De kamptrui

Héél lang geleden… waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden ze elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen, afkomstig van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman. Hij studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo probeerde ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze inmiddels een paar vriendjes gehad. Geen van die hen was echter de ware.

Op een dag zat ze zich in haar studentenkamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome; misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Op dat moment belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur aan de telefoon te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ zei het meisje. ‘Nou, zei de vriendin, ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Zij willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hen niet eens en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze 2 dagen later al zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
‘Wow, wat een buitenkans!’ dacht het meisje. Ze hoefde er geen uur over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief bezig te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Als ‘ie klaar was, zou ze alle namen van de deelnemers erop borduren, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen twee weken.

Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van de bergen, de groep, en van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al maanden eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd… een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eentje dan… Zou ze hem ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een jasje. Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard haar spulletjes kwam brengen, nota bene op de dag van haar afstuderen. Wat een verrassing! De andere jongens waren er ook, maar haar hart begon toch echt sneller te kloppen voor die ene. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen ze op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden ze officieel verkering. En dat meisje… dat was ik natuurlijk.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en deed nogal stug. Gerard begreep daar niets van. Hij maakte veel grapjes en sloofde zich uit om mijn aandacht te krijgen. Aan het eind kregen wij de kamptrui kado, als dank voor het te gekke kamp én omdat wij nu een stel waren. We moesten hem wel regelmatig uitlenen aan andere kampleden, werd ons gezegd.

‘Ze moesten eens weten…’ dacht ik. Want ik had mijn conclusie al getrokken: ik maakte het uit! Ik had er geen zin meer in. Toch bleek dat de oplossing niet te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. Andersom moest Gerard erg wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen leven had, en eigen ideeën. Met een rugzakje vol bagage uit haar jeugd, niet te vergeten. Dat had hij zelf ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’. Daar hadden we helemaal gelijk in, maar het kostte jaren om te ontdekken hoe!

De kamptrui heeft jaren onderin een kast gelegen. We deden hem nooit aan, het model was veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Een paar maanden geleden besloot ik hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Het was nog een hele klus. Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was. Totdat ik ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen (wat Gerard al een paar keer geopperd had, maar bij mij niet binnenkwam…). Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Ergens is die trui een beeld van ons huwelijk. We trouwden 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen… werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar. Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een relatie houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van! Iets dat ons beter past dan de vorm van 30 jaar geleden.

Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En ook dat ik het met jou uithou. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het misschien niet gered. Reden genoeg voor een feestje! Maar ja, dat komt later pas, als we lekker geen afstand meer hoeven te houden 🙂 🙂 🙂 :-):-) 🙂 🙂 🙂

De kamptrui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam was de oudste van drie kinderen, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje was de jongste van vier kinderen, kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten samen wel een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken, en een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht helpen. Alle namen van de deelnemers zouden er later op geborduurd worden, een kleurig geheel. In twee weekjes was kamptrui af.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van de bergen en van de hele groep. De mensen vertrouwden en ze voelde zich thuis. Het was ook heerlijk omniet echt de verantwoordelijkheid te dragen. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze dat goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal naar de groep dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eentje dan…Zou ze hem ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten plus een zwart jasje. Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke Oostenrijk-kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd? De kampleden merkten er niets van. Ze gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik…
Ja ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat Gerard een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. Andersom moest Gerard ook wennen aan een meisje als ik. Dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’. We trouwden op een prachtige lentedag, 22 maart 1991.

Onlangs kwam ik die trui tegen onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem maar eens uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog steeds niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht; hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets nieuws van! Iets wat beter past dan 30 jaar geleden.

Ik ben zo blij dat jij het met mij uithoudt Gerard. En dat geldt andersom ook. Ik ben trots op onze kinderen, voel me soms een beetje klein over zoveel dat ik gekregen heb. Ik ben ook dankbaar mensen om ons heen, zonder hen hadden we het misschien niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Hollen of stilstaan

Afgelopen weken had ik heel veel hoofdpijn. Nou, zul je misschien denken, als dat alles is? Iedereen heeft toch weleens hoofdpijn?
Daar ben ik het helemaal mee eens. En ik ken ook mensen die elke dag met pijn en ziekte geconfronteerd worden, wat veel erger is. Alle respect voor hen en hoe ze dat verdragen! Deze blog is meer voor mensen die slecht luisteren naar signalen van hun lichaam, zoals ik…

Ik ben echt niet zo’n die-hard, of iemand die een ontzettend hoge pijngrens heeft, maar ik heb wel de neiging om over m’n grenzen te gaan. Dat weet ik van mezelf en toch trap ik er elke keer weer in. Als ik erover nadenk, gaat dat meestal volgens hetzelfde patroon. Dan begin ik met één of andere klus, de badkamer schoonmaken bijvoorbeeld of een kast opruimen of een blog schrijven. Op een gegeven moment word ik het zat, maar ja, de klus is niet klaar. ‘Kom op’, vermaan ik mezelf dan, ‘niet zeuren. Zo vreselijk veel heb je nou ook weer niet gedaan.’ Dus ga ik door, want het werk moet af. Weer een tijdje later voel ik dat ik moe ben. Ik zucht diep en pak even een snoepje. Misschien ga ik zelfs even zitten! Maar niet te lang, want ik ben nog steeds niet klaar. Plichtsgetrouw ga ik weer verder. Als Gerard op zo’n moment iets aan me vraagt, ben ik waarschijnlijk snauwerig. Voor hem is het inmiddels duidelijk dat ik moet stoppen.
‘Heb je wel wat gegeten?’, vraagt hij dan standaard. ‘Ja hoor’, antwoord ik kortaf. ‘Zou je niet gewoon stoppen dan? Morgen is er weer een dag. Wat is er erg aan als je dan pas verder gaat?’
Soms ben ik er jaloers op hoe relaxed Gerard kan zijn. Hij kan werkelijk uren op de bank liggen, zappend van de ene naar de andere sportzender. Ondertussen valt hij in slaap, of leest hij leuke feitjes en Twitterberichtjes. Die stuurt hij dan enthousiast door naar de hele familie in vele appjes. Maar… diep in m’n hart vind ik hem ook wel een beetje lui.
Nee, dan ik! Verbeten ga ik door met het laatste stukje van mijn klus. Bijna klaar, nog éven doorzetten. Om energie te sparen zeg ik geen woord meer tegen hem of de kinderen. Nou nou, een tijdje later ben ik eindelijk tevreden. Klaar!
Vaak ben ik dan de tijd vergeten en moeten er nog dringend boodschappen gehaald worden. In elk geval moet er nog gekookt worden, waar ik dan helemaal geen zin meer in heb. Gerard ook niet. ‘Dan eten we toch tosti’s?’ is zijn praktische oplossing.

