostenrijk vlogen voorbij! Op zich is dat een goed teken, maar ik vond het jammer. Ik had het zo naar mijn zin daar, ik had er wel een maand willen blijven! Alleen het internet was er niet best. Het is bijna een wonder dat ik één blog heb kunnen publiceren, want dat was de enige middag dat de Wlan* het aankon.

Dan nog wat. Ik heb dan wel geen vliegschaamte, want wij vliegen bijna nooit, maar wel een beetje ‘Kijk ons eens leuk op vakantie zijn’- schaamte. Vroeger had ik dat niet. Wij gingen met ons gezin drie weken naar het buitenland, en dat vond ik heel normaal. Toen ik twee was, ging ik al naar een camping in Italië. Andere jaren kampeerden we in Oostenrijk, Zwitserland, de Ardèche (Zuid-Frankrijk) en zelfs een keer in Ierland. Ik dacht dat iedereen dat deed, behalve onze buren… Inmiddels ben ik wel wat wijzer en weet dat veel mensen niet op vakantie gaan. Of in elk geval niet zo lang. Mijn eigen Gerard ging vroeger een dagje naar de dierentuin of zo, of een weekje logeren bij familie in Friesland. Pas op zijn vijftiende gingen ze voor het eerst samen naar ‘het buitenland’!

Ook in 2022 is het niet voor iedereen vanzelfsprekend om op vakantie te gaan. Ik ken mensen voor wie reizen te duur is, of waar het niet gaat vanwege hun gezondheid. Om nog maar te zwijgen over al die vluchtelingen over de hele wereld… Eigenlijk hoor ik bij the lucky few met al die mooie vakanties vroeger! Mijn vakantieschaamte is iets van de laatste jaren. Ik wil er niet mee te koop lopen dat wij ver weg gaan, ook al zijn er mensen die nog veel verder weg op vakantie gaan. Ik wil ook geen mensen jaloers maken, ook al ben ik niet verantwoordelijk voor de gevoelens van een ander. Wat wil ik dan wel? Na de eerste blog, waar ik overigens leuke reacties op kreeg, wist ik er even geen raad mee.

Ik heb er een poosje over na lopen denken. Uiteindelijk kwam ik hier op uit. Dat ‘Kijk ons eens leuk op vakantie zijn!’, is iets heel anders dan genieten van het mooie wat je gegeven wordt. Ik kon genieten van de weidsheid van de bergen, maar ik kan ook genieten van ons eigen achtertuintje. Het is allebei goed. Er is niets mis mee om blij te worden van je vakantie, waar die ook is. En wie geen zin heeft in mijn vakantiefoto’s en verhalen, die hoeft ze niet te lezen. Klik gerust iets anders aan.

Ik eindig hier met een paar foto’s, volgende keer een verslag van één van de wandelingen met onze tieners. Of van een excursie naar een bergmeertje. Of van mijn ontmoetingen met Oostenrijkse winkelhouders die helemaal geen Oostenrijkers bleken te zijn….ach, ik zal wel zien. Wordt in elk geval vervolgd.

*Wlan is het duitse woord voor Wifi.

Op vakantie in de bergen

Voor het eerst sinds jaren huren wij een huisje voor de zomervakantie. Nou ja huisje, eigenlijk is het een etage met drie kamers bovenin een groot huis.  Dit huis staat niet zomaar ergens, maar hoog tegen de bergen in Oostenrijk! Het land waar ik als klein meisje al heen ging met mijn familie, en waar ik verliefd werd op de bergen. Het land van Heidi en de romantische  Sound of Music.

  Ik vond het huisje onlangs op internet; hoe verrassend. De huurprijs stond me wel aan, dus de gok gewaagd en het huisje geboekt.  ’s Nachts lag ik ervan wakker. Stel je voor dat het er heel druk was, vol met asociale gezinnen. Met schreeuwende kinderen die alle lekkere stoelen op het terras bezet hielden! Of stel dat het smoorheet was op die bovenste verdieping, en wij daar zaten te smelten als chocolade. Of stel dat…nou ja enzovoorts.

Een mens lijdt het meest door het kwaad dat hij vreest, maar dat niet op komt dagen. Aan die spreuk denk ik de hele week al vanaf dat we hier zitten.  Het is super rustig hier. De enige mensen met kinderen hier zijn wij zelf! De andere gasten hoor je soms praten, maar daar is alles mee gezegd. Ik heb al tig keer koffie zitten drinken in m’n eentje op het zonnige terras, hooguit samen met Gerard. Je ziet hier geen kip! Zelfs amper een koe, en dat op de Oostenrijkse Alpen. Het enige wat je hoort in de verte zijn grasmaaiers, de hele dag door. En de wind door de bomen. Eigenlijk fijn om in elk geval Iets te horen!

