Opgesloten

‘Mama, ik kan niet slapen, ik heb eng gedroomd!’

Ik schrik wakker van mijn dochter die ineens in onze slaapkamer staat. Moeizaam kom ik overeind. Ze heeft eng gedroomd, zegt ze, en daarna was ze bijna over één van de poezen gestruikeld op de overloop. Poes wilde naar buiten, maar mijn dochter kreeg de voordeur niet open. ‘Ik ga er wel even heen,’ zeg ik zuchtend. Eerst breng ik haar terug in bed en dan ga ik naar beneden om de voordeur open te doen.

Ik draai wat, wrik wat, trek wat aan de deur, maar ik krijg er geen beweging in. Wat gek! Poes moet dan maar door de achterdeur naar buiten. Slaapdronken kruip ik terug in bed bij Gerard, die niets van dit alles heeft gemerkt. Ik lig nog wel wat te piekeren wat er mis kan zijn met die deur, toch geen inbrekers…?

Een paar uurtjes later worden we wakker. Ik draai me nog eens om, maar herinner me dan het euvel met de deur. ‘Gerard, kan jij er even naar kijken?’ vraag ik. Als ik een tijdje later beneden kom, ga ik er al bijna van uit dat hij het wel opgelost heeft. Hij is veel technischer dan ik. Maar helaas… ook Gerard krijgt het niet voor elkaar. We kunnen de sleutel wel omdraaien, maar dan blijft ie ergens haperen. Wat nu? Kruipolie erin? Maar dan moet dat ook aan de buitenkant.

Ons rijtje huizen is zo gebouwd, dat we geen paadje achterom hebben. De achterdeur leidt naar de achtertuin en daarachter is een sloot. Niet handig in dit geval, we kunnen ons huis gewoon niet uit! Behalve door het klapraam aan de voorkant dan, wat Gerard met pijn en moeite voor elkaar krijgt. Ik geef hem het flesje olie aan door het raam en hij probeert het slot nu vanaf de buitenkant open te draaien. Maar helaas, zonder resultaat. Pfff…

We zoeken op internet wat we nu kunnen doen. ‘Kijk eens, er bestaat een Sleutelambulance,’ zeg ik even later opgelucht. ‘Met een half uur zijn ze bij je’. Gerard veegt dit voorstel resoluut van tafel. ‘Dat is vragen om problemen’, zegt hij. ‘Er staan zoveel slechte verhalen over die Sleutelambulance op internet Je wordt opgelicht waar je bij staat en ze zijn helemaal niet betrouwbaar’. Maar wat moeten we dan? Een slotenmaker in de buurt zoeken? Gerard blijft zijn twijfels houden, die vertrouwt hij ook voor geen cent. Nee, dan maar de winkel bellen waar het slot ooit gekocht is.

Foto door Max Bonda op Pexels.com

Dat bleek makkelijker gezegd dan gedaan. Eerst werd er niet opgenomen, pas een half uur later uiteindelijk wel. Maar zij konden niets voor ons doen en verwezen door naar een ander adresje. Die persoon nam eerst ook niet op en had vervolgens helaas geen tijd. Tja. Gerard en ik begonnen intussen al lekker geïrriteerd te raken over en weer. ‘Nou, dan bel ik de politie,’ bedacht ik ineens. Dat was een goede zet, want de politie dacht rustig hardop mee. Ze gaven me een lijstje met betrouwbare sleutelmakers in de regio, wat maar een handjevol was. En ik ging door met bellen, al kreeg ik er inmiddels hoofdpijn van. De ene nam niet op, de ander had geen tijd, pas het laatste bedrijf uit Nijmegen nam de telefoon op en belde daadwerkelijk met hun monteur. Ze hadden er eentje, maar die kon pas de volgende dag langskomen! Nee hè… ik voelde me zo opgesloten in huis door dat stomme kapotte slot. Ik werd er onrustig van. Hoe kon het nou ineens niet werken? Had iemand geprobeerd binnen te komen? De politie had daarnaar gevraagd en ik piekerde erover, ook al was er niets te zien. Stel je nou voor dat het afgelopen nacht niet gelukt was, en ze vannacht terugkwamen?! Hoe kon ik nou rustig gaan slapen?

Intussen hadden we wel een escape gevonden om toch naar buiten te kunnen: via het huis van de buren. Zij waren op vakantie, in dit geval een geluk bij ongeluk. Met een krukje in onze tuin konden we over de schutting klimmen naar hun tuin. Dan via hun achterdeur- woonkamer- gang en voordeur naar buiten. En vice versa als je weer naar binnen moest. Lekker omslachtig… We probeerden het tot een minimum te beperken. Superfijn dat we buren hebben die hier niet moeilijk over deden🙏!

Om een lang verhaal kort te maken; ik sliep toch wel goed die nacht, moe van alle stress. De volgende morgen vroeg stond er een aardige monteur voor de deur. Al snel had hij een diagnose; niet de cilinder maar het binnenwerk van het slot was kapot. En dat kon hij best maken, als hij tenminste het benodigde spul in zijn grote bus kon vinden. Er werd 5 minuten flink gerommeld in die bus en Gerard en ik vreesden al dat het niks zou worden. Maar nee, hij vond wat hij nodig had en ging aan het werk. Twintig minuten later was de klus geklaard, wat een opluchting!!! En ja het kostte wat, maar dan heb je ook wat.

Eind goed, al goed. Maar wat kan een mens door iets kleins toch al gefrustreerd raken, ik tenminste wel. En wat heerlijk dat er anderen zijn die je dan hulp geven! We zijn niet alleen op de wereld.

💕

Witte rozen

Een tijdje geleden kregen we een uitnodiging van het verpleeghuis van mijn vader. Er zou een herdenking zijn voor alle bewoners die het afgelopen jaar overleden waren. ’Weer een herdenking?’ dacht ik in eerste instantie. In november was ik ook al bij een herdenking geweest in de kerk, samen met Willemijn. Maar mijn broers hadden er wel oren naar, en ik gaf me dus ook maar op. De bewuste herdenking zou op 30 januari plaats vinden, precies op de overlijdensdatum van mijn moeder. Hoe toepasselijk, dacht ik, dat zou papa nog wel mooi gevonden hebben.

Die dag reed ik eerst nog even langs het oude lege huis. Ik ontdekte dat de diepvries met niets erin dik onder het ijs zag, dus die ben ik snel gaan ontdooien. Daarna heb ik de benedenverdieping gezogen, en liep ik nog even een rondje door het huis. Vervolgens reed ik naar Willemijn in Leiden. Daar zou ik eerst eten, en na de herdenking zou ik bij haar blijven logeren. Mijn broers hadden bij nader inzien toch afgezegd.