Ik word geregeld wakker met spierpijn. Kan mijn leeftijd zijn, maar het zegt ook iets over moeheid en protesterende spieren. Als ik dat signaal negeer, krijg ik vanzelf hoofdpijn. Dat negeer ik dan ook eerst weer een tijdje, onder het mom van ‘dat gaat vanzelf over’. Ik drink een keer extra koffie of ik eet wat pure chocola, en soms helpt dat nog ook. Maar de laatste tijd werkte het helaas niet meer! Ik begon de dag al met hoofdpijn, werd er misselijk van. Paracetamol hielp niet eens. Ik twijfelde of ik rustig aan zou doen, of mezelf proberen af te leiden met lekker naar buiten gaan. Het licht en de lucht buiten deden zo’n pijn aan m’n ogen, dat ik ze het liefst dicht hield. Maar ik wilde niet binnen zitten! Dus zonnebril op, petje op met een klep en zo ging het dan nog net. Totdat ik uiteindelijk zo ontzettend moe werd, dat ik niets meer leuk vond. Binnenshuis had ik al bijna een zonnebril nodig… In mijn geval is dat niet migraine, maar overbelasting.

‘Leg de lat toch niet zo hoog,’ zeggen mensen nogal eens tegen me. Maar het punt is dat ik die lat nooit zie! En wat is concreet te hoog? ‘Je moet beter luisteren naar je lichaam’, zeggen anderen. Ze hebben helemaal gelijk. Maar ik moet zoveel, of ik wil zoveel. Dat was vroeger al zo. Toen ik 13 was, zei mijn moeder eens: ‘Het is bij jou ook hollen of stilstaan. Pas maar op, je holt jezelf nog eens voorbij!’. Dat is al heel wat keren gebeurd in mijn leven.
Ongetwijfeld heeft het iets te maken met die eetstoornis, die me zo lang dwars gezeten heeft: doorgaan, rusteloos zijn, mezelf geen ontspanning gunnen. Maar ook nu dat beter gaat, komt het elke keer terug. Is het hoe ik ben, de aard van het beestje zogezegd? Of laat ik mezelf nog steeds opjagen door wat dan ook?

Gelukkig is het nooit te laat om te leren. ‘Ga naar de vogeltjes kijken; doe eens 5 of 10 per dag minuten niks’, raadde iemand me aan, toen ik weer eens zat te klagen over hoofdpijn. Dat leek een simpele opdracht, maar het viel nog tegen. ‘Ik ben toch niet bejaard!’, dacht ik. Maar uiteindelijk legde ik me erbij neer en het werkte. Als ik het niet deed, kreeg ik nog meer hoofdpijn of een huilbui of ik viel sacherijnig in slaap. En ik kreeg hulp van onze poes.

Poes? Ja, wij hebben twee poezen, die allebei zeker 18 uur per dag slapen. Op ons bed, op mijn stoel, op de trap… En als ik eens een kwartier op de bank probeer te rusten, gaat één van die poezen er graag bij liggen. Dat is nog eens relaxed! Echt veel fijner dan met een enthousiaste peuter een dutje proberen te doen. Die poes van ons draait een paar rondjes, likt zijn poten, krult zich op en gaat gewoon slapen. En spinnen, rrrrrrr. Heerlijk, dat geluid, daar word ik nog eens rustig van!

Is het herkenbaar, dat hollen of stilstaan? Ik hoop van wel, misschien kunnen we er samen nog eens een clubje voor oprichten. Voor het stilstaan dan, hollen is voor mij geen probleem…

Februari, sprokkelmaand.

Vroeger hadden wij een kalender, waarop niet alleen de maanden stonden, maar ook een bijnaam voor elke maand. Ik weet ze niet allemaal meer precies, maar de eerste drie kan ik me nog wel herinneren. Januari was de louwmaand, februari de sprokkelmaand, en maart -niet zo verrassend- de lentemaand.

Februari sprokkelmaand. Dat vond ik vroeger al zo’n leuk woord. Sprokkelen riep bij mij het beeld op van hout sprokkelen in het bos. Vast niet zo romantisch voor de mensen die echt de kou in moesten, maar toch klonk het gezellig. Ik zag een vader voor me die met de oudste kinderen een flinke bos takken verzamelde, terwijl er een dik pak sneeuw lag. Iedereen klompen aan met stro, kranten onder de kleren om warm te blijven en zoeken maar. En een moeder die met de kleintjes binnen bleef, lekker warm bij de kachel die zacht snorde op de laatste restjes hout. Appelmoes sudderend in een pannetje…je zou er zin in krijgen!
In feite is dat woord sprokkelen afgeleid van een Latijns woord: spurcalia. Ik heb opgezocht wat dat eigenlijk precies betekent, en ik keek ervan op. Netjes omschreven was het een soort reinigingsfeest in februari in de Romeinse tijd, maar letterlijk betekent het ‘smerig’. Want de Germanen, de oorspronkelijke bewoners van hun gebied, vierden ook zo’n feest, maar dan een stuk erger…smerig en onkuis volgens de Romeinen! Mmm, weer wat geleerd vandaag.

Terug naar het heden. Februari staat dit jaar qua weer in het teken van uitersten. Van zacht weer met wateroverlast, naar sneeuw en ijzige kou, gevolgd door nog zachter lenteweer. Saharazand kleurt de luchten prachtig roze. Warm koud warm. Wat een overgangen elke keer, en dan te bedenken dat ik zelf ook nog eens in de overgang zit!

Terwijl het stof uit de Sahara neerdwarrelt op de auto’s in de straat, gaan mijn gedachten terug naar de vrieskou. Anderhalve week geleden nog maar stonden ‘we’ massaal op het ijs. Ik ook. Ik ben echt geen schaatsfanaat hoor, door het jaar heen zie je mij niet op overdekte ijsbanen. Maar van natuurijs word ik echt heel blij! Dan wil ik hoe dan ook schaatsen, zodra het enigszins betrouwbaar is. Dat duurde dit jaar wel eventjes. We werden flink gewaarschuwd door deskundigen om niet het ijs op te gaan na een paar nachtjes vriezen, en al helemaal niet op open water.
Af en toe ging ik kijken hoe het ijs erbij lag in de buurt. Niet heel aantrekkelijk,eerlijk gezegd. Geribbeld door sneeuw en harde wind, overal wakken. Op donderdag stond ik langs de kant bij een grote vijver waar heel wat jongelui schaatsten. Ik keek naar de wakken, en besloot nog maar een dagje te wachten.
Op vrijdag vroeg een vriendin of ik al geschaatst had, zij al wel. Dat schudde me wakker. Als zíj al geschaatst had, dan kon ik dat natuurlijk ook!
Zo ging ik dapper meteen maar naar een plek bij de uiterwaarden. Toen ik daar aan kwam, liepen er al heel wat mensen weer terug. Toen ik naar het ijs keek, snapte ik wel waarom…het zag er heel slecht uit aan de kant. Maar verderop was men toch aan het schaatsen, blijkbaar was het ijs toch dik genoeg. Ik besloot het erop te wagen. Bond mijn schaatsen onder, glibberde op m’n billen de gladde helling af, en zette voorzichtig voet op het ijs. Heel eng om door water te schaatsen, maar ik zakte er niet doorheen. Verderop zag het ijs er beter uit. Als vanzelf duwde de wind me daarheen, en voor ik het wist was ik al een heel eind van de kant. Aarzelend keek ik nog een keer achterom, was het niet te gevaarlijk wat ik deed? Maar ik kon niet meer stoppen, alleen al niet door die harde oostenwind. En voor en achter me zag ik genoeg andere waaghalzen rondjes schaatsen, dus deed ik maar mee. Met knikkende knieën weliswaar, maar het lukte. En ik genoot! Het was prachtig. Een spiegelende ijsvloer, een blauwe hemel met wat plukjes wolken, vrolijke mensen die mij allemaal inhaalden… Het gekraak van ijs, het geschraap van schaatsen en fluitende wind in m’n oren.
Twee grote rondjes hield ik het vol. Om op de kant te komen, moest ik weer de nodige toeren uithalen. Maar het was een geweldige ervaring.