Ik haal mijn hart op met wandelen langs steile bergen. Weggetjes op, weggetjes af, genietend van de vergezichten die adembenemend zijn. Elk moment van de dag zijn de bergen weer anders. Het is een genot om naar te kijken. Gisteren viel ik bijna in slaap op de wei naast het huis, vol bloemetjes en rond fladderende vlinders. Zo rustig en relaxed. Het is bijna meditatief om voor je uit te staren in de verte, en ik sla de beelden zoveel mogelijk op in mijn hoofd (en op mijn mobiel).

De enige die het hier niet leuk vindt, is mijn jongste dochter. Ze wil naar huis. Ze is blij met het internet hier, kan ze in elk geval nog wat! Wandelen is niet haar ding. Shoppen wel, maar als je wil shoppen moet je eerst in die hete auto over enge weggetjes de berg af. Niks aan! De dichtsbijzijnde snackbar is ook ver te zoeken, en het is warm buiten. Wat haar betreft pakken we de koffers maar weer in…Haar broer vindt het ‘wel leuk’ hier. Maar erg fanatiek met wandelen is hij niet. Net als thuis hangt hij veel op hun kamer, en komt eruit als hij honger heeft…Gerard vindt het wel leuk hier, oa ook omdat er een tv is hier en hij nu tenminste de Tour de France kan kijken.

Maar ja, pubers! Hoe kunnen ze het hier nou niet mooi vinden?

Dan denk ik aan vroeger. Mijn ouders deden vroeger veel ‘tochtjes’ door de bergen, met de auto wel te verstaan. Hoog door de bergen, soms stopten we even op een parkeerplaats. ‘Kijk toch eens hoe prachtig!’ zeiden ze dan tegen ons. Mijn broers en zus zaten Suske’s en Wiske’s te lezen en keken even op. ‘Ja mooi’, zei mijn oudste broer uit beleefdheid. Mijn andere broer en ik werden vaak misselijk op de achterbank. Ik nam me zelfs heilig voor later nooit zulke uitstapjes te maken!!!

Nou, je ziet wat er van komt. Nu ben ik de genietende ouder met ongeïnteresseerde kinderen. Over 25 of 30 jaar is het misschien wel hetzelfde bij mijn pubers. Dus ik blijf lekker genieten tot de laatste dag!

Voor je kind doe je alles, toch?!

‘Nog een klein stukje… Nee, even wachten. Okay, even volhouden nu, nog een paar centimeter naar voren en dan duwen!!!’
Ik zweette me kapot en hield de trapleuning stevig vast. Hoe lang ging dit nog duren? ‘Ik hou het bijna niet meer vol, Gerard!’, klaagde ik. Het leek wel een bevalling!

Voor alle duidelijkheid, hier werd geen kind geboren. Gerard en ik waren bezig om de spullen van Willemijn te verhuizen en nu waren we bij het zwaarste stuk beland: de diepvries. De diepvries moest naar beneden door een smal trapgat en dat was ongelofelijk zwaar. Helemaal geen werk voor iemand met een niet al te stevig lijf zoals ik… vraag ook niet hoe we het voor elkaar hebben gekregen! Ik vertrouwde blindelings op de aanwijzingen van Gerard, anders had ik ‘m zeker uit m’n handen laten vallen of na de eerste mislukte poging al opgegeven. Wonder boven wonder kregen we hem heelhuids de trap af. Daarna moest ‘ie nog naar de boedelbak getild worden, maar dat was een stuk makkelijker.

‘Waar haal ik de energie toch vandaan?’, heb ik me herhaaldelijk afgevraagd. Het was zonnig en warm, binnenshuis 25 graden. We hadden koffie mee en water en heel veel broodjes. Maar het was zo warm, dat we alleen maar dorst hadden en ijsjes uit de diepvries aten. Dochterlief kon zelf niet bij de verhuizing helpen. Gelukkig had ze wel een briefje geschreven met duidelijke instructies. En – ook gelukkig – had ik al eerder die week geholpen met inpakken en haar nieuwe kamer gezien. Een tijdelijke kamer wel te verstaan, voor één of twee maanden. Maar in elk geval wist ik de weg van huis A (in L.) naar huis B (in O.) Dat was maar goed ook, want we reden er alsnog zo voorbij. En draaien en keren met een beladen boedelbak is ook een kunst.