Raar hoestje

‘Wat heb je een raar hoestje, mam’, merkte Willemijn op. Ik had inderdaad een raar gevoel in mijn keel, maar voor de rest voelde ik me prima. Ik genoot ervan om er even uit te zijn en lekker voor me te laten koken!

Niet veel later reden we naar het verpleeghuis. Hoewel het donker was, zag het er van buiten zeer bekend uit. Alsof er niets veranderd was… We liepen naar de hoofdingang waar we vriendelijk ontvangen werden door een gastvrouw. Zij bracht ons naar een zaaltje waar we voorheen ook weleens koffie dronken met papa/opa. Herkenbare plek dus. Een kleine groep mensen zat er al te wachten, er was koffie en thee en er klonk mooie muziek. De geestelijk verzorger van het huis en de locatiemanager leidden de herdenking. Ze vertelden dat er dat jaar wel twintig mensen overleden waren, best wel veel voor een relatief klein verpleeghuis. Eén voor één werd elke overledene kort herdacht, een kaarsje voor hem of haar aangestoken en een mooie witte roos in een vaas gezet. Rustig en symbolisch. Ik keek het geheel eens rond en vroeg me af waarom ik niet verdrietig was. Links en rechts van me werden er tranen weggeveegd. Ik miste mijn vader echt wel! Maar hier leek het net alsof hij er gewoon nog was, alsof we hem zo meteen op de afdeling nog even welterusten zouden zeggen. 

Na afloop liepen mijn dochter en ik samen naar de bewuste afdeling; ofwel naar huisje drie. Op de deur van de kamer waar mijn vader had gewoond, hing allang een andere foto. Een andere bewoner die altijd in een rolstoel door de gang heen en weer reed, was ook overleden. Maar de andere bewoners waren er nog wel, en natuurlijk de vaste verzorgenden. Die begroetten ons heel hartelijk met een knuffel, alsof we oude bekenden waren. En zo voelde het eigenlijk de hele tijd ook.

‘Gezellig dat jullie er waren!’ zei de gastvrouw op het laatst. ‘En leuk dat je bij je dochter gaat logeren! Hier, neem allebei een roos mee. Één voor je vader en één voor je moeder.’ Dankbaar nam ik de rozen in ontvangst en moe maar voldaan reden we samen naar mijn dochters huisje.

P.S. Van dat gezellige logeren kwam niet veel terecht… ik werd ’s nachts heel ziek. Dat rare hoestje bleek de voorbode van een flinke griep! Mijn man kwam me de volgende dag maar ophalen, omdat ik niet in staat was om zelf te rijden. Inmiddels zijn we bijna twee weken verder en begin ik weer op de knappen. Mijn mooie witte roos was jammer genoeg snel verwelkt, omdat ik door de koorts vergat was om ‘m in water te zetten… Die van Willemijn heeft het langer volgehouden. En de gezellige logeerpartij; die doen we binnenkort nog maar eens over!

De uitruimers

Als het aan ons tempo zou liggen, dan zouden we misschien volgende jaar zomer klaar zijn met het huis leegruimen… Wat ging dat langzaam! Maar er lag ook zoveel leuks. Dan kwam ik weer een stel boeken tegen met een handgeschreven wens van mijn grootouders zaliger, of een doos met kerstversieringen uit de jaren zeventig. De bergruimtes op zolder lagen vol met verrassingen: radio’s uit de tijd van de tweede Wereldoorlog, mijn vader z’n originele legerkleding, zijn trouwkostuum inclusief hoge hoed, een restant spinnenwiel dat nog van van mijn moeder was geweest, twee retro parasollen, keurig opgeborgen in plastic hoesjes, koperen hangers die nergens bij leken te horen. Maar één van de leukste dingen die ik onder een laag stof tegenkwam, was het oude ledikantje waar wij alle vier ooit in geslapen hebben. Wit met prachtige in pastel geverfde spijltjes. Ik was op slag verliefd op dit pareltje, en nam ‘m mee naar huis. Met nog een stel andere dingen die ook te mooi waren om weg te gooien…

Maar zo schoten we natuurlijk niet erg op.

Het werd tijd om er hulp bij te zoeken. Mijn zus had op internet een paar uitruimbedrijfjes gevonden. Mijn ene broer en ik zaten op een dag klaar om twee van die bedrijfjes met elkaar te vergelijken. Want wat online heel mooi lijkt, moet in het echt natuurlijk nog maar blijken. De eerste man kwam keurig op tijd en liep meteen met ons het huis door. Het was een man van weinig woorden, leek het, en van opschieten. Na een kwartier (!) had hij het al gezien en beloofde hij er een mooie offerte te maken.

Het tweede bedrijf was ongeveer het tegenovergestelde… Ze kwamen te laat, of eigenlijk wisten ze niet eens precies meer wat de afspraak was! Maar ze namen een uur de tijd om rustig rond te kijken, vragen te stellen en ideeën te opperen. Aan hun bedrijfje zat een tweedehandswinkel gekoppeld, waar ze nog wel de nodige spullen van mijn vader konden verkopen. Zelfs het oude bankstel, waar wij geen stuiver meer voor gaven. Dat klonk leuk! Ondanks de rommeligheid in het begin, kozen we uiteindelijk voor dit bedrijfje. ‘De Haagse Harries’ noemde mijn broer ze, en dat bleek wel een goede typering. Heel sympathieke harde werkers, maar een tikje chaotisch. De eerste dag van het uitruimen, kon mijn oudste broer erbij zijn in huis. Maar op de tweede dag moesten ze zichzelf helpen. Met de regelmaat van de klok werd ik gebeld.. . ‘Hallo Rineke, ja daar ben ik weer hoor. Hoe zit het met…?’ en dan kwam er weer een vraag over het fornuis of een kast, of iets uit de garage. Waar het eerste bedrijfje het in 1 dag gefikst zou hebben (zei hij), deden deze er twee dagen over en toen was het nog niet klaar. Ik kreeg er hoofdpijn van!

