Dinsdag doe-dag

‘Hebben jullie ook zo lekker geslapen?’ vraag ik de kinderen aan het ontbijt.
‘Mmm’, mompelen ze instemmend.
Het is dinsdag, de zon straalt en het belooft een prima dag te worden. Zo moe en mat als ik gisteren was, zo energiek voel ik me vandaag. Dat komt goed uit, want ik wil heel veel doen. Ik kan niet eens blijven zitten onder het eten, de was van gisteren moet NU van het wasrek! Dan die boterham al doende maar naar binnen proppen.

De kinderen moeten allebei thuis werken voor school. De één begint al zuchtend achter de laptop, de ander trekt zich tactisch terug op haar slaapkamer. Met een mobieltje wel te verstaan, niet met schoolwerk.
Ondertussen maak ik plannen voor wat ik ga doen. De diepvries ontdooien, de afwasmachine leeghalen, de was, misschien de wc’s nog even een beurtje geven…
Laat ik beginnen met de diepvries, besluit ik. Ik haal de stekker uit het stopcontact en trek de onderst la eruit. Oh wacht, de koelbox staat nog op zolder. Gauw naar boven om die te halen. Daar kan mooi een hoop bevroren spul in. De koelbox is nieuw, de vorige begaf het afgelopen zomervakantie. Waar zit het snoer toch van dit geval?
Na even zoeken vind ik ‘m onder een rond dekseltje. Mooi zo. Snel steek ik de stekker in het stopcontact. Hij ruikt anders dan de oude, valt me al gauw op.
Ik haal de andere lades leeg en zet de deur van de diepvries wijd open. Intussen kook ik water, verdeel dat over 2 pannen en zet die in de diepvries. Zo wordt ontdooien een koud kunstje.
Het werd ook weleens tijd zeg, gezien de dikke lagen ijs. De vorige keer dat ‘ie ontdooid werd, was in de zomer van 2019 tijdens een hittegolf. 38 graden werd het hier toen maar liefst! Prima temperatuur om de diepvries te ontdooien.


Ondertussen zet ik koffie, schenk limonade in voor de kinderen, doe een kwartier mee met het tv-programma Gelderland in Beweging, en hou mijn appjes bij.
Koffietijd. Niet langer dan 10 minuten zitten, want de diepvries wacht. Dikke brokken ijs vallen naar beneden en er ligt al een plas dooiwater op de vloer. Oei, gauw opdweilen.
In de tussentijd zet ik mijn dochter aan haar huiswerk. Ze heeft er geen zin in vandaag, dat is duidelijk. Er wordt meer getekend dan gerekend. Zal ik er een half uurtje naast gaan zitten, om haar op gang te houden? Maar daar heb ik toch helemaal geen tijd voor!

Een poosje later komt Gerard naar beneden. Hij heeft nachtdienst gehad en daarna zo’n vier-en-een half uur geslapen. Toch ziet hij er behoorlijk fris en monter uit. Ongelooflijk, mij zou je bij elkaar kunnen vegen na zo’n actie! Waar haalt hij de energie vandaan, denk ik jaloers.
Ik zorg voor nog een rondje koffie, koek en limonade, en ga verder in de keuken. Het is veel werk, het valt me tegen.
Na een kwartier komt Gerard weer binnen. ‘Gezellig koffie drinken was dat met jou,’ zegt hij een beetje sarcastisch. Ik sta net te bedenken of ik een bevroren kerstbrood nou wel of niet weer in zal vriezen. ‘Ja hè’, antwoord ik vaag. Ik voel me een beetje moe en het tempo zakt af. Als ik voor de vierde keer iets op de grond laat vallen, zucht ik diep.
‘Sjonge, wat doe je toch allemaal?,’ merkt Gerard op. ‘Zou je niet eens even stoppen?’
‘Bijna, ik ben zo klaar,’ roep ik terug. Ik wil de keukenvloer nog even dweilen, maar vóór ik dat gedaan heb, moet ik wel eerst de tafel dekken. Anders lopen de kinderen meteen weer over mijn schone vloer, en dat is zonde van de moeite. Dus boen ik door, totdat ik alweer iets laat omvallen…
‘Kap nou eens!’ roept Gerard ongeduldig vanaf de bank.
Ik voel me betrapt… Eén van mijn therapeuten had hem een jaar geleden al opdracht gegeven om me af te remmen, als ik grenzeloos doorga. Kan ik nou nóg niet zelf voelen wanneer het genoeg is?

