Het hoofd boven water houden

Foto door Valeria Boltneva op Pexels.com

‘Begin de dag met een dansje, begin de dag met een lach.
Want wie vrolijk kijkt in de morgen, die lacht de hele dag.
Ja, die lacht de hele dag.’


Dit liedje was jaren geleden te horen bij radio Gelderland, als begintune van een programma dat om 7 uur begon. Heel irritant vond ik het. Ik ben niet zo’n ochtendmens; ik hou niet van vrolijke liedjes op dat tijdstip en al helemaal niet van een dansje doen als je net wakker bent! Maar het is wel blijven hangen.

Degenen die mij wat beter kennen, weten dat ik niet altijd supervrolijk ben. Ik heb af en toe last van depressieve buien, al zie je dat niet altijd aan me. Vroeger als kind had ik dat niet, maar ik was wel heel gevoelig. Ik dacht over allerlei dingen na. Als wij op vakantie waren bijvoorbeeld, werd ik na anderhalve week al droevig. Niet omdat ik heimwee had, maar omdat we dan over de helft waren, zó fijn vond ik het om te kamperen! En als het Goede Vrijdag was, durfde ik bijna niet naar de kerk. Ik werd zo verdrietig van al die liedjes over het lijden van Jezus. Stel je voor dat ik ging huilen, dat wilde ik natuurlijk niet. Huilen was iets voor kleine kinderen, niet voor meisjes van 9…

Als je zelf nooit depressief bent, is het moeilijk voor te stellen hoe dat voelt. Ik heb eens een boek gelezen van iemand die zich graag beter in wilde leven in mensen met een depressie. Dus reserveerde hij 3 dagen in zijn agenda om depressief te zijn. Hij ging er speciaal voor vroeg naar bed, plande helemaal niets en probeerde zo somber mogelijk te zijn. Maar hoe hij ook zijn best deed en hoe negatief hij ook probeerde te denken, het lukte hem niet.
‘Zie je wel? ‘ was zijn conclusie. ‘Als je je voorneemt om depressief te zijn, dan zul je merken dat het niet lukt!’
Misschien heb ik het niet 100% goed onthouden, maar in grote lijnen kwam het hier op neer. Nou, zo werkt het natuurlijk niet. Als je nooit weeën hebt gehad, weet je ook niet hoe die voelen. Ook al lees je er informatie over en doe je aan zwangerschapsgymnastiek, pas tijdens een bevalling weet je hoe weeën ongeveer voelen (overrompelend pijnlijk).
En zo is het ook met een depressie: je weet pas hoe het is als je er last van hebt.

Maar goed, inmiddels heb ik in mijn leven heel veel geleerd, dus ook hoe ik daarmee om kan gaan. Elke dag een ritme aanhouden bijvoorbeeld, op tijd naar bed en gezond eten. Niet zo verrassend. Wat ook helpt is… naar buiten! Lekker wandelen, met Gerard bijvoorbeeld of met een vriendin. Of in m’n eentje, en dan blikjes en andere rommel oprapen, ook erg helpend om mijn hoofd leeg te maken. Hardlopen doet me ook erg goed. Ik zit tegenwoordig zelfs bij een hardloopgroepje en train twee keer in de week. Verder luister ik graag naar muziek, en soms ga ik iets creatiefs doen, zoals Diamond painting (iets met kraaltjes plakken, een heel precies werkje). Allebei erg rustgevend. En zo kom ik de dagen wel door als ik in de put zit.
Ik hoef vast niet uit te leggen dat deze tijd van regels en discussies over (anti)coronamaatregelen níet bijdragen aan vrolijk zijn.

Waar ik wel vrolijk van word, is mijn volwassen kinderen opzoeken. Wat een zegen toch als je die hebt! Familie neemt je gewoon voor lief, ook al doe je zeurig of irritant (toch?). Lekker eten, kletsen of herinneringen ophalen. Afgelopen weekend was ik op pad met mijn oudste zoon. We gingen eerst naar Irene en haar vriend, en daarna naar mijn vader. Ik had met enige bluf gezegd dat ik daar wel voor eten zou zorgen, maar ik was zo moe geweest de dagen ervoor. Ik had niet eens energie om iets te verzinnen!
‘Misschien heeft opa wel zin in patat’, opperde Johan. Mmm lekker, maar naar de snackbar op zondag? Ik twijfelde eraan of mijn vader dat zou willen, want vroeger mochten we ’s zondags nog geen ijsje kopen. Maar ik had het mis: hij vond het geen enkel probleem. Dus liepen Johan en ik naar de dichtstbijzijnde Tomas Patat, zoals mijn vader elke snackbar noemt. Het was er niet druk. We bleven even voor de vitrine staan om te bedenken wat we wilden bestellen.