De dag erna ging ik ergens anders schaatsen, met drie van onze kinderen. Maarten, Janine en Johan van bijna 25 die later zou komen. De tieners sputterden zoals gewoonlijk eerst tegen. Ik moest nog aardig wat overredingskracht gebruiken om ze mee te krijgen. ‘Schaatsen is toch leuk! En over een dag gaat het misschien alweer dooien!’, zei ik. Mopperend fietsten ze achter me aan. ‘Moet het echt? Waarom nou?’ hoorde ik verschillende keren achter me. Maar ik zei niks terug. ‘Als we er eenmaal zijn, dan vinden ze het vast wel leuk’, dacht ik. We stalden onze fietsen en zochten een plekje aan de kant waar we de schaatsen aan konden doen. Het had flink gevroren en het ijs op die sloot zag er veelbelovend uit. Ik schaatste zo alweer weg.
Even later merkte ik dat ik niet gevolgd werd. Maarten, die inmiddels niet meer boos was, paste zijn schaatsen niet. En Janine stond treurig op mijn oude kunstschaatsen te wiebelen. ‘Ik kan het niet!’ klaagde ze, ‘Het is veel te moeilijk met deze schaatsen’. Het huilen stond haar nader dan het lachen, en op den duur trok ze ze uit. Wat ik ook zei over vallen en opstaan, het hielp niks. Gelukkig vond ze een vriendinnetje met wie ze gezellig rond ging lopen. Maarten stampte intussen uit verveling een gat in het ijs, hij moest toch wat. Maar opeens zakte hij er met een voet doorheen…koud!!! Goeie reden voor hem om snel weer naar huis te kunnen.

Johan was die dag de reddende engel. Hij toonde zowel begrip voor mij als voor zijn zeurende broer en zusje. ‘Koop volgend jaar gewoon fatsoenlijke schaatsen voor die kinderen, zul je zien dat zij het dan ook leuk vinden’, raadde hij me aan. En verder schaatste hij vrolijk met mij mee. En ik genoot ervan, hoewel ik minstens vijf keer viel omdat ik de verkeerde maat schaatsen aan bleek te hebben. Ik had die van Maarten en mij per ongeluk verwisseld…

Zondag was de topdag op schaatsgebied. Samen met Johan en nu met de goede maat schaatsen, fietste ik weer naar de uiterwaarden. Wel een andere plek dan vrijdag, maar daar zou het het volgens Johan ook heel mooi zijn.
Nou, hij had niets overdreven. Het was niet gewoon mooi, het was sprookjesachtig! Goed ijs, veel ruimte, grote vlaktes en beschutte plekken. Je kon zelfs tussen de bomen van een bevroren bosje heen schaatsen, heel bijzonder. Er hingen ijsplaten in de takken, restanten van hoe hoog het water had gestaan. Af en toe een knalde er een brok ijs naar beneden, maar dat mocht de pret niet drukken. De snijdende oostenwind van de dagen ervoor was gaan liggen, dus het was ook nog eens minder koud. En dat samen met mijn stoere zoon, die het niet eens gek vond om met zijn moedertje te schaatsen! Genieten was het, in de overtreffende trap.

Maar goed, genoeg over het ijs. Het is warm vandaag buiten, terwijl de lente officieel pas over een maand begint. Februari sprokkelmaand, ach…voor mij en veel anderen was het een bijzonder mooie maand!

Sneeuw!

Jaaa… er ligt eindelijk weer sneeuw! Wij wonen in het midden van het land en nu hebben wij eens een keertje geluk, als je van sneeuw houdt tenminste. Er ligt ook niet zo’n klein beetje; gisteren al zeker 15 centimeter en vandaag nog een paar erbij.

Ik moet eerlijk zeggen, dat ik tot afgelopen donderdag niet kon geloven, dat het weer zó om zou slaan. Toen maakte ik nog een lange wandeling met een vriendin langs de ondergelopen uiterwaarden. Het was minstens 10 graden en bijna te warm in onze winterjas. Het leek ons wel super als heel die waterplas op de weilanden zou bevriezen, maar of dat werkelijk zou gebeuren?

Mijn geliefde, die een paar ASS-kenmerken heeft, hield de weerkaarten al dagen in de gaten. Hij had me weermodellen laten zien met temperaturen van min 20 en sneeuwvoorspellingen die er ook niet om logen. Tien, twintig en op sommige plekken wel dertig centimeter sneeuw! In het oostelijk deel van Europa zou het nog erger worden, zei hij, maar in het zuiden van Duitsland juist weer niet. Ik geloofde er eigenlijk niets van, en toen hij er ook nog allerlei andere landen bij haalde en cijfers ging noemen, haakte ik af (sorry Gerard!). Ik kan me er op zo’n moment niet toe zetten, om me in de weersituatie van heel Europa te verdiepen. En hij kan maar niet begrijpen dat ik niet zo interessant vind… althans zo lijkt het. Maar zoals wel vaker, had Gerard gelijk (met die weermodellen dan) :-).

Van puur enthousiasme over zoveel sneeuw zondagmorgen, besloot ik een rondje te gaan hardlopen. Een adembenemende ervaring, letterlijk en figuurlijk… Er stond een snijdende wind en de sneeuw stoof vrolijk door de lucht. Geweldig om als één van de weinigen sportief te zijn! Maar veel te zwaar voor mij… Dus werd het meer lopen dan hardlopen. Wat eigenlijk helemaal niet erg was, want nu kon ik tenminste foto’s maken.