Uiteindelijk is de diepvries schoon, de koelbox weer op zolder en de tafel gedekt. En ik weet waar die rare lucht vandaan komt, die we de hele tijd roken. Tegelijk met de koelbox had ik het tosti ijzer aan gezet, en daar zaten nog 2 broodjes in… Die zijn nu helemaal zwart dus, dom dom dom!
Gelukkig verzint Gerard er nog een bestemming voor in de tuin. Mijn man is echt waanzinnig inventief. Hij heeft zoveel oog voor detail, bijna alles wat een ander weg zou gooien, is voor hem nog bruikbaar. Theezakjes, koffieprut, eierdozen, pallets… Zelfs brandnetels mogen van hem in ons tuintje blijven staan om de biodiversiteit te vergroten.

Maar goed, voor mij is het tijd voor pauze en lunch. Al kauwend denk ik aan wat ik die middag zal doen. Waar heb ik zin in? De was strijken, een eindje wandelen, een kast op zolder opruimen?
Wat ben ik toch onrustig vandaag, peins ik. Ik kan bijna niet stoppen; wat is er toch?
Ik weet het antwoord best. Nee, ik heb geen ADHD, ook al lijkt het er soms op. Ik ben aan het herstellen van een eetstoornis, en morgen moet ik weer naar therapie. Bovendien moet ik daar op de weegschaal, daar zie ik nu al tegenop! Want misschien ben ik wel aangekomen… en dat is eng. Al is dat in mijn geval ook juist de bedoeling, mijn hoofd sputtert nog tegen.

Die middag doe ik niet zo veel. Ja, wat schrijven, thee drinken en vervolgens in slaap vallen. Blijkbaar is dat wat ik nodig had. Ben ik toch nog goed bezig op deze dinsdag doe toch eens even niet zo druk-dag!

Maandag mopperdag

Ik ben geen fan van maandagen. Vroeger niet en nu niet. Keer op keer heb ik moeite om de dag door te komen. Hoe komt dat toch?

Even terzijde: als je op dit moment serieuze problemen hebt, kun je deze blog beter snel wegklikken. Maar als je het het herkent, of misschien een persoon in de omgeving hebt die altijd moeilijk doet op maandag, blijf dan even lezen.

Allereerst ben ik een gezonde vrouw, heb mensen om me heen die van me houden en we lijden geen gebrek. Ik hoef niet naar een baas die me opjut, en ik heb een dak boven m’n hoofd. Niets te klagen dus. Ik snap zelf ook niet waarom ik vaak zo somber ben op maandag! Ik sta gewoon op, ontbijt met de kinderen, kies een nuttige activiteit. Niets bijzonders. En toch twijfel ik tegen tien uur al aan de zin van het leven. En als ik niet snel mijn eerste bakje koffie krijg, stort ik in…

Daarna lijkt het meestal iets beter te gaan. Totdat de cafeïne uitgewerkt is en ik opnieuw droevig word… In mijn hoofd ga ik wat mogelijkheden af, om van die sombere stemming af te komen: nog meer koffie, of een stuk chocola? Een flink eind hardlopen, uit de bijbel lezen, een cryptogram maken?

Met tranen in de ogen staar ik naar buiten. Geen optie lijkt aantrekkelijk genoeg om uit te proberen. Bovendien ben ik moe en voelen m’n benen slap. Ik weet het zeker: het wordt gewoon niets met mij vandaag!