‘Kom maar verder hoor’ zei de dame achter de toonbank. ‘Jullie hoeven geen anderhalve kilometer afstand te houden, anderhalve meter is genoeg!’ Daarmee was de hartelijke toon gezet. Heel wat anders dan de lijst voorschriften die her en der opgehangen waren tegen de verspreiding van het coronavirus. Haar man nam de bestelling op en gaf toelichting op wat wat was. Elke snackbar heeft tenslotte zo zijn eigen assortiment.
Toen ik een groentekroket bestelde, vroeg de man: ‘Wil je een vegetarische groentekroket of eentje met vlees?’
Een vegetarische groentekroket of eentje met vlees? Niet begrijpend keek ik hem aan. ‘Met van die rundvleesdraadjes erin’ voegde de man toe. Sinds wanneer doen ze rundvlees in een groentekroket? dacht ik. De vrouw haastte zich om de verwarring op te lossen. ‘Hij bedoelt of je een vegetarische wil of een veganistische, die hebben we ook’, zei ze. Dat stond echter niet op de menulijst.
‘Oh, nou doe mij maar een gewone groentekroket’ zei ik. Ik was nog steeds in de war over het idee van een vegetarische groentekroket met rundvlees.

Kijk, daar kan ik nou zo enorm van opknappen! Simpele dingen doen, verrassende vragen krijgen, familie om me heen. Daarom schrijf ik het hier maar eens uitgebreid op, nog voordat we vanavond weer een persconferentie krijgen met nieuwe – al dan niet uitgelekte – maatregelen…

Foto door cottonbro op Pexels.com

Wachten tot je een ons weegt

Mijn dochter voelde zich deze zomer een poosje niet lekker en daarom gingen we naar de huisarts. Die gaf ons een verwijzing voor de kinderarts in het ziekenhuis. Ik belde op voor een afspraak; half oktober konden we terecht. Half oktober?! Het was toen net augustus!
‘U kunt ook naar een ander ziekenhuis gaan, als het u te lang duurt’, adviseerde de dame aan de telefoon. Janine wilde überhaupt niet naar een dokter in wat voor ziekenhuis dan ook, dus ik heb het maar op half oktober laten staan. Zelf had ik ook niet zo’n zin om naar een andere stad te gaan.

Toen Janine eindelijk aan de beurt was, had ze inmiddels al andere klachten… maar goed. De kinderarts nam de tijd, luisterde aandachtig en deed diverse tests. Ze stelde voor om bloed te laten prikken en een hartfilmpje te laten maken. Ze had een licht ruisje bij het hart gehoord, waarschijnlijk onschuldig, maar toch goed om even te checken. Uiteraard kon dat allemaal niet diezelfde week, maar een week later. Dat viel me nog mee. Onze dochter vond het maar niks, maar wij vonden het wel geruststellend dat ze haar eens onderzochten. Ze zag zo vaak witjes en ze had vaak hoofdpijn.
Drie weken na de onderzoeken zou de uitslag besproken worden, via een telefonisch consult. Als er echt iets bijzonders was, zouden ze wel eerder bellen. Geen bericht, goed bericht. Dat zei mijn vader vroeger ook altijd als wij – elders in het land op kamers – lange tijd niet belden. Mijn moeder maakte zich sneller ongerust dan hij, maar mijn vader wuifde haar zorgen dan weg. En meestal klopte dat ook.

Vijf dagen van tevoren kreeg ik een herinneringsmail van het ziekenhuis over het telefonische consult. Wij zouden gebeld worden; dringend verzoek om zelf niet te gaan bellen. Drie dagen daarna kregen we nog een herinnering. Als we het nú nog zouden vergeten, onmogelijk!

Gerard en ik hadden het erover welk telefoonnummer ze eigenlijk zouden bellen. We hebben allebei een 06-nummer en we hebben ons ouderwetse vaste nummer nog.
‘Wat heb jij doorgegeven?’ vroeg ik, aangezien hij de eerste keer mee geweest met Janine. ‘Oh, daar is toen niet om gevraagd; vermoedelijk wat bij onze gegevens staat’ zei hij, ‘maar anders bel je even op, om dat te checken.’
Daar had ik op dat moment niet zo’n zin in en later kwam ik er niet aan toe. Ik ging er voor het gemak vanuit dat mijn nummer in het systeem staat, aangezien ik het meest bereikbaar ben. Hij heeft een enorme hekel heeft aan telefoneren. Als er een telefoon gaat, neemt hij die 9 van de 10 keer niet eens op! Bovendien is zijn mobieltje aan z’n eind. Die ligt de hele dag aan een oplader en dan nog valt ‘ie elke keer uit, ook al staat de batterij op 100%. Niet erg handig.( De vervanger laat nog even op zich wachten.)