Later op de dag heb ik mijn gezin ook mee naar buiten gekregen. Dik ingepakt en met frisse tegenzin (de tieners dan). ‘Hoe vaak maak je dit nou mee, jongens?’ ‘Mam, je doet net of ik nog nooit van m’n leven sneeuw heb gezien’, merkte Janine op. Nou, in haar 10-jarige leven heeft ze heel wat minder sneeuw en ijs gezien dan ik vroeger. Haar broer Maarten sjokte een beetje achteraan, erg gênant natuurlijk om met je bijna bejaarde ouders te wandelen. ‘Waarom heeft papa zo’n idiote muts op?’ vroeg hij aan mij. En verder: ‘Je hoeft echt niet tegen iedereen hallo te zeggen hoor!’ Wat ik nou net zo leuk vind aan ons middelgrote stadje Wageningen, dat gemoedelijke.

Het viel op dat er behoorlijk veel mensen buiten waren. Maar ook dat er veel meer sfeer was op straat. Er werd tenminste weer eens gelachen en gek gedaan! Je zag kinderen sleeën, jongeren met sneeuwballen gooien, buitenlandse studenten selfies maken voor besneeuwde struiken. Even wat anders dan al dat pessimistische nieuws, even een boost weerstand opdoen in deze door corona geteisterde wereld. Ja het gaat vast wel weer dooien binnenkort. Vraag maar aan Gerard, die weet wel waar en wanneer. En ik snap heus wel dat het heel erg lastig is voor mensen die de weg op moeten. Het is glad en koud en gevaarlijk! Maar toch… laat mij maar even genieten van die witte wereld, zoals je dat vroeger las in boekjes van W.G. van der Hulst: Buiten giert de ijzige wind, de sneeuw knerpt onder je klompen, en het is zo bitter koud! Maar binnen snort de kachel (of laptop), moeder maakt warme melk (of thee) en is het heerlijk knus. Voorlopig moeten we toch vroeg binnen zijn, door de avondklok…

Een koude 31 januari

Wat leven we toch in een bijzondere tijd. Klimaatveranderingen, kinderen die al weken niet naar school mogen, avondklok, rellen – die nu gelukkig alweer gestopt zijn – en ga zo maar door. Het is lang niet allemaal leuk, maar je kunt niet zeggen dat er niets gebeurt.

Afgelopen weekend gebeurde er nóg iets bijzonders: het had in het hele land gevroren! Van Groningen tot en met Zeeland, overal nachtvorst. Dat was al 2 jaar niet voorgekomen, las ik op de NOS-site: 740 dagen om precies te zijn. Nou, als dat geen nieuws is? In elk geval weer een record erbij. Beter dan een record aantal regenachtige dagen in januari en zeer weinig zon. Want dat las ik dan later weer ergens anders.

Gerard en ik gingen een eindje wandelen. Maarten en Janine hadden geen zin, en wij hadden geen zin om daar veel energie in te steken. Het zou weleens veranderen, want onze dochter van 22 was al aan de wandel voor wij onze koffie op hadden. Buiten waren we duidelijk niet de enigen die op dat idee waren gekomen. Logisch, want het was stralend winterweer.

Niet ver van ons huis ontdekten we een mini-natuurgebiedje. Of natuurgebiedje… het was eigenlijk meer een aangelegd stukje groen tussen een aantal flats. Een paar paadjes tussen bomen en struiken door, rommelig neergelegde takken die uitnodigden om verstoppertje te spelen of een boomhut te bouwen, en een bevroren vijver met een bruggetje eroverheen. Leuk om te spelen voor kinderen! Met een beetje fantasie kon je er een heel avontuur van maken daar. Dat je verdwaald was in het bos, maar een verlaten hutje had ontdekt. Of dat je ingesloten was door water, maar kon vluchten omdat het gevroren had… Ik voelde me net weer 10, toen ik ook vaak met vriendinnetjes naar ‘het landje’ ging. Een stukje niemandsland in ons dorp, waar nog niets mee gedaan werd. Waar je heerlijk kon rennen en fietsen over hobbelige paadjes. Of waar je oude stenen pijpenkoppen vond, of mooie scherven van een oud servies. Ik was dol op zulke plekken. Er werd nog niet zoveel gezeurd -door ouders- dat het gevaarlijk was. Buiten spelen en rondzwerven hoorde erbij. Je had hooguit last van vervelende jongens, die de baas speelden en riepen dat het hún landje was.

Op dit stukje groen was geen kind te bekennen. ‘Die zitten natuurlijk allemaal weer binnen achter de laptop’, mopperde ik. Net als die van ons trouwens… geen zin om hutten te bouwen of te voelen of het ijs al dik genoeg was. Nou, dan deed ik dat toch? Ik hurkte aan de rand van de vijver en zette een voet op het ijs. Conclusie: het ijslaagje was heus wel meer dan een vliesje, maar je kon er duidelijk niet op gaan staan. Gerard struinde intussen rond om foto’s te maken. En zo waren we lekker bezig.

Later, thuis in de warme huiskamer, gingen mijn gedachten terug naar een ander jaar dat het 31 januari was: 1988. De avond daarvoor was mijn moeder overleden… Het was een hele zachte winter. Veel regen, veel wind en zeker geen nachtvorst. Mijn arme moeder leed aan kanker en in die tijd was de aanpak daarvan nog niet zo ver gevorderd als nu. Anderhalf jaar na de diagnose overleed ze. Zij was 54 en ik 22. Ik kon het verlies van mijn moeder helemaal niet aan, ben er nu nóg mee bezig om het een plekje te geven. ..

De dag na onze wandeling was het grijs en grauw. Heel erg toepasselijk om aan het gemis van m’n moeder te denken. Ik wist even niet hoe ik de dag door moest komen. De beste remedie daarvoor is voor mij om dan maar klusjes gaan doen in plaats van piekeren. Dat heb ik dan ook de hele dag gedaan. Zo heb ik eindelijk de kerstboom teruggebracht bij de zorgboerderij, waar ik ‘m gekocht had, en nog andere nuttige dingen gedaan. Evengoed heb ik gepiekerd, want ik ben nu ouder dan mijn moeder is geworden en hoe zal mijn leven verder gaan?

Het ijs op de vijver is alweer gesmolten en het aantal coronabesmettingen neemt af. Als het meezit gaat Janine volgende week weer naar school. ‘Maak je geen zorgen voor de dag van morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad’. Een tekst uit de bijbel die mijn moeder vaak citeerde . Ik doe mijn best mama, echt! Maar er zijn van die dagen, dat ik dat even kwijt ben…

De luchtreiniger

Laat ik weer eens een blog te schrijven, onderwerpen genoeg. Maar waarover? Over de scholen die voorlopig nog dicht zijn? Over de inauguratie van Joe Biden? Over het aftreden van ons kabinet, de Britse variant van het coronavirus of de avondklok die vandaag ingaat?
Ach nee, daar wordt al genoeg over gezegd en geschreven. Laat ik het maar wat dichter bij huis houden. Wij hebben namelijk een nieuw apparaat in huis staan: een luchtreiniger. Niet zo’n spuitbus die met z’n dennengeur de ozonlaag aantast, maar een echte luchtreiniger. Ik had daar zelf nog nooit van gehoord, maar ineens stond ‘ie er.