Toen ik klein was, had ik ook al van die rare dingen. Ik was bijvoorbeeld altijd misselijk op zondagavond. Of ik nou veel of weinig at, dat maakte niet uit. Mijn ouders snapten er niets van en onze huisarts ook niet. Ik was een gezond kind en er was geen reden om tegen school op te zien. Toch kwam ik elke zondagavond misselijk en zenuwachtig uit bed. Gelukkig is dat overgegaan en voel ik me prima tegenwoordig aan het eind van het weekend. Maar ja, maandag dus niet… Waar zou dat toch aan liggen?

Ik weet zeker dat ik niet de enige ben met dit probleem. Niet dat het een erfelijke ziekte is, maar één van onze kinderen kwam heel vaak met hoofdpijn uit school. Op maandagen dus. En dat lag niet aan zijn alcoholconsumptie in het weekend, want daar was hij nog veel te jong voor. Een ander kind van ons zat vanmorgen nog te klagen dat ze ziek was en beslist niet naar school kon. Hoe haalde ik het in mijn hoofd om haar toch naar school te sturen, mopperde ze. Ook een gevalletje maandagziekte? En de dame op de foto hierboven dan; die heeft het ook niet best. De kaart kocht ik ooit 37 jaar geleden in Ohio. Blijkbaar hadden mensen in Amerika er toen ook al last van. Waarom zouden ze er anders kaarten van maken? De tekst in de kaart spreekt ook boekdelen:

Halverwege de maandag spreek ik mezelf maar eens toe. Ophouden met zeuren, Rineke! Zet een leuk muziekje aan en ga wat nuttigs doen. Rotzooi opruimen bijvoorbeeld, de wasmachine aanzetten. Desnoods een oude bak speelgoed sorteren op zolder en de Barbies van de meiden leuk aankleden!

En het helpt. Vreemd genoeg kan ik er ineens weer tegen en voor ik het weet is het alweer half 6. Nog even volhouden, nog één nachtje slapen en dan is het weer dinsdag! Nog zes nachtjes slapen en het is dan weer maandag…Maar deze maandag heb ik in elk geval weer overleefd.

Lekker fietsen!

Het was weer een lange dag geweest. Iedereen was moe en hangerig, het regende om de haverklap en ik had nergens zin in. Ik was zelfs midden op de dag in slaap gevallen. Maar tegen etenstijd klaarde het helemaal op.

‘Zullen we na het eten lekker een eindje gaan fietsen met de kinderen?’ vroeg ik Gerard. ‘We zitten al bijna de hele dag binnen.’ Gezien de niet zo positieve ervaringen met wandelen, zou fietsen misschien beter in de smaak vallen. ‘Dat lijkt me een goed plan,’ zei hij.

Even na half acht stonden we zodoende buiten. Maar eerst moesten de duiven nog gevoerd worden. Terwijl Gerard daarmee bezig was, ging mijn telefoon. Het was onze oudste zoon, die mij gezellig tien minuten aan de praat hield. Na afloop liep ik naar de schuur, waar Gerard nog steeds op een ladder stond.
‘Ben je al klaar?’, zei ik. ‘Dat kan ik beter aan jou vragen,’ zei hij. ‘Je stond zo lang te bellen!’
De kinderen klaagden ook al dat het te lang duurde voor we vertrokken. Niet dat zij er zoveel zin in hadden. Er waren zelfs woorden gevallen als ‘kindermishandeling’ en ‘nutteloze tijdverspilling’. Maar ze stapten toch op hun fiets.

Daar gingen we dan. Het was een prachtige avond. Er klonk heel veel vogelgezang vanuit de bomen waar we onderdoor fietsten. Muggetjes dansten in de late zonnestralen.
‘Ik heb bijna een mondkapje nodig!’ lachte ik. Gerard ging er serieus op in. Niet vanwege de muggen, maar vanwege een houtkachel die de hele wijk door te ruiken was. Hij weet heel veel over fijnstof. Hij heeft zelfs een fijnstofmeter in elkaar gezet! Een houtkachel of barbecue ruik je niet alleen, ze verspreiden ook veel schadelijke stofjes. In het ergste geval zelfs de kankerverwekkende stof benzeen. Maar eerlijk gezegd wilde ik op dat moment gewoon even gezellig fietsen en geen discussie over de fijnstof-emissie.
‘Ik had het over die muggen hoor’, zei ik dus gauw.
‘Oh, dan hou je toch gewoon je mond dicht’, zei hij droog.