Op de bewuste dag zat ik op het juiste tijdstip klaar met 3 telefoons. Gerard had nachtdienst gehad en lag te slapen. Het was stil in huis en het bleef stil… Na een kwartier nog geen telefoontje, na een half uur ook niet en na drie kwartier nog steeds niet. Tja, wat nu? Ondanks dat er in de mail stond dat je NIET naar het ziekenhuis moest bellen, belde ik het algemene nummer, moest een kwartier in de wacht hangen en kreeg toen eindelijk iemand te pakken.
‘Hé, wat raar’, zei die mevrouw. ‘Ja, ik zie dat de afspraak nog niet afgehandeld is. Dus de arts zou in principe nog kunnen bellen’. Ik vond het ook raar. Ik kon toch niet de hele ochtend thuis gaan zitten wachten?
Een uur later werd ik gebeld door een assistente van de kinderarts op ons vaste nummer. ‘Dag mevrouw, de arts heeft geprobeerd u te bellen, maar u nam niet op!’
‘Hoe kan dat nou?’, zei ik verbaasd, ‘ik zit hier met 3 telefoons naast me en ik ben de kamer niet uit geweest!’
Dat vond zij ook vreemd. Ik informeerde welk nummer er gebeld was. Dat was die van mijn man. Nee hè! Niets van gemerkt – trouwens in de belhistorie stond geen gemiste oproep. Ik gaf haar mijn 06-nummer en ze zou kijken wat ze voor me kon doen. Ze zou me later terugbellen.

Een tijdje later kwam Gerard uit bed. ‘En, wat zei de kinderarts?’ vroeg hij. Ik vertelde hem dat die ons niet kon bereiken met zijn telefoon. ‘Waarom belt ze dan ons vaste nummer niet?’ zei hij verbaasd. ‘Heb je gevraagd waarom ze dat niet gedaan had?’
Eerlijk gezegd was dat nog niet in me opgekomen. Ik hoopte maar dat de assistente snel zou terugbellen! Maar helaas, twee uur later nog steeds geen telefoon.

Ik was intussen behoorlijk geïrriteerd door dat wachten en binnen zitten en besloot een ommetje te gaan maken. Met mijn prikstok en vuilniszak natuurlijk, altijd nuttig bezig zijn is mijn verslaving. Het was een mistige herfstdag, heerlijk om buiten te zijn. Ik wandelde, prikte blikjes uit de struiken en keek af en toe op mijn telefoon. Totdat ik zag dat ik een oproep had gemist! Hoe dan? Hij zat gewoon in mijn jaszak met het geluid aan! Wat was er aan de hand vandaag?
Anderhalf uur later, toen ik allang weer thuis was, ging de telefoon weer. Nu was dat zeker weten die kinderarts, dacht ik. Ik griste mijn mobiel van de tafel, begon vrolijk te praten… en zag tot mijn schrik dat de verbinding verbroken was. Wat was er nu weer mis gegaan?! Terugbellen leverde ook niets op: het centrale nummer.

Het eindigde ermee dat een licht geïrriteerde assistente later belde met het verwijt dat de arts tijd voor ons neemt, dus dat we dan wel bereikbaar moeten zijn. Detail: de assistente belde steeds met ons vaste nummer en dat werkt dus prima. Waarom deed die arts dat dan niet?

Vandaag was er een nieuwe afspraak voor ons ingepland. Inmiddels is er een uur verstreken en hebben we – allebei thuis- nog steeds geen telefoon gehad van het ziekenhuis. Nou, ik weet het nu niet meer, dit is wachten tot je een ons weegt (en dat is, zie eerdere blogs, geen gezonde ontwikkeling). Dan maar weer gewoon terug naar de huisarts met onze dochter? Want daar ging het uiteindelijk om!

PS De aanhouder wint 🙂 Nog weer drie kwartier later belde de kinderarts op. Het valt allemaal wel mee gelukkig, maar ze wil onze dochter toch even volgen. Okay!

Moela- het vervolg

Onze oude wasmachine moest vervangen worden, voordat hij spontaan uit elkaar zou knallen Hij maakte met de dag meer lawaai! Waarschijnlijk waren de lagers versleten en die laten repareren was nogal een duur iets. Het leek beter om maar een nieuwe te gaan kijken.
Normaal doen wij vrij lang over de keuze van zoiets nieuws, maar in dit geval niet. Heel ouderwets misschien hoor, maar wat is een huisvrouw zonder wasmachine? Ik moest er niet aan denken. Ik gaf Gerard een week de tijd om op internet naar een nieuw apparaat te zoeken. Zelf vergeleek ik verschillende modellen op websites en liep een witgoedwinkel binnen. Daar stonden de prachtigste wasmachines op een rij. Wat een aanbod! Welke zou bij ons passen? De verkoper deed ijverig zijn best om mij een mooi (en duur) apparaat aan te praten, maar ik kon niet beslissen. Eerst nog maar eens met het thuisfront overleggen, zei ik.