Maar uiteindelijk was de klus dan toch geklaard. Ik was heel nieuwsgierig hoe het huis er nu uit zou zien… Leeg, hol en onherkenbaar? Ik trotseerde de files en reed weer naar het westen des lands. Net als anders parkeerde ik m’n autootje op het plein, en liep de garage in. Die was huge vergeleken met normaal, enorm ruim en leeg. En het huis zelf? Het eerste wat me opviel toen ik de keuken inliep, was het vertrouwde getik van een tijdschakelaar. Ooit zo ingesteld door mijn vader, omdat er altijd gekookt moest worden tussen 5 en 6…ach ja… Verder lagen er wat spullen in de gang, dingen die de uitruimers blijkbaar niet interessant vonden. Op zolder waren ze een kast vergeten, die je toch moeilijk over het hoofd kon zien kwa formaat! Maar verder viel het me ontzettend mee. Het huis was leeg. Leeg, maar toch warm en licht. Ik voelde me nog steeds welkom. Toch werd het tijd voor nieuwe bewoners. En wij, als kinderen, waren er klaar voor om het los te laten.

Dag huis!

Opruimen, wat een klus!

Allereerst welkom aan iedereen die mijn blog nu leest en denkt: ‘Hé, ze schrijft weer, dat is lang geleden!’

Het is inderdaad een poos stil geweest. Er was zoveel gebeurd, dat de lol van bloggen er zelfs af was. Mezelf rust gunnen en wat minder moeten was belangrijk om verder te komen. Het weer hielp goed mee om me terug te trekken… regen, regen en nog eens regen! Desondanks zag en zie je mij geregeld wandelen of hardlopen. Buitenlucht doet me goed, zelfs als het nat en koud is. Op een dag voelde ik dat ik weer boven water kwam. Meer energie, meer zin om dingen te doen in plaats van vooral de dag door zien te komen. Die lijn zet zich gelukkig voort. Dus ook zin en tijd om de pen weer op te pakken. Pen? Nou ja, laptop dan.

Precies een jaar geleden brachten we onze vader naar een verpleeghuis. Dat was niet zijn idee, maar hij legde zich er vlot bij neer, tot onze verbazing. Mijn vader heeft erg genoten van de goede zorg en de gezelligheid aldaar. Helaas ging hij sneller achteruit dan wij gedacht hadden… Zijn 92e verjaardag haalde hij nog net begin juni, maar drie weken later is hij overleden, als gevolg van een hersenbloeding.

In no time hadden we zijn kamer in het verpleeghuis leeggehaald. Zoveel stond daar niet in, het was maar een kleine ruimte. De spullen gingen terug naar mijn vaders oude huis. Dat huis stond er nog gewoon, alsof er niets gebeurd was. Het voelde vreemd en tegelijk vertrouwd om er te zijn. In het begin had je het idee dat m’n vader elk moment weer binnen kon komen lopen. Er stond een foto op tafel, waarop hij je vrolijk aankeek, net alsof hij nog iets tegen je wilde zeggen. De dementieklok ernaast was niet meer goed aan de praat te krijgen, alsof het ding aanvoelde dat ‘ie overbodig was. Ach, wat was alles toch snel gegaan…

‘Nu moeten jullie het huis zeker gauw leeghalen’, zeiden mensen tegen ons. ‘Wanneer wordt het verkocht?’ Diversen kenden wel iemand die er belangstelling voor had. Maar wij waren niet zo snel. We wonen allemaal een flink eind uit elkaar; van Nederland, Duitsland, tot en met Frankrijk en Amerika. Dat vraagt tijd en creativiteit om elkaar te ontmoeten en tot afspraken te komen. We lieten er enige maanden overheen gaan. Op een dag gingen we er echt voor zitten. Het zou een hele klus zou worden om het huis leeg te ruimen, ook emotioneel gezien. We hadden er allemaal jaren gewoond, onze moeder was er ziek geworden en daar overleden. Later, nadat mijn vader hertrouwd was, nam onze stiefmoeder ook het nodige aan spullen met zich mee. Als je bedenkt dat het een flink huis is met 5 slaapkamers en veel kastruimte… daar past veel in! En weggooien, daar deden ze niet aan. Ze hadden de nog oorlog meegemaakt, dus alles werd netjes opgeborgen en keurig bewaard.

Waar moesten we beginnen?

We begonnen maar met het verdelen van de meest in het oog springende dingen, zoals klokken, schilderijen, boeken, en fotoalbums. Fotograferen was een grote hobby van mijn vader geweest, en alles was keurig ingeplakt in mooie albums. Maar het waren er nogal veel! En wat zouden we doen met papa z’n kleren en schoenen? Zijn gereedschap, oude postzegelverzameling, oude filmapparaten, video’s, dozen vol dia’s, souvenirs uit verre landen, oude ansichtkaarten… Waarom bewaarden ze die überhaupt?! Ik heb tig ritten naar Sassenheim gemaakt om mooie dierbare spullen mee te nemen (ons eigen huis staat er nu vol mee). Natuurlijk namen mijn broers en zus ook het nodige mee en onze kinderen, nichtjes en neven idem, plus een lading naar de kringloopwinkel. Maar nog bleef er veel over.

Mijn oudste broer stortte zich vol overgave in het uitzoeken van de paperassen. M’n tweede broer begon met filmpjes en dia’s te laten digitaliseren. Ik had niet zo’n idee meer wat daarop stond, maar het resultaat was verrassend. Zo grappig om jezelf te zien touwtje springen als acht-jarige, en zo aandoenlijk om onze ouders arm in arm te zien wandelen. Er zijn zelfs bandopnames gedigitaliseerd van 60 jaar geleden. Daar hoor je naast onze ouders ook onze allang overleden opa’s en oma’s praten, én onszelf als baby huilen en brabbelen. Wat een kostbare herinneringen!

Weer een volgende stap was een makelaar uitkiezen. Dat kostte ook tijd, want wie is de beste? Degene die we uitgekozen hebben, gaat het hopelijk heel goed doen. ‘Onze’ makelaar heeft zin in de klus, maar had ook een dringend advies: ‘Jongens, jullie moeten het huis wel helemaal leegruimen hoor!’ En we dachten dat we al een aardig eind op weg waren! Opruimen is een lastige klus. Want afstand doen van de spullen van je ouders is afstand doen van je eigen verleden. En dat valt echt niet mee.

Intermezzo, appeltaart en stof

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: ik stop een poosje met bloggen. Niet omdat ik te weinig onderwerpen heb of geen zin meer heb, maar er is teveel ruis op de lijn thuis. Ik moet zoeken naar dingen die me helpen ontspannen. Schrijven helpt me daar meestal bij, en dat doet het nog. Maar nu even niet niet voor publiek. Dus helaas… even geen verslag van onze toestanden of mijn ervaringen met kleinzoon Tommie. Die kan inmiddels al kruipen trouwens en er is een wereld voor hem opengegaan. Over een maand mag hij zijn eerste kaarsje uitblazen, ongelofelijk hoe snel zo’n eerste jaar gaat!