Intussen fietsten onze kinderen al een flink eind voor ons. Eén van de redenen dat ze mee moesten, was om hun conditie op peil te houden. Maar ondertussen kwam ik steeds achteraan. Waarbij gezegd moet worden dat ik erg genoot van de omgeving en de nodige foto’s maakte. Ik wilde niet ‘zo snel mogelijk weer thuis zijn’; mijn kinderen duidelijk wel.

‘Kijk, een roofvogel achter ons!’ zei een kind ineens. Ik trapte op de rem en schoot in de berm om te kijken.
‘Hé, niet zo plotseling remmen!’ mopperde Gerard. ‘Wil je een kettingbotsing of zo?’
Nee, dat wilde ik niet. Ik was benieuwd wat voor roofvogel het was, maar helaas was die letterlijk al gevlogen. Gelukkig zagen we er later nog één.
Ondertussen klaagde kind 2 vooral over de muggen. Oog voor de omgeving was er verder niet bij. Terwijl het wel heel mooi was, want we fietsen langs een nieuw aangelegd stuk van het Binnenveld. Rietkragen langs het slingerende riviertje de Grift, stukjes moeras en weiden vol pinksterbloemen. Het was heerlijk rustig. Behalve een enkele hardloper of visser, kwamen we niemand tegen.

‘Het lijkt wel alsof we op vakantie zijn, vind je niet?’ zei ik tegen een kind. Ik voelde me even bijna gelukkig! Zo’n mooie avond en dan met mijn gezin op pad, wat bofte ik toch. Je zou bijna vergeten dat er zoiets als corona bestond.
Het kind haalde haar schouders op. ‘Niet echt,’ zei ze. ‘Ik was liever thuis gebleven, maar jullie moesten weer zo nodig fietsen!’
Ze is altijd wel heel eerlijk, die dochter van ons…
Op dat moment vloog er een muggetje in m’n oog. Au!
‘Flink knipperen, dan spoelt ‘ie er vanzelf weer uit,’ raadde Gerard aan. En hij had gelijk, zoals wel vaker. Tien keer knipperen en de mug was weg.

Na een kleine pauze, staken we een grote weg over, richting de dijk. Half achter ons lag de Grebbeberg, met de bekende militaire begraafplaats tussen de bossen. En niet te vergeten: Ouwehands Dierenpark, waar de dag daarvoor een mini panda geboren was! Schuin voor ons de uiterwaarden, oude bunkers, verdwaalde huisjes en de Rijn. Letterlijk de omgeving waar 75 jaar geleden vreselijk gevochten werd. Niet voor te stellen op deze prachtige avond in mei. De opa van Gerard had zelfs nog meegevochten, die eerste meidagen toen in 1940. Gelukkig voor hem – en voor ons – was hij er levend uit gekomen.

Ik maakte weer foto’s terwijl de anderen doorfietsten, en ik raakte verder achterop. Ineens viel mijn oog op iets bijzonders: een of ander plantje langs de rand van de weg. Het leek wel dwars door het asfalt te groeien; hoe kon dat?

Ik stapte af en keek nog eens wat beter. Waren het paardenbloemen? Of distels, of iets anders? Verderop stonden nog een paar polletjes die op dezelfde manier door het wegdek groeiden. Peinzend vroeg ik me af, of dit mij iets te zeggen had. Iets als: tegen de verdrukking in groeien? Een plantje dat van een minimale hoeveelheid grond kon leven, symbolisch voor hoe ik vaak leef? Stond het er al, voor er asfalt overheen gegooid werd? Dan was het oersterk. Kon ik de asfalt en steentjes die het leven over me heen gegooid heeft, ook trotseren? En in het groot: zouden we de ziekte Covid-19 kunnen overwinnen? Zou het voorbijgaan, net zoals de oorlog voorbij ging na veel dood en verdriet?