Na enige discussie besloten we het over een andere boeg te gooien. Iemand had ons op het idee gebracht om een tweedehands wasmachine te kopen, Refurbished zogezegd. Volgens de omschrijving van diverse grote aanbieders zijn die ook prima. Vakkundig nagekeken, gerepareerd, van nieuwe onderdelen voorzien en geheel gereinigd. Goed voor het milieu en goed voor de portemonnee. Dat sprak ons wel aan en we besloten de gok te wagen. En snel dat het ging! De ene dag bestelden we een nieuwe wasmachine, de volgende dag werd ‘ie al geleverd.
Twee mannen kwamen de nieuwe brengen en namen de oude mee. De wasmachine werd aangesloten in onze douchecel, en meteen op het heetste programma gezet om goed schoon te spoelen. Daarna zouden we direct kunnen gaan wassen. Ik was reuze benieuwd. Ik zag wel meteen een kras op de zijkant en de knopjes op het bedieningspaneel waren een beetje vies. Ons ouwetje zag er nog mooier en schoner uit, dacht ik spijtig. Maar ja, deze Moela zou vast wel beter zijn.

‘Wat stinkt het hier!’ was het eerste wat ik dacht, toen ik een tijdje later de douchecel weer in kwam. Het rook naar schimmel en niet zo’n klein beetje ook. Ik riep Gerard erbij of hij het ook rook. Dat deed hij, wat vreemd.
‘Er zit wel wat schimmel op het plafond,’ zei Gerard. Tja, dat was mij ook al opgevallen. Zou het kunnen dat die ineens ging ruiken doordat het hier flink warm was geworden? Twijfelend snuffelde ik in de buurt van de wasmachine, die rook ook niet helemaal fris. ‘Voor de zekerheid nog maar een keer op 90 graden laten draaien’, dacht ik.
Het hielp niet veel. Er hing na afloop nog steeds een vreemde lucht. Maar we namen de proef op de som en gooiden onze vuile was in de machine, op hoop van zegen.
Gek genoeg kwam die er wel schoon uit. Zou het dan toch het plafond zijn?

Foto door Max Vakhtbovych op Pexels.com

In de dagen erna gingen we ijverig aan de slag met dat plafond. Gerard maakte het eerst voorzichtig schoon, en zette een extra ventilator neer om de boel daar droger te krijgen. Het hielp wel iets. Een dag later ging ik nog rigoreuzer te werk met chloorachtig spul. Als er NU nog schimmel op het plafond bleef zitten, dan wist ik het niet meer! En verder maar weer die ventilator aan, een paar dagen achter elkaar. De kinderen begonnen te klagen dat ‘ie herrie maakt, en ze klaagden ook over de chloorlucht die lang bleef hangen. Uiteindelijk haalden we de ventilator maar weg. De wasmachine deed het verder toch wel goed.

Toch rook het niet meer zo fris als voorheen in de douchecel Wat was er toch aan de hand? Zou er schimmel in de waterleiding zitten of zo, was de hele vloer verrot en moesten we alles openbreken? ‘Welnee’, zei Gerard, ‘dat is onzin. Misschien liggen er wel stinkende washandjes in de wasmand.’
Dat vond ik op mijn beurt weer onzin, ik hield de was heus wel bij! Maar wat veroorzaakte die lucht dan wel?
In een helder moment haalde ik na een week het zeepbakje van de wasmachine eruit. Die leek schoon, op wat zwarte plekjes na. Ik maakte ‘m helemaal schoon met een oude tandenborstel en schoof ‘m er weer terug. Maar de dag erna zag ik weer zwarte dingetjes in het zeepbakje zitten. Waar kwam dat nou vandaan? Ik haalde ‘m eruit en rook een vage schimmellucht. Toen pakte ik een zaklamp, en scheen in de ruimte waar het zeepbakje hoort te zitten. Tot mijn schrik zag ik daar flink wat zwarte schimmel zitten, en nog wat geelgroene uitlopers ook.
‘Kijk nou eens!’ riep ik naar Gerard. Die keek verbaasd. Zou dat de reden zijn van de vreemde lucht? Zoveel was het toch niet? Ik maakte er een paar foto’s van, met het idee die op te sturen naar de winkel. ’s Nachts kon ik er niet goed van slapen, maar op een gegeven moment hakte ik de knoop door. Ik zou de winkel de volgende dag bellen om de wasmachine te ruilen. We zaten tenslotte nog binnen de garantietermijn van 30 dagen.

Zo gezegd, zo gedaan. Ik moest twintig minuten aan de lijn hangen voor ik een medewerkster te pakken kreeg, maar goed. Ze luisterde naar mijn klacht en vroeg wat ik nu wilde. Nou, dat leek mij eenvoudig; een goed werkende en schone wasmachine natuurlijk! Daar kon zij in meegaan en alweer was het snel geregeld. De schimmelwasmachine zou opgehaald worden en wij kregen een andere. En ja hoor, nog geen vierentwintig uur later stonden ze al op de stoep. Twee andere mannen, die benieuwd waren waarom we voor een refurbished kozen. We legden het uit, maar gaven aan dat dit geen succes was geweest. Ze leefden met ons mee. ‘ Als deze nou ook niet werkt, zou u ook een ‘tweede-kans wasmachine kunnen nemen mevrouw’, zei eentje van de twee. ‘Tweede kans? Dit is toch al de tweede kans. Als deze het ook niet goed doet, wil ik gewoon een nieuwe!’ zei ik.