We werkten als paarden met z’n tweeën. Na vier en een half uur sjouwen stond alles ingepakt. Nog weer drie uur later stond alles in haar nieuwe kamer. Pfffff! Ondertussen stroomden er appjes binnen van de jongste twee die thuis waren. De één ging zwemmen bij de Rijn, of dat goed was (‘Nou okay, maar alleen binnen de paaltjes). De ander was naar de stad gegaan en niet lekker geworden… Of we haar misschien op konden halen? Nou nee, we zaten 120 kilometer bij haar vandaan… Gelukkig is ook dat opgelost. Grote broer sprong bij – maar was nog onderweg – en onze buurman was bereid om haar op te halen met de fiets. Zij hielden een oogje in het zeil, wat voldoende geruststelling was voor Janine om weer op te knappen. Heerlijk om terug te kunnen vallen op goede buren en familie!

Toen ik die dag bezig was met sjouwen, kon ik nauwelijks geloven dat ik dit allemaal aankon. Ik had me toch maanden moe door de dagen gesleept vanwege corona?! Ik was me pas beter gaan voelen sinds ik bij een fysiotherapeut ging ‘revalideren’. Stap voor stap ging het vooruit, met de nodige terugvallen. Naar m’n lichaam luisteren was het allerbelangrijkste wat ik moest doen. En dat lichaam was ongelofelijk moe en had heel vaak spierpijn. Ik heb nog nooit zoveel geslapen als de laatste tijd. Maar het hielp.
Die les hoop ik nu mijn leven lang onder de knie te hebben (heb ik me weleens eerder voorgenomen…)

Wat me ook veel energie gaf, was voor WIE ik het deed. Voor mijn kind! En voor je kind doe je toch alles?! Je draagt haar negen maanden onder je hart, je zet haar op de wereld door een oerkracht die je niet achter jezelf gezocht had. Je geeft haar borstvoeding, papjes, fruit. Je doorstaat slapeloze nachten. Je zorgt voor haar en je koestert haar alsof je leven ervan af hangt. En op een dag is ze 24, moet ze alweer een studentenhuis uit (omdat ook deze verhuurder het gaat renoveren), is ze zelf zo druk en gestrest en kan er niemand anders helpen. Dat was precies wat ons kracht gaf om die verhuizing te doen.

De dagen erna was ik gesloopt… overal spierpijn en heel erg moe. Toch was ik voldaan over de klus die we toch maar even hadden geklaard. Gerard was ook moe, evengoed moest hij de dag daarna om vier over vijf z’n bed uit. En drie dagen later hadden we een jarige dochter ver weg én een jarige dochter in huis, volgende programmaonderdeel. Maar eind goed al goed; Willemijn zit er lekker bij in haar tijdelijke kamer en de verjaardagen zijn inmiddels weer achter de rug.
We hopen snel bericht te krijgen van een definitieve kamer voor Willemijn en dan gaan we gewoon weer verhuizen! Maar met een diepvries, stoelen en loodzware dozen sjouwen, dat doe ik niet meer, daar moet ze maar sterkere mensen voor regelen. Laat eventueel maar horen als je je aangesproken voelt 🙂

Duiven kuren

Vandaag heb ik geen grootse thema’s. Integendeel, je kunt deze blog in een paar minuten lezen. Misschien val je er wel bij in slaap! Mijn eigen man in elk geval wel, al ligt dat meer aan het feit dat hij om vijf uur op moest voor zijn werk.

Ik had vanmorgen weinig energie. Iedereen was de deur uit en ik kon doen en laten wat ik wilde. Toch wist ik niet waarmee ik moest beginnen. De afwasmachine leegruimen? Nee. Glas bij de glasbak brengen en dan meteen een lekker ommetje maken? Nee. De was aanzetten? Okay, dat kon ik nog wel opbrengen, maar daarna liep ik alweer gapend door het huis. Nou kom op, zei ik tegen mezelf, oud papier naar de bak bij de schuur brengen dan maar. Toen ik dat gedaan had, keek ik omhoog. De lucht was prachtig; heel blauw maar ook heel veel schapenwolkjes. Terwijl ik zo stond te kijken, keek een verdwaalde postduif mij nieuwsgierig aan. Het beestje zat op de rand van onze schuur. Hij of zij was afgelopen vrijdag zomaar aan komen vliegen, misschien wel door de hitte bevangen. Aangezien Gerard een stel duiven heeft, valt er op de schuur altijd wel wat voer te pikken. Er staat ook altijd een bakje water.

Normaal verzorgt Gerard de duiven, maar vanmorgen was hij te vroeg weg om dat te doen. Dus besloot ik het trapje uit de schuur te pakken en de hokjes te openen. De duiven gaan dan eerst lekker wat rondjes vliegen en daarna pas eten. Al ben ik geen fan van duiven, het was eigenlijk best een grappig klusje. Bij het eerste hok zat een witte duif met vooruitgestoken borst mij gebiedend aan te kijken, zo van: ‘Ik dacht dat ik er nooit uitgelaten werd vandaag!’ In het tweede hok zat een duivinnetje op haar nest, met de rug naar mij toe. Ze draaide haar kop even om en keek vervolgens snel weer de andere kant uit. Ze deed me denken aan mijn dochter… die kijkt ook altijd verstoord op als ik – zelfs na een paar keer netjes kloppen- in haar kamer kom… Het bijbehorende mannetje hipte onrustig heen en weer, niet wetend wat hij moest doen. ‘Ik doe jullie niks hoor!’ probeerde ik hen gerust te stellen, maar het leek weinig indruk te maken.