Maar hierbij toch nog een laatste anekdote, om het even af te sluiten. En paar weken geleden was ik een appeltaart aan het maken. Alles met de hand natuurlijk, dan wordt zo’n taart het lekkerste. Ik deed mijn ringen af en legde ze op tafel in de huiskamer. ‘Niet per ongeluk opruimen hè?’, zei ik, terwijl ik het deeg begon te kneden.

‘Nee hoor’, zei Gerard. ‘Maar nu je het zegt… heb jij mijn trouwring toevallig gezien? Die lag daar ergens bij de fruitschaal, dacht ik.’

‘Hoezo?’ vroeg ik verbaasd. Gerard zei dat hij ‘m afgedaan had toen hij ging korfballen. Dat doet hij altijd. Hij wist zeker dat ie ‘m ook deze keer in huis neergelegd had, maar toch kon hij ‘m niet meer vinden. Dat was raar, ik werd een beetje boos. Stom dat ik het zelf nog niet had gezien dat hij zijn ring niet droeg. Want toen ik even narekende wanneer hij voor het laatst gesport had, was dat niet twee dagen geleden, maar wel anderhalve week geleden. Hoe dom van Gerard om zo lang niets te zeggen!

Ik begon diezelfde avond te zoeken in kastjes en op plankjes, achter boeken, schaaltjes en los fruit. Gerard heeft het talent de dingen zodanig op te ruimen, dat hij ze zelf nergens meer kan vinden. Meestal vind ik het wel terug, maar dit keer niet. Terwijl de appeltaart het hele huis lekker deed geuren, liep ik me op te winden over zijn slordigheid. Onze trouwring nota bene, hét symbool van onze liefde in goede en slechte tijden. En hij deed er nog laconiek over ook! Het is maar een ding, had hij gezegd…

De volgende dag was ik jarig, vandaar die appeltaart. Het bezoek zou pas eind van de dag later komen, dus ik had nog ruim tijd om op te ruimen. Hoewel ik jarig was, liet de kwestie trouwring me niet los. Op een gegeven moment bedacht ik dat ik de stofzuigerzak maar eens moest legen. Het leek me niet erg waarschijnlijk dat ik een ring ongemerkt op had gezogen, maar dan wist ik tenminste zeker dat ik overal gezocht had. Ik nam de volle stofzuigerzak mee naar buiten, voelde her en der vanaf de buitenkant en ging er toen in snuffelen. Drie maal raden wat daar lag te blinken tussen het stof en alle haren: Gerard z’n ring! Plus nog een paar stuivers, een knikker en een kapotte wasknijper. Ik was ontzettend opgelucht en grabbelde hem eruit. Maar ik zei niks tegen Gerard. Ik stopte de ring in een broekzak met een ritsje ervoor, om zeker te weten dat ‘ie niet nog een keer kwijt zou raken. En… om Gerard nog even te laten bungelen in onzekerheid.

Foto door cottonbro studio op Pexels.com

Nou, ik zat er meer mee dan hij geloof ik. Maar na twee dagen heb ik hem de ring weer om zijn vinger geschoven. Hij was er blij mee, maar ook verbaasd dat ik ‘m in de stofzuigerzak had gevonden. ‘Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren’, sprak hij plechtig uit. En: ‘Waarschijnlijk heb je ‘m zelf opgezogen, want jij doet dat meer dan ik!’

Tegenwoordig let ik beter op wanneer hij gekorfbald heeft. Je weet toch maar nooit. En verder… ga ik een poosje rust nemen en hopelijk nieuwe inspiratie opdoen. Eerst maar wat stof van me af laten glijden.

Tot later! En als dat te lang duurt, kun je me ook mailen of langskomen.

Geen ritme

Het is alweer de tweede helft van september. De herfst is nog ver te zoeken, hoewel het vandaag regent en de kastanjes beginnen te vallen. De blaadjes van de bomen verkleuren en het is ’s avonds snel donker. Maar qua temperatuur lijkt het nog wel zomer. Zonder jas naar buiten kan nog best, en dat was vroeger nooit zo als ik bijna jarig was!

Na een aantal weken school, zouden we nu wel weer in het ritme moeten zitten. Zo was het meestal ja, maar dit jaar dus niet. Met een kind in de jeugdhulpverlening, loopt alles anders. Vanwege de privacy van onze dochter en ons, ga ik niet op de problematiek in. Maar geloof me dat het complex is, en voorlopig nog niet opgelost.

Je mag blij zijn dat je zo snel hulp hebt gekregen, zeggen sommigen. De wachtlijsten in de jeugdzorg zijn vreselijk. En inderdaad, ik ben blij met de mensen die voor ons klaar staan! Maar nog liever had ik dit hele gedoe niet gehad. Moedeloos staarde ik een maand geleden naar de tijdschriften in de wachtkamer, wachtend op ons eerste intake gesprek. Lukraak pakte ik een blad, sloeg het open en vond daar een verhaal over een jonge vrouw met buikvlieskanker… Oei, het kan altijd nog erger! Maar blij werd ik er natuurlijk niet van. Dat werd ik ook niet van de intake. Lieve help, een spervuur van vragen werd op ons afgevuurd. Ik had medelijden met onze dochter, en ook met onszelf. Het leek ineens niet zo ontzettend lang geleden dat we met een ander kind bij de hulpverleners zaten, en nu weer. Maar veel tijd om daar bij stil te staan, was er niet. Er werd doortastend opgetreden. Dit en dat vermoedden ze dat er speelde, zus en zo stelden ze een behandeling voor, inclusief medicijnen. Voor we het wisten, stond er een vervolgafspraak gepland en daarna zouden we meteen begeleiding krijgen. Nou, genoeg om eerst wat te laten bezinken.

Ze mag maar halve dagen naar school, was een van de eerste adviezen, en ook liever niet met de fiets. Eerst bekeek ik dat soort adviezen nog vanuit mezelf, zeg maar vanuit een gezond persoon. ‘Oh maar dan mist ze zo veel!’ En: ‘Wat is er mis met een lekker fietstochtje?!’ Maar zo werkt dat nu niet bij onze dochter. Na een paar hele dagen school, stortte ze al in… Ze heeft geen energie en geen concentratie, dat was ons al verteld. Soms duurt het even voor het tot je doordringt dat die adviezen niets voor niets zijn. Een mens is soms hardleers. Ik dacht destijds precies hetzelfde toen onze andere dochter niet naar college kon: ‘Oh nee, dan mist ze van alles!’ Dat was achteraf gezien helemaal niet het grootste probleem, en het is helemaal goed gekomen. Maar nu staan we aan het begin van een ander proces, en dat is wennen.