Maar goed. Onze nieuwste refurbished wasmachine is mooier dan de vorige, en de schimmellucht is geheel verdwenen! De was ruikt ook een stuk frisser, heerlijk hoor. Het enige wat je nu ruikt is rubber. Laten we hopen dat dat de nieuwigheid is van een pas vervangen onderdeel…

Moela… er is geen betere!

Leeftijdsgenoten van mij weten vast wel waar deze slogan vandaan komt. Ik wil geen reclame maken voor wasmachines, dus ik heb er maar een gekke naam aan gegeven. Ik zou ook <Puntje puntje laat je niet in de steek< boven deze blog kunnen zetten, een slogan uit dezelfde periode. Tegenwoordig hoor je niet veel reclame meer voor wasmachines. Iedereen is waarschijnlijk al voorzien.

In de loop van de jaren hebben we de nodige wasmachines versleten. Toen we net getrouwd waren hadden we er niet eens een. We woonden we in een flat met een gezamenlijke wasruimte. Best grappig, ging je met je mand vuile was naar beneden in de hoop dat één van de wasmachines leeg was. Net als op een camping. Toen we al een dochtertje hadden en ik in verwachting was van de tweede, verhuisden we naar een grotere flat (drie hoog zonder lift). Daar kwam al gauw een eigen wasmachine in te staan. Tweedehands en met een losse centrifuge die veel lawaai maakte, maar ik was er heel blij mee. De meisjes ook. De wasmachine stond in de keuken, en Irene en Hanna keken graag door het raampje naar de ronddraaiende was. Dat was leuk! Ze hadden nog de leeftijd van loopfietsjes, en reden vrolijk rondjes van de keuken naar de huiskamer, door de gang en dan weer naar de keuken.
Toen Johan geboren was en ik het met 3 kindjes best wel druk had, zette ik hem vaak met Maxi Cosi en al op de wasmachine. Dat had zo z’n voordelen: hij werd slaperig van alle geluiden van de was, ik hoefde niet te bukken om een speentje te geven of een speelgoedje, en zo werd hij niet omver gereden door zijn grotere zussen. Maar dat vertelde ik niet op het consultatiebureau, want die hadden het natuurlijk erg onverantwoord gevonden. Gelukkig is hij nooit van die wasmachine af gevallen!

Foto door cottonbro op Pexels.com

De wasmachine draaide heel wat keertjes in de week. Met kleine kinderen die katoenen luiers droegen en verder ook het nodige vies maakten, ging het hard. En er was alweer een baby op komst! Mijn schoonmoeder keek het hoofdschuddend aan; de flat werd te klein, de auto ook, en al die oude spullen van ons… dat kon toch nooit goed gaan?!
Toen we goed en wel verhuisd waren naar een huis met een tuintje, kochten m’n schoonouders een nieuwe wasmachine plus een droger voor ons. Heerlijk was dat en ook erg handig, zo’n droger! Alhoewel… al snel ging ik onze schone was toch buiten hangen. Waarom ook niet, we hadden toch een tuin? En boven op zolder droogde alles ook vrij snel. Een wasdroger slurpt energie, hadden wij inmiddels ontdekt. Een gezin met 4 kinderen heeft heel wat nodig, en veel geld hadden we niet. Besparen wat er te besparen viel dus.

We hebben jaren met die wasmachine gedaan, het was een goeie. De droger werd weinig gebruikt tot verdriet van m’n schoonmoeder, bleef het daardoor veel langer doen dan de wasmachine. Want na x jaar begaf de wasmachine het… De garantietermijn was al verstreken en na een paar reparaties gaven wij het op. Ik had zóveel was, ik moest de beste wasmachine hebben die we konden betalen, vond ik. Dus die kwam er, en ik was er heel blij mee! Hij was veel stiller dan de vorige en alles kwam er veel droger uit. Al kreeg ook deze kuren en moesten we er een reparateur bij halen. De goede man liep alles na, en viste uiteindelijk een paar haarspeldjes uit de afvoer… ‘Oh, die zijn van mijn dochters’, probeerde ik nog als excuus. Maar de reparateur zei streng: ‘Nee mevrouw, wij zijn de volwassenen, wij moeten alles checken voordat we het in de machine gooien!’ Ik zal zijn opmerking nooit vergeten.

Met uiteindelijk zes kinderen waste ik vaak meerdere keren per dag. Later werd dat gelukkig minder, al namen de studerenden nog lang hun wasjes mee naar mams. Geen probleem, met liefde liet ik alles weer schoon wassen door mijn apparaat.