Het zit zo: Gerard heeft een neus voor gadgets, nieuwigheidjes zogezegd. Maar dan geen domme hebbedingetjes, zoals sleutelhangers, maar dingen die er echt toe doen. Zo was hij één van de eersten met Waka Waka’s in huis (zien er uit als een zaklamp, zijn dat ook maar slaan zonne-energie op.) Ontzettend handige uitvinding voor mensen in arme landen, waar geen elektriciteit is maar wel veel zon. Niet dat wij zo arm zijn, maar op de camping bleken ze ook reuzehandig om onze mobieltjes mee op te laden. En ’s nachts had je dan een goede zaklamp. Ook van zonne-energie was onze deurbel die Gerard via internet ergens vandaan had. Helaas was die niet handig, want na de zomer deed ‘ie het niet meer. We hebben maanden zonder bel gezeten. Al die tijd was het bij ons net als bij het tv-programma Samson en Gert: ‘Ik moest kloppen, want de bel deed het niet’. Nog een voorbeeldje in dit kader zijn een soort ronddraaiende ventilatortjes, die je onder de verwarming kunt bevestigen. Deze zorgen voor een betere verspreiding van de warmte in de kamer.
Nou, ga zo maar door. Het probleem is soms dat ik er het nut niet van inzie. Maar ja, ik ben zo atechnisch, dat weerhoudt Gerard er niet van om weer iets te kopen. Hoe vaak ik wel pakketjes bij de voordeur aangepakt heb, zonder enig idee wat er in zat!
Dit keer kon ik me niet herinneren dat er een grote doos was bezorgd.
Het was kerstvakantie en er werd geklust in huis. Er stonden al zoveel dozen met gereedschap en spullen, dat ik eerst niet eens door had dat er nog iets stond. Totdat Simon opmerkte: ‘Wat hoor ik toch voor gek geluid?’ Ik keek eens rond en zag in een hoek een wit apparaat staan. Het had een display met getallen erop, en het blies lucht.
‘Gerard, wat is dat?’ vroeg ik.
‘Oh, een luchtverfrisser’, zei hij, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
‘Een wat, een luchtverfrisser? Waar hebben we die voor nodig? En waar heb je die nou weer vandaan?’
Gerard vertelde enthousiast dat dit apparaat heel veel vervuiling uit de lucht opving en voor ons zuiverde. Fijnstof bijvoorbeeld en andere rommel.
Ik keek hem glazig aan. Wat voor luchtvervuiling, vroeg ik me af? Ik ben niet alleen opgegroeid in de Bollenstreek, maar ook onder de rook van Schiphol. Verder heb ik naast de A27 gewoond én aan een drukke verkeersweg in Rotterdam. Wat kon hier in het rustige Wageningen in vredesnaam voor luchtvervuiling zijn?
Nee, zo simpel lag het allemaal niet. Gerard wist feilloos te vertellen dat de lucht ook hier best slecht was. Veel fijnstof bijvoorbeeld door al die mensen met houtkachels, vuurkorven en bbq’s, en wat dacht ik van de zooi in de lucht met oud- en nieuw?!
‘Maar het is coronatijd, er mag niet eens vuurwerk afgestoken worden!’ zei ik. Dat maakte voor hem niets uit. Gerard was duidelijk heel tevreden over zijn aankoop.
Zoals wel vaker, was ik minder enthousiast, wat hem frustreerde. Maar mij frustreerde het dat er ineens een apparaat stond dat herrie maakte. Ik kreeg het er koud van en ik irriteerde me aan het geluid. Alsof er steeds een stofzuiger in de hoek van de kamer stond, okay iets minder dan, maar toch!

In de nacht van Oud- en Nieuw barstte de bom. Gerard was in mijn beleving heel de avond bezig met zijn nieuwste speeltje (erg overdreven, ik geef het toe) en ik liep me er heel de tijd aan te ergeren. ‘Zet dat ding zachter,’ snauwde ik geregeld. Dat ging erg omslachtig. Via zijn mobieltje moest hij iets aantikken en dat lukte niet.
‘Trek de stekker er dan uit!’ Maar net op dat moment had hij de goede knop weer gevonden.
Om 12 uur ’s nachts ging ik met de kinderen naar buiten. Maarten en ik staken wat rotjes af van vorig jaar, en Janine had oude sterretjes. In de buurt werd volop geknald en er was nog behoorlijk veel vuurwerk te zien. Gerard bleef binnen, in de ‘frisse’ lucht. Toen wij ook weer binnen waren, stond de luchtreiniger te blazen als een stoomlocomotief. ‘Zie je nou hoeveel fijnstof er in de lucht hangt!’ zei Gerard. Ik zei niets. Ik was moe en liefst wilde ik meteen naar bed, er was verder toch niet veel te beleven. Ik stuurde de kinderen naar bed en ging zelf ook. Maar toen ik onder de dekens kroop, hoorde ik een inmiddels bekend geluid… de luchtreiniger!
Toen ging het mis. Ik werd boos en verzocht Gerard ‘dat ding weg te halen’. Hij werd ook boos. ‘Hoezo? In de zomer mag de ventilator er toch ook staan?’ ‘Ja dat is iets heel anders, dan is het bloedheet’, zei ik. Gerard vond dat nergens op slaan en werd nog bozer. ‘Je zeurt de hele tijd al over dat ding, ik haal hem wel weg hoor! En dan ga ik wel op de bank slapen beneden!’
Pff, het was 1 januari kwart over één ’s nachts en wij maakten nu al ruzie… gelukkig nieuwjaar!

De volgende dag, eigenlijk dezelfde, hebben we het gauw goed gemaakt. Ik kreeg een knuffel en een kus, en we hadden een goed gesprek op volwassen niveau. Gerard verdiepte zich weer in de gebruiksaanwijzing van zijn apparaat en werd er al gauw handiger in. De luchtreiniger bleek ook te werken zonder herrie. Het staat nu stil in een hoekje en doet wat ‘ie moet doen. Kortom, geen vuiltje meer aan de lucht. Wat zeg ik? Geen vuiltje meer bij ons IN de lucht!

PS Voor technische vragen over de werking van onze luchtreiniger, wil Gerard je graag te woord staan!

Lockdown met onze tieners

Gisteravond hebben we gehoord dat de lockdown weer verlengd wordt. Niet zo verrassend, na het ‘geheime’ overleg van de ministers afgelopen zondag. Wat is daar nog geheim aan? Steevast lekt er iets uit, of zouden ze dat misschien expres doen?