We worden intensief begeleid, dat is nodig voor het herstel van onze dochter. Maar het vraagt veel van ons. We moeten alert zijn op haar signalen, op één lijn staan als ouders, voorspelbaar zijn, ingrijpen bij teveel stress enzovoorts. Heel wat do’s en dont’s passeren de revue. We doen heel erg ons best, maar ik word er ook ontzettend moe van. Niet alleen daarvan, wordt me steeds verteld. Je bent ook nog in de rouw over je vader en het hele afgelopen jaar was nou niet bepaald rustig. Meer dan logisch dat je zo moe bent, want het is alles bij elkaar echt zwaar.

Foto door Matheus Bertelli op Pexels.com

Op een avond bracht ik Janine naar bed, net als elke avond. Net als anders bleef ik even bij haar zitten, gewoon om er nog even te zijn. En toen viel ik in slaap, met mijn hoofd op haar bed. Ik begon meteen te dromen, en met veel moeite werd ik weer wakker. Het leek wel of ik een uur geslapen had! Maar dat was niet zo, zei Janine, die zelf nog wakker was. Het was even de omgedraaide wereld, wie brengt wie nou eigenlijk naar bed? In elk geval was ’t duidelijk dat ik omviel van de slaap. Ik ben die avond dan ook maar gauw naar bed gegaan om bij te slapen, en de avond daarop nog een keer, en nog een keer. Met mijn energie en concentratie is het inmiddels ook niet meer zo super.

Om goed voor een ander te zorgen moet je goed voor jezelf zorgen. Dat hebben we intussen vele malen gehoord. Een open deur, als je het mij vraagt. Maar zo eenvoudig is het nog niet. Als er een beroep op mij gedaan wordt, dan reageer ik daarop. Niet nodig, zegt de begeleidster, je kunt het ook aan een ander vragen. Of niets doen, niet meteen op zoek naar dat ene T-shirt van zoon of het OV pasje van dochter. Zo leer ik elke dag weer wat, in een poging om een nieuw evenwicht te vinden hier samen. Wish me luck! Als een soort antwoord daarop verscheen er gisteren een prachtige regenboog, precies toen ik m’n dochter naar de bus bracht. Ik kreeg er niet genoeg van om ‘m op de foto te zetten. Er is hoop, dacht ik, er is nog altijd een God die over ons waakt. Hoe moe ik soms ben, elke dag zijn er toch lichtpuntjes om weer door te kunnen gaan. Ik wens ze jou als lezer ook toe, in wat voor omstandigheden je ook zit.

Oppassen geblazen

Nu we het toch over kinderen en opvoeden hebben, kan ik ook wel wat vertellen over mijn belevenissen met onze kleinzoon. Het mannetje is inmiddels bijna 10 maanden, niet te geloven hoe snel dat gaat! Nog even en hij is een jaar oud.

Tommie heeft de afgelopen zomer twee keer bij ons gelogeerd. Dat ging best goed. Voor hem was het natuurlijk wel spannend, want normaal pas ik bij hem thuis op. De eerste keer schrok hij van die zware basstemmen van zijn grote ooms, en klampte hij zich als een aapje aan mij vast. Hij schrok ook van onze poezen die hier door de kamer liepen. De poezen deden ook niet bepaald heel aardig tegen hem… ‘Wat is dat voor rare snuiter?’ leken ze uit te drukken met hooghartige blikken. Aaien werd dan ook niet gewaardeerd. Tommie kwam in hun territorium, dat was duidelijk. Maar goed, wij zijn hier de baas, dus de poezen moesten maar naar buiten.

Foto door Ninz Embalsado op Pexels.com

Oppasservice oma Rineke ging deze week voor het eerst sinds een tijdje weer bij Tommie thuis oppassen. In alle vroegte begaf ik me in het verkeer, tussen alle andere mensen die naar hun werk reden. De zomervakantie was voorbij, dat was duidelijk te merken op de snelwegen. Wat een verademing om na zo’n rit het rustige straatje van mijn dochter en schoonzoon in te rijden! Toen ik uitstapte, zag ik Tommie al zitten in de kinderstoel. Hij lachte. Een kaal bolletje heeft hij nog, ook nog geen tandjes, maar eten is helemaal geen probleem. Het ene na het andere hapje brood werd naar binnen gestopt. Mama Irene had hem pindakaas en appelstroop gegeven. Ondanks zijn slabbetje, zat hij er behoorlijk onder… maar dat was zo weer weggeveegd. Irene nam afscheid van haar lieve kind en ging naar boven, home office zogezegd. Tommie heeft dat tot nu toe niet in de gaten.

En hoe is het om zo de hele dag op zo’n jongetje te passen? Relaxed vergeleken met thuis zijn. Even geen tienerperikelen, geen was of andere klus, geen gepraat. Ik volg gewoon het programma van Tommie, dat bestaat uit eten, spelen, moe worden, slapen, een schone luier krijgen, flesje drinken, wandelen en dat dan weer overnieuw. Tommie leeft zich helemaal uit nu hij kan kruipen, of liever gezegd tijgeren. Hij schuift op zijn buik de kamer door en werpt intussen betoverende lachjes naar z’n oma. Alles wat hij pakt is speelgoed voor hem, het is dus wel oppassen geblazen! Ondertussen de krant lezen, is er niet bij. Niet alleen z’n boekjes en rammeldingen zijn leuk, ook de deurstopper of de veters van mijn schoen of de afstand bediening van de tv. Alles stopt hij in z’n mond, zelfs die deurstopper. ‘Goed voor zijn weerstand,’ zeggen zijn ouders schouderophalend als ik het later vertel. Ach ja, onze kinderen deden dat vroeger zelf ook. Maar in tegenstelling tot vroeger vind ik het nu een beetje vies. Maar hoera: ik hoef hem niet op te voeden, dat doen zijn ouders!

Na een poosje is Tommie uitgespeeld, en moet hij naar bed. Hehe, even rust. Terwijl ik relaxed met koffie op de bank zit, komt Irene naar beneden. Ze heeft pauze. Nog een voordeel van thuis werken; gezellig samen koffie drinken. Als het goed is, zou Tommie nu minstens een uur slapen. Maar nee hoor, alsof hij geen tijd te verliezen heeft, wordt hij veel eerder al wakker. Verder slapen zit er echt niet in, dus ik haal hem uit z’n bedje. Pauze voorbij, maar daar ben ik tenslotte ook voor gekomen.