In het derde hokje zaten nog twee duiven. Een mooie lichtbruine die nog maar een paar maandjes oud was, en zijn witte moeder. De jonge duif zat ongeduldig te wachten, en vloog meteen weg zodra ik het hokje opende. De moeder keek mij argwanend aan, en verliet het hok pas toen ik uit beeld was.

Nadat ik het trapje in de schuur gezet had, keek ik nog eens omhoog. De vreemde postduif zat bescheiden tussen twee hokjes in. De dikke duif die me als eerste wat hooghartig aangekeken had, tripte heen en weer over de dakrand. Hij pronkte met z’n veren alsof er een heel publiek naar hem stond te kijken. Ineens stond ‘ie stil. Hij draaide wat met zijn achterkant… en liet poep vallen. Wat een onbeleefd beest, dacht ik, die heeft er letterlijk schijt aan ! De duif in kwestie wandelde weer even statig als daarvoor naar het drinkbakje toe. Maar niet om te drinken, nee hij sprong er middenin! Er moest gebadderd worden blijkbaar. Twee andere duiven keken van een afstandje toe. ‘Wanneer is die uitslover nou eens klaar?!’ koerde de ene duif. De postduif zweeg, allang blij dat hij water had gedronken voor die dikzak er in sprong.

En ik maar denken dat duiven zulke lieve beestjes waren! Eerlijk gezegd leken het net kleine kinderen of een stel volwassenen die elkaar de ruimte niet gunnen. Alhoewel kippen nog erger zijn. Kippen hebben letterlijk een pikorde; dat weet ik toevallig omdat we jaren kippen in de achtertuin hebben gehad. Eén kip was de baas, een aantal daaronder werd getolereerd, maar de kleinste of zwakste kip was altijd de pineut. Regelmatig schrokken we van gekrijs en gekakel, als die zwakste weer eens gepikt werd door ‘het baasje’. Soms tot bloedens toe, als wij er niet op tijd bij waren! Nee kippen zijn ook niet zo schattig, als ze geen donzige kuikentjes meer zijn.

Hoe dan ook, mijn taak bij de duiven zat erop. Ik had koffie verdiend, en ik voelde me alweer een stuk vrolijker. Om met een uitspraak van Gerard te eindigen: ‘Vraag niet hoe het kan, maar profiteer ervan!’

Zero Waste

Twee weken geleden liep ik mee met een ‘Zero Waste Tour’ door ons eigen stadje. Dit was geen protestwandeling tegen verspilling in het algemeen. Daar zou ik me niet voor opgegeven hebben trouwens, want wie trekt zich daar nou wat van aan? De meest vervuilende producenten in elk geval niet… Maar in het klein wil ik best leren hoe ik minder verspillend kan leven met ons gezin. Wij scheiden ons afval netjes en gooien zo min mogelijk eten weg. Maar het is ongelooflijk hoe snel die PMD-zak elke keer weer vol zit met plastic afval!

Gewapend met grote tassen en een stel plastic bakjes (werd aangeraden door de organisatie), meldde ik me die aan dag bij ‘de Tour’. Ik had veel opkomst verwacht, maar er zaten maar vijf mensen aan het tafeltje, waarvan twee van de organisatie. De tafel stond vol met herbruikbare dingen, zoals bamboe bekers, stoffen boterhamzakjes, menstruatiecups, boeken en folders. Eerlijk gezegd wist ik niet waar ik mee moest beginnen. Gelukkig dronken we eerst een kop thee. Na een kort rondje: ‘Wat doe jij al aan het verminderen van plastic afval?’ gingen we naar buiten. De gids, Marijke, zou ons meenemen langs marktkramen en winkels die ook meedoen aan Zero Waste. Ik was benieuwd!