Mijn vader heeft een wasmachine die het al 40 jaar doet, liefkozend het wasmeisje genoemd. Ongelofelijk, vroeger had je nog echt kwaliteit! Tegenwoordig is er geen wasmachine meer zo robuust, hoeveel geld je er ook voor neerlegt. Ook die goeie van ons ging gek doen. Hij begon te schudden en te dansen op de vloer. Al wassend verschoof ‘ie steeds meer van plek, en dingen die er los op stonden vielen er af. En al eerder rook de schone was niet meer zo fris. Soms zaten er vlekken op de kleren die er vóór de wasbeurt niet op hadden gezeten (een verschijnsel dat wasluis heet). Daar zijn heel wat leuke shirtjes door verpest. Ten slotte werd het centrifugeren steeds meer lawaaierig. Het was niet om aan te horen, het viel me nog mee dat de buren niet kwamen klagen! Het leek bijna of er een raket op steeg, en ik maakte me ongerust. Straks ploft dat hele ding nog eens uit elkaar! zei ik tegen Gerard.

Dit keer gaf hij me redelijk snel gelijk dat er een andere nodig was. We hebben gekozen voor een ‘Refurbished’. Ofwel niet zomaar een tweedehandsje, maar één die vakkundig gerepareerd is en voorlopig weer mee kan. Hoe lang precies, dat kunnen ze er niet bij zeggen. We nemen de gok. Meer kinderen gaan er toch niet komen, en het is goed voor het milieu om spullen te hergebruiken. Voor ons doen was het wonderlijk snel geregeld.

Eén ding viel een beetje tegen… ineens rook de hele douchecel naar schimmel. Maar wacht eens, er zat ook wel erg veel schimmel op het plafond! Dat zou toch niet door de nieuwe wasmachine gekomen zijn?

(Wordt vervolgd 🙂

Brugklasser anno 2021

Het leven van een brugklasser gaat niet over rozen… Dat van haar ouders ook niet, maar dat is weer een ander probleem.
De overgang van de vertrouwde basisschool naar een onbekende middelbare school is groot, hoe goed ze dat tegenwoordig ook op proberen te vangen met meedraaiochtenden, kijkmiddagen en kennismaking met de klas voor de zomervakantie. Allemaal goed bedacht en beter dan niks; toch moet een brugklasser zo ongeveer weer bij nul beginnen.

De eerste week hielden we onze adem in toen onze dochter voor het eerst wegfietste. Dikke tas achterop, losse haren en daar ging ze. Zou ze het wel redden? Weet ze de weg wel en komt ze in een leuke klas? Als ouder heb je er geen invloed meer op. Op de basisschool kon je tenminste nog zien hoe je kind naar binnen sjokte, of de fiets op slot stond en en of ze haar gymtas wel bij zich had. Nu moet je haar laten gaan. Er hangt een rooster in de kamer van haar lesuren, maar dat rooster is inmiddels allang achterhaald, schijnt het.
Die eerste week was ze best wel nerveus. Wat moet er allemaal in die tas? Hoe laat moest ze weg om op tijd te zijn? En – ook erg belangrijk – welke kleren trok ze aan zonder voor gek te lopen? Een heel gepuzzel op de vroege morgen. En dan ook nog een boterham wegwerken op een tijdstip waarop je normaal nog lekker in bed lag.

De tweede week stonden wij als ouders versteld hoe snel ze het nieuwe ritme oppakte. Nooit gedacht dat ze zó vroeg klaar kon zijn! Ze bleek zo ongeveer als eerste van de klas voor school te staan, op een klasgenoot na die met de bus ging. Heerlijk zeg, dat hadden we met de anderen weleens anders gehad!
Overigens waren er nog wel wat dingetjes. Ze at zelden haar brood op. Dat vergat ze of ze had er geen tijd voor. Hoe houdt ze dat nou de hele dag vol, vroegen we ons bezorgd af. Het antwoord kwam aan al snel: de automaat met snoep en lekkers was erg verleidelijk…véél lekkerder dan zo’n kleffe boterham met kaas toch?!
Een ander dingetje was de telefoon. Had ze die nu wel bij zich, of niet? Zo niet, waar zat ze dan toch zo lang na school? Stomme ouders ook, dat die zich dan ongerust gaan zitten maken…