Aangezien het fantastisch weer is, gaan we lekker wandelen. Met Tommie in de wandelwagen loop ik naar het dorp. De winkel is niet zo dichtbij als thuis, bijna 25 minuten lopen in plaats van vier. Maar ik geniet onderweg van de weilanden om me heen, koeien in de wei en mooie boerderijen. Tommie geniet ook. Als een echte jongen kijkt hij elke auto en fietser geïnteresseerd na. Eigenlijk kijkt hij naar alles wat beweegt, ook de bomen met hun ritselende blaadjes. Die bomen geven gelukkig wat schaduw, want het is ontzettend warm voor september. Ik zet mijn zonnebril op, waarna Tommie eindeloos naar me blijft kijken en lachen. Zo schattig, wie vindt dit nou niet leuk?

Als ik bijna aankom in het dorp, spreekt een vrouw me aan. Het valt me op dat mensen dat veel sneller doen, als je als met een klein kind loopt, of met een hond. ‘Zo zo, ben je helemaal uit Loenersloot komen lopen?’ vraagt ze. Ik weet niet eens waar dat precies ligt, maar dat maakt haar niet uit. ‘Heerlijk weer he’, babbelt ze verder. ‘En nu ga je zeker de andere kinderen van school ophalen?’ Ik moet lachen. ‘Andere kinderen? Nee hoor, dit is mijn kleinzoon.’ ‘Oh je bent alweer een fase verder’, concludeert ze. Ze moet zelf ook weer verder met haar bezigheden, zegt ze, en neemt vriendelijk afscheid. Mijn dag kan ondertussen niet meer stuk; dat ze mij voor de moeder van Tommie aanziet! Ze moest eens weten… bijna 58 en vaak zo moe van alles en iedereen. Het leven is soms een hele klus.

De rest van de dag komen we ook goed door. Op zulke dagen is oppassen een makkie. Natuurlijk is het ook weleens pittiger, als Tommie zijn dag niet heeft of ik niet. Maar meestal rij ik tevreden weer naar huis. Totdat ik voor Utrecht de file in rijd… Tja, ook dan is het oppassen geblazen, maar dan toch heel anders.

Wat is er toch met mijn kind?

Heel lang geleden, in de jaren tachtig van de vorige eeuw, studeerde ik pedagogiek in Utrecht. Daar woonde ik ook op kamers. Ik studeerde klinische pedagogiek en géén orthopedagogiek, dat waren toen verschillende richtingen. Tegenwoordig heet het gewoon pedagogische wetenschappen. We hadden colleges en werkgroepen, maar je moest ook veel thuis doen aan de studie. Een heel verschil met de middelbare school, waar alles toch min of meer voorgekauwd werd.

Ik had onder andere voor pedagogiek gekozen, omdat ik opgroeien zelf niet zo’n makkie vond. Althans, in de puberteit. Het leek me leuk om ouders en gezinnen te helpen. Ik had wel zo mijn ideeën waar het mis gelopen was bij ons thuis c.q. wat er voor verbetering vatbaar was geweest. Ik was een ijverige student. Naar colleges gaan vond ik leuk, ik zat altijd aantekeningen te maken en lette goed op. Niet dat ik er nog heel veel van weet trouwens. We kregen college van knappe heren zoals professor Lubbers en professor Kok, en leerden over zelfverantwoordelijke zelfbepaling (theorie van professor Langeveld) en opvoeden in historisch perspectief. In die tijd lazen wij uitsluitend boeken en readers, ook wel klappers genoemd. Die laatsten stonden vol wetenschappelijke artikelen, gekopieerd en gebundeld in een zogeheten reader. Ik heb er nog steeds een stel op zolder staan, weggooien vond ik zo zonde. Uiteindelijk heb ik wel wat boeken weggedaan. Maar er waren er een paar, die wilde ik bewaren. Eén daarvan draagt de mooie titel: ‘Wat is er toch met mijn kind?’ Het boek, geschreven door professor Kok, is goed leesbaar voor ouders en heerlijk toegankelijk. Niet simpel maar wel een verademing naast alle theoretische pedagogiekboeken. Het ging over bijzondere kinderen – en hun ouders – die bij hem in de praktijk kwamen. Hij gaf die kinderen toepasselijke namen, zoals Gert de stuurloze raket, Bartje Vormvast en Maartje, die door haar moeder een hollewaai werd genoemd, een doodgoed kind maar een flodder. Het zal je gezegd worden! Ik had nog nooit van het woord hollewaai gehoord. Het betekent iets als met alle winden meewaaien, nooit goed nadenken over wat je zegt. Typetjes die ik nooit vergeten ben.

Foto door Allan Mas op Pexels.com

Ik ben helaas nooit zo ver gekomen dat ik zelf een pedagogische praktijk opgezet heb (alhoewel, zes kinderen opvoeden is een hoop werk!). Het kwam ook nooit in me op dat die professoren of docenten misschien zelf wel een moeilijk kind hadden, laat staan zelf ooit een soort Bartje Vormvast waren geweest. Ik had ze op een voetstuk staan, die hoog opgeleide geleerden en hulpverleners. Zij wisten hoe je moest opvoeden.

Vele jaren later ben ik heel blij met alle mensen die een stukje mee hebben gelopen, als het hier thuis niet goed ging. Ondanks alle kennis uit mijn studie, zat ik geregeld met de handen in het haar. “It takes a village to raise a child” zegt een Afrikaans gezegde. Meestal gaat het wel goed als je als ouders je best doet en wat netwerk om je heen hebt (familie, buren, vrienden). Maar soms was de draaglast groter dan de draagkracht en dan hadden we hulp nodig. Opvoeden is echt niet niks! Deze zomer ging het niet goed met onze jongste dochter en ik dacht vaak aan dat boek: Wat is er toch met mijn kind? Maar nog meer: wat heeft ze nu nodig? Want dat laatste heb ik inmiddels wel geleerd, net zoals ik zelf heb moeten ontdekken wat ik als moeder en Rineke nodig heb.

Tja, komen die oude boeken toch nog van pas. Het is leuk om er doorheen te bladeren, ik herinner me meer dan ik dacht. Maar ik lees de teksten wel met een andere bril dan in de tijd dat ik studeerde. Letterlijk, omdat ik toen contactlenzen had en nu allang een multifocale bril 🙂 En figuurlijk, want je hoeft geen professor te zijn om je kinderen op te voeden. Met een heleboel liefde en gezond verstand kom je al een heel eind, toch?