Eerst gingen we naar de markt. Niet zo verrassend, volgens mij vindt elke groenteboer het prima als je je eigen tassen bij je hebt. Maar Marijke liet ons ook een brood-en banketkraam zien, waar je losse broodjes in je eigen een stoffen zak kon laten doen. ‘Deze kraam heeft daar helemaal geen moeite mee’, zei ze. Volgens mij hadden ze ook helemaal geen moeite met voorverpakte cake en koekjes! Het rook er zo heerlijk, dat ik er bijna wat van kocht. Maar ik hield me in.
De volgende stop was bij de biologische markt. Dat leek mij meer het echte werk. Bij één kraam stonden een heleboel streekproducten. Eigenlijk ook niet nieuw voor mij. We drinken al jaren melk van koeien uit de streek, kopen daar ook boter, kaas, aardappelen en zelfs appelsap van bomen uit de regio. Maar tussen het aanbod verse groenten zag ik ook een bak gemengde sla. ‘Gisteren vers geplukt van het land. Na een week bewaren in de koelkast nog steeds lekker!’ zei de verkoper. Dat leek me wel wat, want hoe vaak had ik al halve zakjes ijsbergsla weggegooid, omdat die na een paar dagen verrot waren?!

Foto door cottonbro op Pexels.com

We liepen verder naar een snoepwinkel. ‘Kijk, hier kun je niet alleen zelf snoep scheppen, maar het ook in je eigen zak doen.’ zei Marijke. Dat kun je op twee manieren uitleggen, peinsde ik. Maar ze bedoelde natuurlijk weer in zo’n stoffen zak. De dames aan de kassa keken een beetje vreemd naar het vale katoenen zakje, maar ze rekenden gewoon af. Ik kocht niets. Eigenlijk vind ik dat ik sowieso te veel drop eet. Laat ik het dus maar niet aantrekkelijker maken voor mezelf, met zo’n verantwoorde verpakking.
Marijke wees een kruidenwinkel aan, liep met ons een overvolle drogisterij binnen waar ze rechtstreeks naar het schap liep met flesjes tandpasta tabletjes. Ondertussen babbelde ze over hoe zij boodschappen deed. Kleren alleen tweedehands, brood van 4 euro alleen bij die en die winkel, op zaterdag voorraden groenten inslaan die ze dan later ging verwerken en invriezen (‘Moet je vooral heel vroeg gaan of woensdag tussen 9 en 10’). Enzovoorts.

Ik werd er een beetje moe van. Ik wilde best mijn steentje bijdragen aan het verminderen van de afvalberg, maar hoe dan? Ik zag mezelf al door de stad lopen met zo’n rieten mand als Roodkapje, op zoek naar dat ene stevige brood, potjes kruiden, dure biologische groenten in plaats van goedkope aanbiedingen uit de supermarkt… niet dus.
Ik zei heel eerlijk dat ik hoofdpijn begon te krijgen van alle informatie. Dat hielp. ‘Nog één winkel, die is zo leuk! Als je daar eenmaal geweest bent, dan ben je verkocht!’ zei onze gids vrolijk. Ik had geen idee wat er zo geweldig aan die winkel kon zijn, maar vooruit.

Foto door Polina Tankilevitch op Pexels.com

Zal ik de afloop maar vast verklappen? Ze kreeg gelijk! Ik keek m’n ogen uit. Zo groot was het winkeltje niet en aan de buitenkant zou je er zo langs lopen. Maar elk schap was het bekijken waard. Hier kon je olie tappen uit grote flessen, hier stonden tankjes waspoeder en schoonmaakmiddelen die je kon vullen in je eigen flessen. Ze hadden tig losse theesoorten, koffie die je kon malen en in eigen zakjes kon doen, zelfgegoten kaarsen, thee-eieren in soorten en maten. Het mooiste vond ik echter een stoffen koffiefilterzakje. Of nee, het ecologische schuursponsje! Wat een vondst! Gemaakt van gedroogd gras uit het Middellandse Zeegebied en 100 % composteerbaar. De anderen van m’n groepje stonden inmiddels al lang buiten, terwijl ik nog liep te snuffelen naar andere leuke koopjes.

Eenmaal thuis ben ik gauw mijn kastjes gaan inspecteren. Tot mijn schande vond ik zes zakjes losse thee, ver weggestopt achter de vele kant- en klaar doosjes die ik altijd koop. Ik ben ze gauw weer gaan gebruiken, alhoewel ik de kant -en klare thee ook nog opmaak natuurlijk. En wat hadden we toch een voorraad schoonmaakmiddelen!

Mijn conclusie na de Zero Waste Tour, hoe ik minder afval kan achterlaten? Door daar dingen te kopen waar ik er plezier in heb! En ook door dingen te gebruiken die ik al in huis heb. Niet precies nadoen wat anderen doen, maar zelf kleine stapjes zetten. Met een pluim naar de organisatie van de Zero Waste Tour! En nu maar volhouden met mijn losse thee, katoenen koffiefilters en ecologische schuursponsje.