Het is alweer een maand geleden dat de tweede lockdown begon. De dag voorafgaand aan die persconferentie was ik een beetje zenuwachtig. Ik was net zo gewend aan de relatieve vrijheid, had helemaal geen zin om weer verplicht thuis te zitten met z’n vieren! Maar toen het hoge woord eruit was van onze premier, werd ik rustiger. Vier weken was ook weer niet zo lang. Bovendien was het toch al bijna kerstvakantie, dan zit je normaal ook met z’n allen thuis. We zouden wel zien.

Onze oudste tiener kwam al meteen thuis te zitten. Niet door corona, maar door een valpartij met z’n fiets bij school. Hij werd met kapotte fiets en al thuisgebracht door de vader van een klasgenootje, spierwit van schrik. Hij kon de week daarna amper lopen, dus naar school gaan was hem zonder lockdown ook niet gelukt…

In de kerstvakantie konden we niet met elkaar naar opa of oma, of gezellig naar het Openluchtmuseum. Daar had ik nou net zo’n zin in gehad. Maar onze tieners zaten er niet mee; die luierden er op los. Lekker lang in bed, nog langer in pyama, heerlijk! Maarten lag dankzij de valpartij sowieso al vaak op bed, vergezeld door één van onze poezen, die ook niet naar buiten te slaan was. Lekker filmpjes kijken of gamen, wat wil een tiener nog meer? Janine had er ook geen moeite mee om zich binnen te vermaken. Telefoon in haar hand, koptelefoon op, onbereikbaar voor vragen als: ‘Ga je nog naar buiten?’, of ‘Kom je eten?’

Normaal ben ik dit gedrag aan het eind van de kerstvakantie meer dan zat. Zo ook deze keer. Ik werd sacherijnig vanwege geklus in huis (sorry Simon en Irene). Moedeloos van onze hoeveelheid zooi, geen idee waar te beginnen met opruimen. Boos op Gerard die alleen nog maar meer spullen in huis haalde… (al kon hij daar eigenlijk niet veel aan doen. Het huis van zijn moeder moest leeggehaald worden en het woord weggooien staat niet in zijn woordenboek…) En ik vroeg mezelf hopeloos af: “HOE LANG moet ik die lockdown eigenlijk nog volhouden? Hoe lang zitten we nog thuis met z’n allen? Kan ik alsjeblieft een beetje ruimte krijgen voor mezelf?”

Die ruimte kwam vrij onverwachts, zomaar op een saaie doordeweekse dag. En dat ging ongeveer zo:

5.38 uur, de wekker gaat voor Gerard. Hij moet werken van 6 tot half 3, zijn werkschema wisselt ongeveer per dag. Hij installeert zich dan met zijn laptop in de huiskamer aan onze multifunctionele eettafel. Ik draai me nog even om in bed.

7.30 uur, de wekker voor mij. Onder de gezellige klanken van een raadspelletje op Radio 2, word ik moeizaam wakker. Is het nou nog steeds donker??? Toch maar gauw opstaan voor de kinderen.

8 uur. ‘Maarten, ben je wakker? Maarten, kom uit bed! (nog 5 keer herhalen). Maarten leg die telefoon weg, eet je brood op. Hoe laat begint je les eigenlijk, half 9? Het is nu twee minuten voor half 9… Schiet op, ga naar boven!’ Maarten geeft bijna nergens antwoord op. Hij verschanst zich achter zijn laptop, doet de deur hermetisch op slot en je moet maar hopen, dat hij echt de lessen volgt. Zo nu en dan stampt hij de trap af voor koek, limonade en boterhammen. Aankleden en tandenpoetsen doet hij alleen als hij daar zin in heeft.

9.45 uur. Janine, die ook achter de laptop haar lessen moet volgen, sluipt de trap op met een bak chips en zoute stokjes. Toevallig loop ik daar ook. ‘Lekker zeg,’ reageer ik verbaasd. Janine kijkt betrapt, en zegt gauw: ‘Oh mama, dit is niet voor nú hoor! Maar alvast voor als ik vanmiddag honger krijg of zo.’ Ja ja… een kwartier later is het bakje natuurlijk al half leeg. Ik geef haar een mandarijn en zet de chips op de kast. Eerst maar wat vitamientjes.

Ik heb geen baan, zoals dat heet. Ik faciliteer dat mijn man en kinderen kunnen werken en leren. Dus ruim ik de afwasmachine leeg, zet de wasmachine aan, stort me op een berg strijkgoed van twee en een halve week, haal boodschappen, ruim een kast op op zolder, breng twee vuilniszakken vol oude kleding naar het Leger des Heils, maak het eten klaar, lees mijn appjes uiteraard, en stort zo nu en dan in.

Maar die ene dag niet! Ik had bij het opruimen oude cassettebandjes gevonden met muziek die ik vroeger zelf opgenomen heb. En ik laat ik nou pas van een lieve zwager een radio-/cd-/cassettespeler hebben gekregen! Een uur lang is onze slaapkamer omgetoverd tot mijn privé-disco, en zing ik vrolijk mee met muziek van… The Police. Op ‘Shadows in the rain’ doe ik lekker mijn dansoefeningen, die ik zo vreselijk mis, en bij ‘Consider me gone’ raak ik bijna in trance van zoveel moois. Even ben ik weer jong, even geen mama die de lockdown moet doorstaan met man en tieners. Even geen zorgen hoe het allemaal verder moet, ik kan nog altijd zingen en dansen!

Ook al was dat dan maar even, sinds ik meer muziek luister, kan ik er weer beter tegen.

Naar mijn vader

Op Tweede Kerstdag ga ik met een dochter naar mijn vader. Vanwege de corona-maatregelen kan ik maar één kind meenemen. Hanna had haar opa het langst niet gezien, dus de keuze viel op haar. Gerard blijft thuis met de jongsten drie, lekker rustig. Onze Hanna is een prettige reisgenoot. Ze klaagt niet als ik mijn pasje weer eens kwijt ben, of als ik in mijn rugzak rommel, op zoek naar kauwgum. Dit in tegenstelling tot mijn geliefde… Verder houdt Hanna ook van lezen, schrijven en een beetje naar buiten staren in de trein. Net als ik.

Mijn vader woont in de buurt van Schiphol. Je bent dus wel even onderweg als je er met het OV heengaat, reken maar op twee-en-een half uur. Maar ach, we zitten hoog en droog in de trein. Mondkapjes op, afstand houden van andere passagiers, eigenlijk best relaxed.