Lieve Irene, Hanna, Johan, Willemijn, Maarten en Janine: wat ben ik blij dat ik jullie moeder mag zijn 💕

Not so Easy Jet

Het is alweer bijna een maand geleden dat ik in Londen was. Voor het eerst van m’n leven, wat een happening! Samen met m’n jongste dochter zou ik erheen vliegen. Mijn zus reisde vanuit Frankrijk met de trein, dochter Willemijn vloog er een paar dagen voor ons al heen. Gezellig met z’n vieren een lang weekend, van donderdag tot zondag. Om het haar soms wat chaotische moeder wat makkelijker te maken, had Willemijn onze tickets geboekt. Ik had ze uitgeprint en verder al haar instructies gelezen. Het moest goed gaan. Ik was zenuwachtig en Janine nog erger, ze zag er bleek van. De dag van tevoren wilde zij niet eens meer mee… zou ze een voorgevoel hebben gehad? In elk geval wist ik haar te overtuigen toch wel mee te gaan op ons avontuur naar Londen.

Gerard bracht ons naar het station, en de treinen reden op tijd. Bepakt en bezakt kwamen we zodoende ruim op tijd aan op Schiphol. Eerst even een koffietje en een kop thee gehaald, en toen door naar de incheckbalies. Ik heb niet zo vaak gevlogen in m’n leven, en Janine nog nooit, dus we moesten wel even zoeken naar hoe en waar het allemaal was. We gingen in de rij staan voor de incheckbalie, en waren na zo’n 10 minuten aan de beurt. De dame achter de balie sprak alleen Engels – logisch natuurlijk. Ze keek naar mijn paspoort en de uitgeprinte kaartjes en begon met een collega te overleggen. What was wrong?!

‘Hoe oud is je dochter? 13? Dan moet ze een paspoort hebben.’ zei de Nederlandse collega. Een paspoort? Juist omdat ze 13 is, heeft ze nog alleen maar een identiteitskaartje. ‘Tja dat geldt binnen de EU wel’, zei de meneer, ‘maar niet in Engeland. Komt door de Brexit he!’ Oh, en nu? ‘Jullie moeten naar de marechaussee, en daar dan een nooddocument laten maken. Hopelijk halen jullie je vlucht nog, succes!’

De aanwijzingen van waar die marechaussee dan zat, waren nog niet zo eenvoudig. Schiphol is groot en druk in de zomervakantie en alles bij elkaar was het heel verwarrend. Toen ik die marechaussee eindelijk gevonden had, legde ik alles zenuwachtig uit aan een rustige loketbeambte. Die had wel vaker met dit bijltje gehakt. Een nooddocument dus, ik had er nog nooit van gehoord maar dat moest toch wel te regelen zijn? Op zich wel, ware het niet dat Janine 13 was en zodoende schriftelijke toestemming van haar vader moest hebben! En hoe kwamen we daar dan aan? Zo: 1.ga terug naar huis…of 2. laat je man hierheen komen, of 3. bel je man, leg hem uit dat hij met zijn paspoort naar het politiebureau gaat en daar dan ook een kopie van afgeeft. Zij moeten dat dan in een mail naar de marechaussee van Schiphol sturen, pas dan konden ze het noodpaspoort gaan maken. Pffff. Alleen al Gerard zien te bereiken kostte moeite. Hem vervolgens het verhaal uitleggen ook! Maar gelukkig bleef hij kalm en zei dat hij het ging regelen, wat al heel wat was. Janine kon intussen vast pasfoto’s laten maken daar, maar verder had zij niets te doen. Ze baalde als een stekker en wilde naar huis. En ik wachtte af; het enige wat ik kon doen was alvast een formulier invullen.

In de tussentijd kwamen er meer toeristen langs met hun problemen. De één had haar paspoort thuis laten liggen, de ander was zijn portemonnee met alle mogelijke pasjes kwijtgeraakt in de trein onderweg naar Schiphol! Ook door die anderen werd er gestresst gebeld en gelaten gewacht, schrale troost voor ons. Ik voelde voor een tijdje wat echte vluchtelingen dus overkomt. Je wil ergens heen maar je bent je pas kwijt, hebt de goede papieren niet, dus je mag gewoon niet verder, en dan?! Dan maar wachten en wachten, hopend en biddend dat de autoriteiten wat regelen voor je…

Uiteindelijk na anderhalf uur kwam het verlossende mailtje van de politie uit Wageningen binnen, en kon er eindelijk gestart worden met dat noodpaspoort. Een heel leuk roze ding, wat slechts geldig was voor dit ene weekend. Erg blij dat we het hadden, maar we hadden onze vlucht grandioos gemist! Wat nu dan? Het huilen stond me inmiddels nader dan het lachen… We liepen samen weer naar de balies van Easy Jet. Heel aardig personeel hoor, niets op aan te merken. Maar een nieuwe vlucht boeken kon daar niet, dat moest ik zelf online regelen. Ik snapte er eerst niks van en we gingen even naar een rustige hoek voor probleemgevallen. Ondertussen tig appjes sturend naar mijn zus en Willemijn, die met spanning afwachtten wat er nu ging gebeuren. Er zat niets anders op dan een nieuwe vlucht te boeken dus, maar de eerstvolgende zat al vol. Die daarna kon nog wel. Maar uiteindelijk lukte het boeken toch niet, omdat ik met Visa moest betalen, en die heb ik niet! Dus weer terug naar de balie van Easy Jet. Die verwezen me door naar een andere algemene balie een eind verderop. Werkte ook niet. Nóg weer een andere balie, een zogenaamd onafhankelijk punt van waaruit je wel kon boeken… als je maar flink betaalde dus! Ik was het al behoorlijk zat en Janine bleef maar zeggen dat ze naar huis wou, maar dat leek me nog steeds geen goed plan. Dan zou dit als één grote mislukking in haar herinnering komen te staan, en dat gunde ik haar niet. Als we er eenmaal zouden zijn, zou ze het toch leuk vinden?! Ik besloot dus maar een nieuwe vlucht te boeken, al baalde ik verschrikkelijk van het geld dat ik eraan uit moest geven.

In plaats van kwart over 11 stegen we uiteindelijk rond zes uur ’s avonds op. Bijna helemaal achterin in een vliegtuig, nog benauwder dan de trein. Ik snap werkelijk niet hoe makkelijk andere mensen in een vliegtuig stappen, ik vind het idee zo eng! Janine ook, maar we hielden elkaar goed vast, en ik sprak haar tegen wil en dank moed in. Wat erg hielp was dat ik bij het raampje zat, én dat er achter mij een moeder met 2 kleine kindjes zat. Alsof het de normaalste zaak van de wereld was, babbelde zij tegen haar zoontjes, en dat was erg kalmerend. Uiteindelijk ging de vlucht prima en konden we ontspannen. Netjes op tijd landden we op een vliegveld ver buiten Londen, dus de reis zat er nog steeds niet op. Koffer van de lopende band halen, in de rij bij de wc, kaartjes kopen voor de shuttle trein en metro, gedoe daar weer met mensen die dachten dat ik mijn betaalpasje was vergeten, maar dat was ik helemaal niet enzovoorts.