De derde week. Het hele nieuwe onwennige was eraf, nu werden er langzaam wat eisen aan de brugklassers gesteld. Kom op tijd, neem de goede boeken mee, leer voor je eerste schriftelijke overhoring! Wij als ouders moesten op school komen voor een kennismakingsuurtje met de mentor. Ik kan me niet herinneren dat dat vroeger ook al was. In elk geval was het leuk. Leuk om ouders tegen te komen die je blijkt te kennen van heel andere dingen (zwemles, een cursus, voetbal). Leuk om die mentor te zien, wat een enthousiaste jonge vrouw! En zo toegankelijk ook voor ons, je mag haar bellen en appen als er ook maar iets speelt. ‘Vooral doen hoor!’ werd ons op het hart gedrukt. Vroeger haalden mijn ouders het niet in hun hoofd om een mentor lastig te vallen. Problemen loste je zelf wel op; alleen in het uiterste noodgeval werd er contact opgenomen met school!
Onze brugger had ons voorbereid dat die mentor vast wel zou ‘gaan zeiken’ over de laatkomers in haar klas. Inderdaad werd dat genoemd, met als opmerking: ‘Het zijn nog maar net brugklassers, dus als ze die gewoonte nú al hebben…?’ ‘Bijsturen dus, ouders’, was de boodschap. Voor ons een volkomen overbodige mededeling, maar voor anderen blijkbaar niet.

In de vierde week begon de vermoeidheid toe te slaan. Gaperig en wit zat ons kind aan het ontbijt, mopperend dat ik haar brood sneller moest smeren en waarom papa haar fiets nog niet buiten had gezet. Inmiddels een beetje gewend aan het schoolleven, maar toch nog niet helemaal. De school had bedacht dat ze naar huiswerkbegeleiding moest komen na afloop van de lessen. Onzin, tijdverspilling vond onze dochter. Toen bleek dat er toch echt van haar verwacht werd dat ze daar aanwezig zou zijn, was het huis even te klein. Wie verzon er nou zoiets belachelijks? Ze wilde niet meer als een kleuter behandeld worden, dat snapten wij toch zeker wel?! Alle frustratie en ergernissen kwamen eruit.
En zo waren er nog wel wat dingen. Die zware rugtas, het gepruts elke keer met de sluiting van haar rekje achterop de fiets, buiten gymen dus nog een extra tas, lesuren die uitvielen. Dat er echt een lerarentekort is in Nederland, komt nu heel dichtbij. Soms is er gewoon geen docent, en dan moeten ze naar een studielokaal. Niks buiten hangen of wat lekkers kopen in de plaatselijke snackbar, wat in mijn tijd vrij gewoon was. Dat voorrecht krijgen ze hier pas vanaf de derde klas.

Ik hoor niks over scheldpartijen als ‘brugsmurf!’, en: ‘Hé tas, waar ga je met die brugger naartoe?’ Onze kinderen zijn bereikbaarder dan ooit met hun mobieltjes. Tenzij ze die uitzetten of de Wifi-code niet weten. Onze dochter appt graag tussen de lessen door; van onze zoon hoor je niets. Er was maanden iets met zijn mobiel, waardoor hij er niet eens mee kon bellen. Waar heb je die telefoon dan eigenlijk voor?!

Als mijn moeder nog geleefd zou hebben, zou ze haar oren niet geloofd hebben. Ze was zelf juf op een basisschool, streng maar rechtvaardig en met de wil elk kind verder te helpen. Maar dan moest je wel opletten en vooral niet brutaal doen. Weet je wat onze dochter pas naar ons appte, tussen de lessen door?

‘Bejaarde appelflappen zijn jullie, allebei!’

Nou, daar konden we het dan weer mee doen. Een heel verhaal wat er speelde, maar dat gaat te ver om op in te gaan. Onze kinderen hebben ook recht op hun privacy, ook al hebben ze dan een moeder die graag schrijft.

Tijd voor een bak koffie met een flinke plak oudewijven koek!

Zwerfinator in opleiding

Weleens van de Zwerfinator gehoord? Ik niet, tot voor kort. Mijn geliefde, die veel meer op internet leest dan ik, natuurlijk wel.
De Zwerfinator alias Dirk Groot verzamelt al jaren troep van de straat, het zogenaamde zwerfafval. Dat ligt echt overal, als je er op gaat letten. Denk maar niet dat het in jouw buurt wel meevalt (dat dacht ik namelijk ook).
De Zwerfinator verzamelt het afval niet alleen, hij onderzoekt het ook. Zo begon hij in 2016 van elk gevonden stuk rommel een foto te maken en de locatie te noteren. Dat leverde heel veel informatie op. Hij ging ermee naar de overheid en naar mensen van de industrie. En met succes! Zo is de fabriek die Anta-Flu snoepjes produceerde, overgestapt op beter afbreekbare wikkels in plaats van plastic, en wordt er sinds kort statiegeld geheven op kleine plastic flesjes. Hij geeft ook lezingen en gastlessen op scholen.

Heel grappig om te lezen op zijn website vond ik trouwens de zin dat troep van je afgooien in wezen een natuurlijke reactie is! Maar met zulke hoeveelheden plastic werkt dat in onze samenleving natuurlijk niet. Een nadenkertje.