Het was weer eens zo’n dag dat het maar niet licht werd. Ik ben daar geen fan van. Om nog enigszins aan onze vitamine D te komen, besluiten we om vanaf het station in S. naar mijn vader z’n huis te lopen. Een wandeling van ongeveer 25 minuten, deels langs de snelweg, deels door de buurt waar ik als kind gewoond heb. ‘Kijk, dat is ons oude huis’, wijs ik Hanna aan. ‘En dat is de Zandsloot, daar speelden we vaak’. In de zomer kon je er roeien of langs de kant op naar dingen speuren. In de winter leerde je daar schaatsen. Iets wat mijn kinderen tegenwoordig nog nauwelijks meemaken.

Een eindje verderop ruikt het heerlijk naar mest. “Kijk, bij die boerderij wachtte ik altijd op mijn vriendinnen, als we naar school gingen’. De boerderij staat erbij alsof er niets veranderd is in 40 jaar. Het witgeschilderde viaduct onder de snelweg door lijkt ook niets veranderd. Nog steeds dezelfde gladde klinkertjes op straat en graffiti op de muren.

Niet veel later bellen we aan bij mijn vader. Ik zie hem stram overeind komen en een beetje wankel door de kamer lopen. Maar met een grote glimlach zwaait hij de voordeur open. ‘Kijk, daar zijn de dames. Kom gauw binnen, want het is koud! Zijn jullie helemaal vanaf het station komen lopen?’ Hoofdschuddend gaat hij voor ons uit de warme woonkamer in; 24 graden wijst de thermometer daar aan. Een mooie oude mannen-temperatuur, zoals mijn vader dat noemt. ‘Maar die thermometer klopt niet hoor,’ zegt hij altijd als wij klagen over de warmte. ‘Trek er maar 2 graden van af.’ Waarom, dat is me nooit duidelijk geworden.

Mijn vader ziet er goed uit, maar hij zegt dat hij moe is. Iets wat hij tot voor kort nooit zei. ‘Wat wil je pap, je bent 89!’ zeg ik. ‘Ja, ja,’ zegt mijn vader en dan richt hij zich tot Hanna. ‘Jouw moeder doet net alsof ik al 90 ben. Dat zei ze pas nog, en dat ik daarom eerder voor een coronaprik opgeroepen word. Maar ik ben nog lang geen 90!’ Hanna lacht. Mijn vader ziet er inderdaad niet hoogbejaard uit, al trillen zijn handen en is hij gauw buiten adem. ‘Ach ja, dat hoort erbij’, zegt hij altijd als je daarnaar vraagt. ‘De dokter wil dat ik een foto laat maken in het ziekenhuis, maar ik zie er de noodzaak niet van in. Zolang het niet erger wordt…’

Wonderlijk hoe mijn vader zich herstelt na een aantal zware jaren. Zijn tweede vrouw was erg hulpbehoevend geworden, en hij stond dag en nacht voor haar klaar. Verpleging in huis was niet nodig; hij regelde het zelf wel. Met grote moeite hebben we hem zo ver gekregen dat hij een huishoudelijke hulp accepteerde, maar daar hield het dan ook echt mee op. Ruim een jaar geleden werd hij voor de tweede keer weduwnaar en dat viel niet mee. Toch is hij weer opgekrabbeld en geniet hij van zijn leven. ‘Meid, ik vermaak me wel hoor’, zegt hij, als je hem vraagt hoe hij zich voelt. ‘Alleen zijn is niet altijd leuk, maar ik heb genoeg te doen. En ik ben nog gezond, dus wat wil je nog meer?’

Na een poosje babbelen maak ik een rondje door het huis. Niet om te controleren of het netjes is, want dat is het er altijd. Met ijzeren discipline zorgt mijn vader daar welk voor. Mijn hemel, ik wilde dat ik wat organisatietalent van hem had geërfd! Dan zag ons huis er tenminste ook wat opgeruimder uit… ‘Ja hoor eens, een huis is om in te leven, en wij hebben kinderen’, zegt Gerard altijd als ik daarover klaag. Maar vroeger leefden wij toch ook? Hoe doet hij dat toch? En zijn tuin is ook altijd een plaatje. Zowel in de voor- als achtertuin staat alles op z’n plek. Vroeger wist hij zelfs de namen van elk plantje in het Latijn, dankzij de Fleur (een tijdschrift over bloemen en planten).

Een blik op een klok en ik ren naar beneden. Het is al 5 uur en ik zou koken! Tweede Kerstdag of niet, mijn vader wil om kwart voor 6 het eten op tafel. Ik ben niet zo’n keukenprinses, maar ik doe m’n best. Zelf-gedraaide gehaktballetjes, gebakken aardappels en groenten. En modern als ik ben, check ik m’n appjes tussendoor. M’n vader kijkt over mijn schouder mee naar de foto’s die ik heb gemaakt. Hij heeft ook een mobieltje, maar die gebruikt hij slechts voor noodgevallen. Foto’s maakt hij met een fototoestel.

Na het eten doen Hanna en ik de afwas, en mijn vader ruimt op. ‘Dat kunnen wij ook wel hoor, pap’, zeg ik, maar het maakt geen indruk. Stel je voor dat we de kopjes op de verkeerde plek zetten! Toch zien we dat hij echt moe is.

We maken ons klaar voor vertrek. Tot een paar jaar geleden bracht m’n vader ons dan naar het station, maar dat doet hij niet meer. Hij rijdt alleen nog bij daglicht naar de supermarkt, één keer in de week. Alle andere dingen doet hij met de fiets. Lopen lijkt wel het enige wat hem niet meer goed afgaat…

‘Zielig hè’, zegt Hanna, als m’n vader ons uitzwaait. ‘Helemaal alleen in dat grote huis…’ Ik herinner me ineens dat mijn opa ons óók zo uit stond te zwaaien, in zijn eentje. Toen vond ik dat ook zielig. Maar nú ben ik vooral trots op die vader van mij! Oud is hij zeker, toch kan ik nog een beetje kind zijn bij hem. Want het laatste wat hij altijd tegen mij zegt is dit:

‘DAG MEISJE!’

De dag voor de harde lockdown

De dag voor de harde lockdown – gisteren dus- begon net als zoveel andere dagen in december. Grijs en grauw, een beetje miezerig. De hele dag het licht en kerstlampjes aan om het wat gezelliger te maken.


Het was de laatste week voor de kerstvakantie. Normaal is dat best een drukke week; de traditionele kerstviering met de kinderen van de basisschool, oefenen voor een lied of toneelstukje in de kerk, kerstkaarten schrijven of in elk geval een poging daartoe doen. Maar vooral: het huis nog heerlijk een week voor mezelf voordat de kinderen elke dag thuis zouden zitten!

Vanwege corona was het allemaal al anders. Geen kerstviering met school, al helemaal niet met de kerk want die draaide nog niet eens, sombere berichten dat het aantal coronabesmettingen alleen maar toenam. En hoe zouden wij als gezin kerstmis gaan vieren? Zeker niet met z’n allen, zoals vorig jaar. Maar welke kind laat je komen als er maar twee of drie zijn toegestaan, en je hebt er zes?