Nee, de reis was allesbehalve Easy. Voorgoed weten we nu dat ID-pasjes niet werken in Engeland, die les hebben we geleerd. Voorlopig boek ik ook geen vliegreis meer, tenzij er een noodgeval is, laat mij maar met de trein dan of met de boot. Maar het weekend zelf in Londen was geweldig, overwhelming, super!!! Mede dankzij mijn lieve zus, nichtje en dochters. Nogmals heel erg bedankt voor alle gezelligheid samen meiden!

Heimwee in Oostenrijk

Het duurde dit jaar langer dan anders voor ik m’n draai gevonden had. Ik sliep niet zo lekker, het bed was hard, de kinderen sliepen ook al niet super. Ik voelde me er ineens schuldig over dat ik mijn gezin meer dan 1000 kilometer over de snelweg had meegesleept. Ik wilde zo graag naar Oostenrijk, nou dan moest ik het ook wel leuk vinden toch? Maar ik miste het Wow!gevoel wat ik vorig jaar meteen had toen we aankwamen. Het uitzicht uit ons huisje toen was zo geweldig, elk uur van de dag was het weer anders en fascinerend. En het was zo rustig overal om ons heen. Hier kijken we naar een veel minder hoge helling. Ook mooi hoor, maar anders. Je ziet elektriciteitsdraden boven de bomen hangen en verderop een kabelbaan. Hier is wel een dorpje op loopafstand met winkels en een mooi zwembad. Ook veel meer Gasthäuse om ons heen, zelfs een Jugendhotel schuin tegenover op de helling met schreeuwende, zingende en voetballende tieners. Allemaal niets mis mee. Waarom loop ik zo te vergelijken, waarom ben ik dan niet zo blij?

Na een poosje wist ik het: ik had heimwee… Heimwee naar wat? Naar mijn geboortestreek, naar het verzorgingshuis waar mijn vader woonde, naar de tijd dat hij nog leefde… Ik herinnerde me hoe hij altijd lachte als je op bezoek kwam. Vaak zat hij in de huiskamer op zijn eigen plekje. Krant op schoot, kop koffie of een glaasje wijn naast hem op een tafeltje, en de ogen dichten voor een hazenslaapje. De andere bewoners, vooral dames, zaten ook altijd op hun vaste plekken. De tv stond vaak aan, ook al keek niemand ernaar. Gemopper van de dames als je te hard praatte, want dan konden ze de tv niet horen. Maar wat had mijn vader het er naar zijn zin! Dat zei hij ook heel vaak tegen ons. En dat terwijl hij absoluut niet naar een verpleeghuis wilde. De laatste weken liggen nog zo vers in mijn geheugen. De plotselinge achteruitgang, het dwalen, vallen, dag en nacht naar de wc lopen, en toen de klap van het herseninfarct.

Foto door Vlad Cheu021ban op Pexels.com

Als je op vakantie bent in een compleet andere omgeving, ben je enerzijds afgeleid door al het nieuwe. Anderzijds neem je alles met je mee wat je aan herinneringen hebt, en dat was nogal wat! Het hielp mij om daarbij stil te staan en het te benoemen. Het mocht er zijn, de mooie herinneringen én het gemis. Vervolgens kreeg ik langzaam wel zin om deze omgeving te verkennen. Het hoefde toch ook niet hetzelfde te zijn als vorig jaar, we hadden toch niet voor niets een andere regio uitgekozen? Dus trok ik de wandelschoenen aan, en ging op verkenning. Ik maakte de anderen warm voor een eerste echte bergwandeling. Dat was meteen een flinke klim omhoog. Maar we hadden mooie vergezichten, en er stond een Berghütte waar we lekker wat ‘konden gebruiken’. Niet dus… die was gesloten, en dat in het hoogseizoen! We konden ook niet met de kabelbaan naar beneden vanaf dat punt, ze verkochten geen kaartjes halverwege de berg. Er zat niks anders op dan dezelfde weg terug te lopen, onder gemopper van deze en gene.

De tweede wandeling was minder steil zijn, alleen begon het na vijf minuten al te spetteren. ‘Ach, zo’n buitje trekt wel weer over,’ zei ik optimistisch. Vergeet het maar, deze bui bleef uren hangen. We liepen dapper door, totdat we honger kregen. We schuilden onder het bladerdak van bomen, totdat ook die alle regen doorliet. Vlakbij was gelukkig een heerlijk naar hooi ruikende boerenschuur, daar konden we in elk geval even schuilen. De regen hield helaas niet op, en de wandelweg liep dood; door een storm de week ervoor waren veel bomen omgevallen/afgeknapt. ‘Nicht betreten. Lebensgefährlich!’ stond er op het bordje. Dus weer terug langs dezelfde weg. Maar het laatste stuk was toch verrassend leuk, een pad langs een bulderend riviertje met grote rotsblokken en watervalletjes.

De dag na de tweede wandeling bezochten we een leuk plaatsje, waar ik met ons gezin vroeger gekampeerd had. Ik was verrast hoeveel ik nog herkende toen we door de straatjes van de stad liepen. De bakker, de slagerij, een winkel met klederdracht (die was er toen ook al!) en natuurlijk de kerk. Nog blijer werd ik toen ik op goed geluk de dichtstbijzijnde camping op zocht. Dat was ‘m! Daar hadden wij dus gekampeerd. Ik zag ons nog zo spelen op de camping met andere kinderen. M’n moeder liep in een trainingsbroek rond en een groeen truitje, en mijn vader zorgde voor de orde in en rondom onze tenten. Dat moest ook wel met vier kinderen. Hij was toen degene die z’n familie 1000 kilometer meesleepte voor die ene plek in Oostenrijk. Met andere woorden; ik heb het van geen vreemde! Mijn vader genoot ook intens van de bergen en alle vergezichten. Mijn moeder trouwens niet; die had hoogtevrees en was altijd erg bang als we langs steile hellingen reden. “Niet zo dicht langs de rand, Ad!” riep ze keer op keer. Zelf werd ik achterin zo misselijk door al die haarspeldbochten, dat ik me voornam later NOOIT met een auto de bergen in te gaan. En afgezien van de lange reis, hou ik me daar ook aardig aan; wandelen en bergbeklimmen is veel leuker. Kijk zelf maar naar de foto’s hoe mooi het hier is.