‘Mama’, hoor ik in de verte ongeduldig roepen, ‘waar blijf je nou? Kijk, een roofvogel daar achter die bosjes!’

Ik stopte met peinzen, en fietste gauw naar mijn man en kinderen. Eentje wees ingespannen naar de plek, waar de roofvogel zou zitten. Yes, we zagen hem nu allemaal! Plus een ooievaar die statig voorbijvloog, paarden die door de wei galoppeerden, dartele lammetjes, de zon die langzaam achter de horizon verdween…

Het werd kouder, we herdenken de Tweede Wereldoorlog vandaag thuis, maar het leven en de lente gaan uitbundig door.

Boodschappen doen in corona tijd

Tot voor kort vond ik het leuk om boodschappen te doen. Makkelijk ook met een supermarkt om de hoek.
Ik vroeg me zelfs weleens af of ik het niet té leuk vond om boodschappen te halen, ik ging er wel heel vaak heen.
Maar ja, met een gezin is er altijd wel wat nodig. En met die ruime openingstijden kun je zelfs om 9 uur ’s avonds nog de winkel in.
‘Wat ga je nou weer doen?’ vroeg Gerard toen ik m’n jas weer eens aan deed.
‘Hagelslag kopen, en misschien nog wat vla’.
‘Kan dat niet wachten tot morgen?’ zei hij vermoeid.
Nee dat kon niet, het moest nú!

Helaas, sinds de corona-crisis is de lol van het winkelen er voor mij wel af.
Eerst ging het nog wel. Je hield wat meer afstand van elkaar, maar voor de rest geen probleem. Totdat de crisis echt menens werd.


Nietsvermoedend ging ik pas voor de verandering naar een andere supermarkt. Ik zette m’n fiets op slot, draaide me om om naar binnen te lopen…en stond voor een dichte deur. Er hing een briefje op, met:
‘Vanwege de corona-crisis zijn wij voortaan alleen via de achteringang te bereiken.’
Okee…zuchtend haalde ik mijn fietssleutel weer tevoorschijn, en fietste naar de andere kant van het gebouw.
Ik wilde alleen maar even een paar boodschapjes halen. Maar dat ging zomaar niet! Er stond een rij mensen op straat bij de winkelkarretjes, en een jongeman met een oranje hesje gaf instructies.
‘In de rij graag, mevrouw. Rustig één voor één naar binnen, en anderhalve meter afstand houden.’
Een beetje timide ging ik in de rij staan en wachtte tot ik eindelijk aan de beurt was.
Toen dat zover was, had ik al bijna geen zin meer… Maar goed, ik ging toch.

Her en der pakte ik wat uit de schappen. De gangpaden waren best smal, dus het was nog een toer om anderhalve meter afstand te houden van iedereen. Los van die anderhalve meter leken veel mensen wel bang om elkaar aan te kijken. Alsof oogcontact je al ziek maakte! Nou ja, je weet ook maar nooit, nog lang niet alles is bekend over het corona virus.

Ik voelde me zenuwachtig en vergat spontaan waarvoor ik gekomen was. Hadden we nou melk nodig of wraps? Onhandig liep ik met mijn karretje tegen de wandelrichting in, wat me weer diverse boze blikken opleverde. Sorry mompelde ik.
Het wc-papier was op, dan maar keukenpapier. En hopen dat de wc daar niet van verstopt zou raken, anders hadden we weer een ander probleem.
Zo sukkelde ik de winkel door, tot ik eindelijk bij de kassa kwam. Strepen op de grond wezen aan waar ik moest wachten. Plastic schermpjes tussen mij en de kassamedewerker, die voorzien was van plastic handschoentjes. Straks moeten wij die ook nog aanschaffen, dacht ik somber.
‘Prettige dag, mevrouw’, werd me toegewenst nadat ik had betaald. Dat was de eerste vriendelijke zin die ik hoorde in die winkel.