Een spagaat heeft ook z’n voordelen

Hoogste tijd voor een nieuwe blog. Ik ben tot een verrassende conclusie gekomen, namelijk dat leven in een spagaat helemaal niet erg is. Sterker nog, het levert wat op!
In mijn vorige blog kon je lezen hoe druk ik het had met al die zorgtaken (zie https://Hollenofstilstaan.blog/spagaat ). Een hoogbejaarde vader, twee pubers, een echtgenoot met onregelmatige werktijden etc. Het is nog steeds druk en ik schat in dat daar voorlopig weinig aan zal veranderen. Maar mijn leven is echt niet alleen kommer en kwel. Er gaat een heleboel goed en ik leer weer nieuwe dingen!

Eén ontdekking is dat een beetje afwisseling eigenlijk best wel leuk is. Ik reis meer dan ik jaren gedaan heb, zie dus meer van Nederland en ontmoet ook weer nieuwe mensen. Ik bouw zo’n beetje een nieuw netwerk op in Sassenheim. Vroeger vond ik het maar een duf dorp, tegenwoordig geniet ik ervan. Ik zocht pas een bepaalde bloemist waar ik vroeger al bloemen kocht. Had ik die eindelijk gevonden, waren ze gesloten. Maar de eigenaresse zag me lopen en deed gewoon de deur open. Ik mocht kopen wat ik wilde en zelfs het geld later overmaken, omdat er iets met het pinapparaatje was! Waar maak je dat nog mee?
Verder heb ik meer buren van mijn vader leren kennen dan jaren het geval was. En ontdekt dat ze allemaal op hun manier een oogje houden op mijn vader. Dat is een geruststellend idee. Hij heeft dan wel een alarmhorloge om, maar volgens mij is hij allang vergeten hoe die werkt. Dan heb je toch meer aan een buurman en buurvrouw, die opletten of de gordijnen wel open zijn.

Ik prijs mezelf ook gelukkig dat ik geen drukke baan heb, waarbij ik elke dag met de auto de weg op zou moeten. Autorijden is leuk hoor, maar wat een gestress op de snelweg! Okay, als ik in m’n eentje ben, kan ik mijn lievelingscd’s luisteren, zonder geklaag over mijn smaak. Geen commentaar van Gerard over mijn manier van rijden of waarom ik mijn zonnebril nou weer kwijt ben. Maar intussen kan ik die A12, A2, A9, A4 en A44 wel dromen; het wordt bijna saai. En wat een idioten heb je toch op de weg! Met een rotvaart halen ze je in en dan nemen ze vlak voor je neus toch nog de afslag naar rechts. Of ze blijven stug 110 rijden op een stuk waar je geacht wordt 90 of 70 te rijden. Ontzettend irritant.

Nou en dan kom je thuis, en dan zijn ze daar blij om je weer te zien. Dat is ook mooi meegenomen. Weer eens wat anders dan ‘Nee!!!’ te horen krijgen, als ik op de deur van de kinderen klop. Ze stellen zelfs andere vragen dan die van het soort: ‘Waar zijn mijn sportschoenen?’ of ‘Mam, kun je even drinken inschenken?’ Maarten informeert uit zichzelf hoe het met opa was. En Janine is altijd erg blij als ik haar nog even in bed kom stoppen. Zo groot als ze is, ze slaapt beter met mij in de buurt. En dat snap ik wel, ik slaap ook liever in mijn bed hier bij Gerard dan alleen in mijn oude slaapkamertje, in mijn ouderlijk huis.

Gerard is ook goed bezig. Hij hangt tegenwoordig de was netjes op als ik weg ben, zonder dat ik daar een briefje voor klaar moet leggen. Hij zorgt voor het eten met de kinderen (ze lusten tosti’s) en kijkt samen met hen leuke muziekprogramma’s op tv. Hij pakt klusjes op waar ik niet eens aan toe kom.
Afgelopen week had hij helemaal iets geweldigs gedaan. Iets wat hij voor zover ik me kan herinneren, nooit eerder heeft gedaan. Hij heeft spontaan het raam bij de keuken gezeemd! Ik wist niet wat me overkwam. Ik wist sowieso al niet wat me overkwam, want je kon er weer door naar buiten kijken. Het raam was zo vies dat zelfs hij zich eraan ergerde… En zo kan ik wel even doorgaan. Het is gewoon een win-win situatie. De kinderen kunnen zelf brood smeren als ik weg ben. Gerard heeft mij niet nodig om te weten hoe laat de kinderen thuis komen, want dat ziet hij vanzelf wel. En de katten lopen niet de halve dag om mijn benen heen te draaien in de keuken. Als ik bij mijn vader in de keuken sta, lijkt het soms of daar een poes van ons rondloopt, maar dat is pure zinsbegoocheling.