Terwijl ik de was ophing en dit overdacht, voelde ik me onrustig. Ik ben redelijk gevoelig, ook voor veranderingen die in de lucht hangen. Ik maakte me er zorgen over en ergerde me aan Gerard…die zich op zijn beurt ook aan mij ergerde. We hebben beiden onze eigenaardigheden. Hij kan ontzettend lang doorgaan over eenzelfde onderwerp. Soms begrijp ik niet waar hij het over heeft, en dan haak ik af. Dan vindt hij dat ik niet naar hem luister en een soort tunnelvisie heb…spraakverwarring alom.
Zo had Gerard het er al dagen over dat het voer voor de duiven op was, en dat er dus nieuwe zakken gekocht moesten worden. Liefst zakken met inhoud van 20 kilo. Beetje zwaar achterop de fiets als je geen auto hebt…Hij wilde dus eerst een auto lenen, in combinatie met iets anders nuttigs. Maar ik wilde gewoon naar die winkel fietsen en dan kleinere zakken kopen. Gezellig toch, even samen er op uit?
‘Nee,’ zei Gerard, ‘dat ga ik niet doen. Helemaal niet handig.’
Okay, dan niet. Ik besloot om niet in discussie te gaan, maar mijn eigen plan te trekken. Ik ging gauw naar de bibliotheek, voordat de lockdown een feit zou zijn. En ’s middags dan op zoek naar een kerstboom.

Ik fietste naar een boerderijwinkel twee kilometer verderop. Ze verbouwen daar biologische landbouwproducten en je kunt er ook kerstbomen kopen. Je kunt ze zelfs ter plekke uit de grond halen. Dat had ik een paar jaar geleden gedaan. Aangezien het toen gevroren had, was de grond keihard. Ik was een uur bezig geweest om die boom eruit te krijgen!
Nu ging ik snel kijken naar de bomen die al klaar stonden. Het waren er niet veel meer. Je kon kiezen tussen kleintjes van hooguit 50 cm, of grote die ik lelijk vond en die toch nog 25 euro kostten.
Ik twijfelde. Belde Gerard op om te overleggen, en zag een onbekend nummer dat mij twee keer geprobeerd had te bellen (bleek achteraf van onze zoon te zijn). Ik aarzelde en koos uiteindelijk dan maar voor een kleine. Maar helemaal tevreden was ik niet.
Op dat moment kwam er een man in de winkel met een korte broek aan. Hij vroeg of er nog kerstbomen op het land stonden.
‘Nou, misschien nog een paar’, zei de verkoopster vaag. Op mijn opmerking dat ze bij de winkel zelf ook niet zoveel bomen meer hadden, zei ze:
‘Ja, dan moet u maar eerder komen. Volgend jaar in de agenda: direct na Sinterklaas een kerstboom kopen!’ Ofwel eigen schuld, dikke bult.
Ineens kreeg ik ook zin om naar dat stuk grond te lopen, waar ik destijds zo had staan ploeteren. Ik had geen schep, maar die ene man in de winkel pakte een riek of hooivork uit zijn auto. Wie weet zou hij me helpen.
Er stond een hele rij kleine boompjes, een aantal middenmaatjes, en een paar vrij volle bomen. De man plantte zijn hooivork bij zo’n volle boom, en begon te spitten. Het leek vrij makkelijk te gaan. ‘Als we toch 5 weken thuis moeten zitten, dan maar een leuke kerstboom,’ zei hij.
Ik was het helemaal met hem eens, dus keek ik nog eens goed rond. Hee, daar stond echt een mooi boompje! Precies het formaat dat ik wilde hebben, en stukken mooier dan die bomen bij de winkel. Ik hoopte dat de man met zijn riek even wilde helpen, en draaide me om. Maar hij liep al weg, met boom en al! Hij ging me helemaal niet helpen…
Tja, daar had ik niet op gerekend. Maar wacht, als hij die boom zo makkelijk uit de grond kreeg, dan kon ik dat vast ook wel. Ik ging gewoon met blote handen proberen te graven, op m’n knieën.
Het was heel anders dan de vorige keer, want ik kwam makkelijk de grond in. Vrij snel zat ik al bij de wortelkluit en ik groef lekker door. Probeerde de kerstboom eruit te trekken, nee dat lukte niet. Eerst wat draaien aan de stam en nog verder graven. Nog een paar keer trekken en draaien, ik kreeg er plezier in. En ja hoor, ineens was ‘ie los.
Trots sjouwde ik mijn uitgegraven boom naar de winkel.
‘Nou, ik heb een andere gevonden,’ zei ik. ‘Ik heb hem uitgegraven, en ik wil hem ruilen voor die kleine dat ik net had gekocht.’
De vrouw keek me ongelovig aan, al zag ze wel dat ik erg vieze handen had.
‘Waar staat ‘ie dan?’ vroeg ze.
Ik wees hem buiten aan, waar ik ‘m had neergezet.
‘Oh, nou zeg. Enne… wat had u voor die kleine betaald?’ vroeg ze. Ze leek niet vaak klanten te hebben die een boom met blote handen uitgroeven.
‘Nou, het is wel goed zo’, zei ze. ‘Neem maar mee’.

Blij als een kind liep ik terug naar huis. De kerstboom had ik zo’n beetje in mijn fietstas gezet, waardoor ik niet op het zadel kon zitten. Nou ja, wat kon mij het schelen, mijn dag was al goed!

Thuis aangekomen, was het meteen gedaan met de vreugde. Gerard deed de deur open. ‘Waar is Janine?’ zei hij. ‘De begeleidster voor Janine is er al, maar ze is weg!’ Oh boy, ik was totaal vergeten dat de begeleidster zou komen.
‘Ik ga haar wel even zoeken,’ zei ik gehaast. Ze zat vast in het speeltuintje vlakbij. Terwijl Gerard net de kerstboom van mijn fiets had gesjord en ik weg wou lopen, draaide er een auto ons plein op. Een onbekende meneer met een jongen én onze zoon van 13 stapten uit. Hij zag spierwit.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik geschrokken. ‘Ben je ziek of zo, of ben je gevallen?
Hij bleek te zijn gevallen met zijn fiets, en niet zo zachtjes ook. Er zat een flinke slag in zijn wiel, en afgezien daarvan kon hij nauwelijks lopen van de pijn…Vandaar dat hij gepoogd had mij te bellen. Wat een pech!

Diezelfde avond sprak onze premier ons ernstig toe dat Nederland op slot ging. Geen intelligente lockdown dit keer, maar een harde. Een hele lijst veranderingen, die we gelaten aanhoorden. Maar in elk geval hadden wij een leuke kerstboom in huis. En een kind dat mank liep, en zes cupcakes die Joelle en de begeleidster hadden gemaakt. Een bijzonder begin van de kerstvakantie, 2020.