Nog één dingetje en dan was ik klaar met deze hordeloop, de kar moest terug naar de ingang buiten. Daar stond alweer een volgende rij mensen te wachten op een gedesinfecteerd karretje. De beveiligingsjongen keek toe of je het wel goed schoon poetste. Dat was nog een uitdaging met een zware rugtas om en twee volle tassen op de grond.
‘Klaar?’ vroeg een meneer hoopvol achter mij. Ik vond van wel.
Een ander vroeg zich hardop af wie die fles met schoonmaakmiddel dan weer desinfecteerde. Interessante vraag!

Uiteindelijk kwam ik weer in mijn veilige huis, waar ik gelukkig van niemand anderhalve meter afstand hoefde te houden. Ik zette alle boodschappentassen neer en plofte ontmoedigd op de bank.
‘Was het zo erg?’ vroeg Gerard. ‘Ja’, zuchtte ik bijna in tranen, ‘Wat een gedoe, ik ga nooit meer boodschappen doen!’

Aan die uitspraak heb ik me niet gehouden. Want een studerende dochter belde een uur later op met de vraag: ‘Mam, heb je naanbrood in huis? Nee? Als jij dat nou haalt, zal ik voor jullie koken vanavond’.

Met dat vooruitzicht heb ik me toch maar weer richting winkel gewaagd. En langzaam ging ik eraan wennen. Tegenwoordig hou ik rustig anderhalve meter afstand, en ben zelfs dankbaar met een schoongemaakt karretje of mandje. Nog even… en ik wil een mondkapje!

Crisis, what crisis?

Het zal niemand ontgaan zijn, dat er iets aan de hand is de laatste tijd. Iets wat wereldwijd voor veel onrust zorgt.  Dat ‘iets’ is natuurlijk Covid-19,  al gauw Corona genoemd.  Een ziekte waar de meeste mensen een half jaar geleden nog nooit van gehoord hadden. Ik in elk geval niet! Crisis, what crisis? Dit oude liedje van Supertramp zeurt al dagen in mijn hoofd. In wat voor crisis zijn we toch met z’n allen beland? En wat ging daar allemaal aan vooraf?

  • December 2019: Mijn oude vader  wordt voor de tweede keer weduwnaar. Verdrietig laten we hem achter in een stil huis, na de begrafenis van onze stiefmoeder.
  • Kerstfeest 2019: Manlief moet werken, de  uit huis-wonende kinderen willen hier komen, de thuiswonende willen liever gewoon gamen en mijn vader zit alleen… Hoe ga  ik dat allemaal doen?
  • Eind december: Onze puber is gestresst: ‘Veel te weinig vuurwerk!’. Onze katten zijn óók gestresst door al dat geknal.  Misschien wordt het volgend jaar wel verboden, al vinden de kinderen dat belachelijk. Er is trouwens ook iets aan de hand  in China. Eén of ander virus op een markt in Wuhan maakt heel veel mensen ziek. Ze verkochten daar vleermuizen en slangen. Vreemde gewoonte ook…
  • 1 januari 2020: Gelukkig nieuwjaar!  Mijn man moet weer werken en mijn pubers hebben nergens zin in. Het is mistig en koud. Als ik ze toch meeneem naar buiten voor een frisse neus, klagen ze steen en been. En het vriest niet eens, het is een winter van niks!
  • Half januari:  Wuhan komt nu elke dag in het nieuws. Dat corona virus is wel heftig zeg! Honderden mensen overlijden en tienduizenden worden ziek. Gelukkig is China ver weg. Vreemde beelden komen langs op tv: scholen die gesloten zijn, lege straten en mensen met mondkapjes op. Overdreven, zeggen ze hier. Die mondkapjes schijnen niet eens te helpen.
  • Begin februari: Het lijkt wel herfst. De één na de andere zware storm raast over ons land, voorbodes van naderend onheil. Het dak bij onze studerende dochter vliegt eraf, lekkage en een koud huis als gevolg. Intussen duikt het corona virus nu toch in Europa op. 
  • Eind februari: Honderden corona-patiënten in Italië. En niet alleen daar! De lijst met landen waar het virus voorkomt, wordt steeds langer.
  • Wij hebben twee jarige kinderen. Dat vieren we gezellig met de familie, dus taart, veel hugs en handen schudden. Slechts twee dagen later wordt het verboden om elkaar een hand te geven. Iedereen moet meer afstand houden. 
  • Begin maart. Officieel hebben we een pandemie. En de eerste besmettingen in Nederland zijn een feit.  De namen van deze mensen worden natuurlijk niet genoemd, maar iedereen hoort uit welke plaats ze komen. Al hun contacten van de afgelopen weken worden nagegaan. Daar gaat je privacy…
  • Half maart: Gauw even een weekendje naar mijn vader, dat is alweer lang geleden. Mijn zus die in Frankrijk woont, is er ook. In Frankrijk zijn alle scholen en universiteiten al dicht, mensen moeten thuis werken, en in dat weekend gaat het hele land lockdown. Bij ons nog niet, maar twee dagen later sluiten ook hier winkels, kantoren, universiteiten en scholen.. Maar hee, ik ben toch geen juf!