In een goede blog moet je cliché’s vermijden, leerde ik pas bij een cursus Blogs schrijven. Dat is nou jammer, anders zou ik daarmee eindigen. ‘Elk nadeel heb zijn voordeel’, bijvoorbeeld. Of met deze: ‘Het is in het leven zo gelegen, de één die komt de ander tegen’. Nou ja, wordt vervolgd zullen we dan maar zeggen. En een mooi, inspirerend Pinksterweekend gewenst!

Spagaat

De eerste stofwolken van de klap ‘onze pap heeft dementie’ zijn opgetrokken. Het is inmiddels zes weken geleden dat de diagnose werd gesteld. Dat lijkt niet veel, maar er is al aardig wat in gang gezet. Hij wordt nu geholpen met badderen en schone kleren uitzoeken, met boodschappen doen en met het huishouden. Verschillende buren houden een oogje in het zeil. Wat we nog niet hebben, is een casemanager. Ik heb al een paar keer tegen de Thuiszorg gezegd dat we graag kennis met haar maken, maar dat is nog niet gelukt. ‘Ze is heel druk,’ zei de telefoniste. Dat geloof ik! Maar ik heb het ook druk, en sommige dingen lopen nog niet helemaal.

Eigenlijk zit ik in een soort spagaat, alsof er aan alle kanten aan me getrokken wordt. Ik heb namelijk nog meer te doen dan mantelzorgen. Thuis lopen er een paar pubers rond die ook graag aandacht willen. ‘Ga je nou alweer naar opa?’ vraagt Janine. Het is al de vierde keer in korte tijd. ‘Opa heeft nu hulp nodig’, leg ik uit, er is veel te doen. Maar eigenlijk is er thuis ook veel te doen. De was, de boodschappen, de administratie… het meeste blijft liggen als ik er niet ben.

Gerard heeft een drukke baan met onregelmatige diensten, dus begrijpelijk dat hij niet aan klussen toe komt. Opruimen is niet zijn sterkste kant en onze pubers kunnen het ook niet (sorry jongens). Dus mopper ik vaak als ik weer thuis ben: ‘Wat een zooitje hier, het huis van mijn vader is een stuk opgeruimder dan het onze!’ Hij mag dan veel vergeten, maar de afwas wordt altijd direct na het eten gedaan. Altijd een leeg blinkend aanrecht daar. Verder raapt m’n pa elk pluisje of blaadje dat toevallig naar binnen is gewaaid, meteen op. Daar kunnen we hier nog wat van leren!

Aan de andere kant is het bij hem ook niet perfect. Als ik de was op wil hangen, valt zijn wasrek van ellende bijna uit elkaar. Verder kan ik nergens knijpers vinden. Mijn vader rommelt wat in de garage en komt met een stokoud huishoudschort terug. Volgens mij is dat nog van mijn moeder geweest! (zij is overleden in 1988)
In het muf ruikende schort vind ik een stel schimmelige knijpers. Daar kan ik de schone was toch niet aan hangen… Ik borstel ze eerst maar eens flink af onder stromend water, en leg ze de hele dag in de zon te drogen. Dit tot verbazing van mijn vader; wassen is duidelijk niet zijn hobby. De wasmachine lekt trouwens, constateer ik. Er is nog een andere kraan die lekt en wat ligt er een stapel oud papier in de garage!

Als ik niet oppas, ben ik de hele tijd aan het rennen bij mijn vader, terwijl ik me ondertussen bezorgd maak of mijn pubers thuis nog ìets aan hun huiswerk doen. Wacht eens, ik moest rustig aan doen van mijn fysiotherapeut. Ik heb nog steeds een restje corona in mijn lijf; ben nog steeds sneller moe dan normaal.

Dan zijn daar nog onze volwassen kinderen, die ook zo hun eigen problemen hebben. Bij de één is de wasmachine kapot, dus de was komt tijdelijk weer bij mams. De ander zoekt een betere baan, de derde moet andere woonruimte hebben eind juni. Bovendien moet ze nog een stageplaats vinden, en dat blijkt moeilijker dan gedacht.

Maar wacht even, ik kan meer dan zorgen of me zorgen maken! Over een maand is het feest bij onze oudste dochter en haar vriend. Zij worden allebei dertig, een prachtige leeftijd. Daarbij kunnen ze nu eindelijk een house warming party geven, dat was door corona steeds uitgesteld. Last but not least is er bij hen een kleintje op komst 🙂 🙂 🙂 Wij worden dus opa en oma, wat een super nieuws! Of dat nog meer spagaat wordt of niet, ik wacht het rustig af. Op naar een nieuwe fase.