Crisis, what crisis? De wereld staat op z’n kop.  We kunnen letterlijk geen kant meer op, want de grenzen gaan dicht en het vliegverkeer gaat plat.  Daarbij  allemaal regels van bovenaf: blijf binnen, houd afstand, ga niet met de trein, ga niet naar je ouders.. Help, mag ik even onder een deken kruipen? 

Wie er totaal niet waker liggen van de crisis, zijn onze jongste twee.  

‘Yes, we hebben vrij!’, roepen ze.  Ze schuiven hun bedden tegen elkaar, alsof het vakantie is. En ze verschansen zich boven met hun mobieltjes.

‘Mam, wil je even chips brengen?’, roept de één.

‘Huiswerk? Dat doe ik niet hoor’, zegt de ander.

Net als de meeste pubers denken ze eerst aan zichzelf.  Wat misschien niet eens zo gek is in deze toestand. Al moeten ook zij na vier dagen toegeven dat het best héél saai is zonder school.

Pfff…ik wil óók chips. En doe er meteen maar een glaasje  wijn bij. En dan maar hopen dat deze crisis snel voorbij gaat!

Lekker wandelen

‘Jongens, gaan jullie mee wandelen?’
‘Nee!’, hoor ik uit twee kamers.
‘Maar het is heerlijk weer, zonde om binnen te blijven!’
‘Dan gaan jullie toch samen?’ roept het ene kind. En van het andere hoor ik nogmaals: ‘Nee!’.
‘Zo moet je het ook niet brengen,’ zegt Gerard vanaf de bank. Hij ligt naar de Ronde van Vlaanderen te kijken. Een herhaling uiteraard, want het is coronatijd.

Ik gooi het maar over een andere boeg.
‘Over een kwartier vertrekken we. Zorg zelf maar voor een flesje drinken en wat lekkers!’.
Dat brengt de jongste in elk geval in beweging. Na tien minuten herhaal ik de mededeling en komt kind 2 ook naar beneden.
‘Waarom gaan we wandelen?’ zucht hij dramatisch, ‘Wandelen is stom!’.
‘Dat leg ik straks wel uit als we buiten zijn. Doe je schoenen nou maar aan’.
De Ronde van Vlaanderen is inmiddels ook klaar, of in elk geval uitgezet.
‘Zal ik nog een andere broek aandoen?’ twijfelt Gerard. Janine kijkt intussen naar mijn blote benen.
‘Je had helemaal niet gezegd dat ik een korte broek aan moest doen!’
‘Dat hoeft ook niet persé. Maar ga je gang, ik wacht nog wel even hoor.’

Uiteindelijk vertrekken we een half uur later, voorzien van petjes, zonnenbril, water, snacks en natuurlijk onze mobieltjes. Ik heb een mooie route in m’n hoofd waar het vast wel rustig is. Het is een stuk van het Klompenpad. Als we lekker doorlopen zijn we over anderhalf uur weer thuis.
‘Nou, waarom moeten we zo nodig wandelen?’ begint Maarten weer.
‘Omdat jullie vorige zomer zo snel moe waren van elke wandeling of fietstochtje. Jullie conditie moet beter worden. Daar hebben we nu mooi de tijd voor, voordat het weer zomer is’, leg ik uit.
Mijn antwoord lokt meteen een discussie uit.
‘Helemaal niet waar,’ moppert Maarten.’We waren helemaal niet moe,’.
‘Het waren ook helemaal geen leuke wandelingen’, zegt Janine.
‘Welke wandelingen bedoel je eigenlijk?’ vraagt Gerard zich af, ‘Ze gingen toch nooit mee?’
‘Nee en toen we persé mee moesten fietsen, ging het heel erg onweren. We werden hartstikke nat!’zegt Janine.
Ja, dat herinner ik me maar al te goed…Dan vraagt Maarten waar we eigenlijk heengaan.
‘We lopen een stuk van het Klompenpad’, zeg ik opgewekt.
‘Wat, daar helemaal heen?’ roept Janine.
‘Dat is helemaal niet zo ver. Met de Avondvierdaagse loop je ook wel zo’n stuk’.
Dom van me om die vergelijking te maken, nu gaan ze weer in discussie.
‘Wie zegt dat ik de Avondvierdaagse leuk vind?’ zeurt Janine.
Maarten wil liefst weer naar huis. Gerard maakt zich druk over heel andere dingen. Bij elke passerende fietser of wandelaar roept hij:
‘Anderhalve meter!’ Ik hoor de kinderen zuchten.

‘Jongens, we gaan hier zo het weiland in. Daar is het een stuk rustiger’, kondig ik aan. We lopen voorzichtig over een wankel bruggetje met maar één leuning. Maar het gaat goed. Dan het weiland in en een heel eind langs een sloot, die zo helder is dat je de bodem kunt zien. Gerard maakt behoorlijk veel foto’s en Janine loopt niet door. Zodoende lopen Maarten en ik ineens met z’n tweëen voorop, mijn snel groeiende puber met z’n lange benen.
‘Wat doen zij allemaal?!’ zegt hij met een ongeduldige blik naar de anderen. Eerlijk gezegd loop ik ook liever wat sneller door. Als Gerard en Janine geen tempo maken, doen we er minstens twee uur over.
‘Gaan we al pauzeren?’ roept Janine een eind achter ons. Nou, vooruit dan maar. Het is best warm, dus wat drinken gaat er wel in.

Het Klompenpad voert ons daarna langs frisse weilanden, heel oude boerderijtjes en mooi opgeknapte nieuwe boerderijen, een herdenkingsplek van de Tweede Wereldoorlog, koeien, paarden, kleine eendjes in de sloot, lammetjes, bomen vol bloesem. Kortom, genoeg te genieten voor wie daar oog voor heeft.
Maar dat hebben onze kinderen niet. Ze zijn het allang zat, vragen om de tien minuten hoe lang het nog duurt voor we thuis zijn en eerlijk gezegd word ik er hartstikke moe van.
Hoe erg is het nou om eens lekker een eind te wandelen? Ze kunnen toch ook wel een keer iets voor mij over hebben in plaats van zo te zeuren?! Alsof ze niet genoeg tijd achter hun schermpjes zitten…
Aan Gerard heb je ook al niets, mopper ik door, die loopt alleen maar foto’s te nemen en ‘afstand’ te roepen. Gezellig hoor, wandelen met ons gezin. Volgende keer ga ik gewoon weer met een vriendin, dat is veel leuker!

Als we uiteindelijk na ruim twee uur thuis zijn, ploffen Gerard en ik op de bank. De kinderen pakken wat lekkers en vertrekken naar boven. Snel naar hun Tiktok account en Fortnite wereldje. En wij, de 50-plussers, vallen uitgeput in slaap…