Thuiszorg

‘Dit is helemaal geen goed nieuws!’. Mijn vader leest de brief die de dokter uit het ziekenhuis hem mee heeft gegeven nog eens door. Zo gaat dat tegenwoordig; geen onleesbaar krabbeltje voor de huisarts, maar zwart op wit een samenvatting van wat je mankeert en wat de adviezen zijn. Best duidelijk allemaal, maar ook confronterend. Zeker voor een oude man die steeds goed door de APK van bejaarden heen kwam, zoals hij dat zelf altijd noemde.
Het advies om geen auto meer te rijden, slaat in als een bom. ‘Wie heeft dit onderzoek eigenlijk aangevraagd?’ vraagt mijn vader achterdochtig. Ik blij dat we de huisarts de schuld kunnen geven, die heeft hem tenslotte doorgestuurd naar het ziekenhuis. En al ben ik het eens met het advies, het is zielig om m’n vader zo te zien tobben. Het is ineens gedaan met al zijn zelfstandigheid.

Als het vuil is, pak ik zelf de stofzuiger wel!

Een week later zit ik weer bij m’n vader. Dit keer voor een intake met de thuiszorg. Vroeger dan afgesproken wordt er aangebeld, en staan er twee dames op de stoep. ‘Wie zijn dat?’ vraagt mijn vader. Maar de dames introduceren zichzelf al en komen binnen. De oudste neemt het voortouw en stelt een heleboel vragen. Ze praat met een volume alsof mijn vader stokdoof is, wat hij helemaal niet is. ‘Heeft u maar 2 uur huishoudelijk hulp? Dat is niet veel!’ roept ze door de kamer. Mijn vader verdedigend: ‘Nou, ik vind het genoeg hoor. En als het vuil is, pak ik zelf de stofzuiger wel!’ Op de vraag hoe het met wassen en aankleden gaat, is het antwoord: ‘Prima’. Maar dan kom ik tussenbeide, want zo prima gaat het niet. Hij loopt wel heel vaak met dezelfde kleren rond en douchen is er al tijden niet meer bij. ‘Maar ik vervuil heus niet hoor!’ zei m’n vader pas nog. De thuiszorg weet dat al, maar ze doen alsof ze het voor het eerst horen. ‘Lijkt het u niet lekker om wekelijks te douchen? Dan komen wij daarbij helpen!’ Hulpzoekend kijkt m’n vader mij aan, wat moet hij daar nou op antwoorden?
‘Nou eh, als dat nodig is, dan moet het maar’, geeft hij aarzelend toe.
Als ze weg zijn, raakt hij er niet over uitgepraat. ‘Wie waren dat nou?’ Dat waren mensen van de thuiszorg pap, die komen je voortaan helpen douchen. ‘Oh. Dat is raar, dat mensen me gaan helpen douchen! Ik ben toch niet ziek? Nou ja, het zal de leeftijd wel zijn. Vort maar’. Hij praat meer tegen zichzelf dan tegen mij.

Geen shampoo

De week daarna komen ze al voor het eerst. Ik ben benieuwd. Ik hoorde van een vriendin dat haar moeder beslist niet gedouchd wilde worden, en heel kwaad werd als de thuiszorg kwam. Stel je voor dat mijn vader ook boos wordt, wat moeten we daar dan op verzinnen? Zodoende zette ik me schrap toen er een telefoontje kwam van de thuiszorg, op de ochtend dat ze geweest waren.
‘Het is gelukt hoor!’ zegt een jonge stem. Iedereen lijkt wel jong tegenwoordig, maar dat terzijde. ‘Uw vader had alleen geen shampoo’. Oeps, daar had ik helemaal niet aan gedacht om naar te kijken. Waar wast hij zijn haar dan eigenlijk mee de laatst tijd?
Maar er is meer. ‘En dan nog wat, ik heb uw vader gewogen en hij weegt nu maar…kilo.’ Ze noemt een getal.
Daar schrik ik echt van! Het leek me pas al niet zoveel in het ziekenhuis, en nu weer een paar kilo eraf? ‘Misschien moeten we de huisarts maar bellen’, stelt ze voor. Dat lijkt me een goed plan, huisartsen weten meestal wel raad. Nu maar hopen dat die snel wat regelt.

Diëtiste

Een paar dagen later heb ik nog niets gehoord, en mijn broer ook niet. Ik zoek het verslag van de thuiszorg erbij. Daar lees ik tot mijn verbazing: ‘Dochter gaat contact opnemen met de huisarts’. Oh, ik dacht dat zij dat gingen doen? Gauw bellen dan maar naar die huisarts! Die is er niet, maar zijn assistente wel. Zij doet niet moeilijk en schrijft een verwijzing voor een diëtiste. Daar moet ik contact mee opnemen om de kennismaking in gang te zetten. Wéér iets erbij! Het houdt voorlopig niet op met zorgen en regelen…Gelukkig hoef ik het niet alleen te doen. Met twee broers en een zus, en buren die een handje meehelpen, komen we voorlopig nog een heel eind.