Ik vind het een vondst wat die man allemaal doet. Maar eigenlijk is het niet zo nieuw als het lijkt. Ik vind namelijk ook altijd al van alles, als kind al. Dat komt omdat ik vaak naar de grond keek. Vroeger vond ik heel vaak dubbeltjes en kwartjes, soms een gulden en heel soms een rijksdaalder. Die laatste waren er niet veel, dus je was echt gelukkig als je die op kon rapen! Nog zeldzamer was het als je briefgeld vond, een briefje van 10 bijvoorbeeld. Schatrijk voelde ik me toen ik die een keer vond! Als ik me heel goed herinner heeft mijn zus zelfs een keer een portemonnee gevonden met een paar honderd gulden er in! Die heeft ze netjes bij de politie gebracht (zo ging dat vroeger), en de rechtmatige eigenaar kwam hem ophalen. Mijn zus kreeg als dank 10 gulden en een bos bloemen. Aan privacy deed men toen nog niet, de politie gaf gewoon namen en adressen van de vinders door.

Ik heb later ook weleens portemonnees gevonden, maar nooit met zoveel geld erin… Gisteren zelfs nog eentje; die lag kletsnat onder een struik. Er zat helemaal niets in.
Vroeger vond ik ook geregeld sleutels. Fietssleutels of een bos huissleutels. Die bracht ik ook naar de politie. Verder verzamelde ik rommeltjes zoals mooie scherven, botjes, schelpen, de schedel van een konijn en knopen. Kon altijd handig zijn, dat laatste. Ik legde het mooi neer op mijn kamertje, netjes op de plank van een kast. Mijn eigen mini-museum! Behalve m’n ouders en vriendinnetjes waren er weinig belangstellenden, maar ik vond het prachtig.

Een sprong naar het heden. Ik kijk nog steeds veel naar de grond, en toen mijn man me vertelde dat er statiegeld zit op kleine flesjes, ging ik daar bewust naar zoeken. Ik vond er meteen een paar in de buurt. Maar dat niet alleen! Ook mondkapjes, lege drinkpakjes ijspapiertjes en kapotte fietsonderdelen. Ik gooide de hele zak leeg in onze tuin en liet het aan Gerard zien. ‘Je lijkt de Zwerfinator wel’, zei hij. ‘Nu nog noteren waar je het gevonden hebt, en wat de datum van het product is. Dan kun je concluderen hoe lang het er al ligt.’
‘Ja zeg, ik ga geen hele administratie bijhouden van die rotzooi!’ zei ik. Typisch weer een idee van Gerard. Maar het zoeken naar dingetjes tijdens een wandeling, dat ligt me wel. En ik werd enthousiaster naarmate het aantal statiegeldflesjes toe nam in mijn verzameling. Je wordt er niet rijk van, maar toch leuk om geld van de straat op te rapen! Bovendien ben ik dan nuttig bezig, doe ik ook wat voor een schoner milieu.

Inmiddels ben ik verschillende keren op jacht geweest. En vuil dat het was… ‘Gatverdamme, wat stinkt het hier!’ riepen m’n kinderen toen ik weer met een zak afval door het huis liep. Ik had ook wel iets geroken, maar buiten viel dat nog niet zo op. Vermoedelijk had iemand in zijn blikje gepist, en het vervolgens in de struiken gezet. Jakkes jakkes jakkes!!! Ik heb mijn handen wel tien keer gewassen en nu zoek ik niet meer zonder handschoenen aan. Maar ja, een Zwerfinator in opleiding kan ook nog niet alles weten…

Dit weekend is het World Cleaning Day. Overal ter wereld zijn er acties om samen met anderen je buurt op te schonen. Hier in Wageningen zijn zulke Opschoondagen een aantal keer per jaar. Misschien ga ik mee doen. Maar nog beter, misschien ga ik elke dag wel even opschonen! Doe jij mee? Je zult versteld staan hoeveel blikjes je tegenkomt. Wie weet vind je ook wel een lege portemonnee, of een oud nummerbord. Mocht je die toevallig kwijt zijn, ik heb er eentje gevonden!

Leren loslaten

In mijn vorige blog vertelde ik dat onze jongste dochter naar de brugklas ging. Ik kreeg daar een paar leuke reacties op van moeders, die inmiddels al oma zijn. Zij begrepen het, en voelden dezelfde bezorgdheid bij hun kleinkinderen. Dat kan nog wat worden als ik dat mee mag maken, dacht ik! Leren loslaten is nog niet zo simpel. Je zou denken dat een moeder van een groot gezin dat bij de zesde wel een keer onder de knie heeft. Maar nee, het kost me moeite. En dat begon al bij haar geboorte…ik was net zo nerveus als bij de eerste bevalling en dat vond ik raar. Maar de verloskundige, vond het helemaal niet raar. ‘Elke bevalling is toch anders?’ zei ze. Inderdaad, bovendien wist ik inmiddels ook wat er zoal mis kon gaan.

Nu wil ik niet zeggen dat een kind krijgen hetzelfde is als een kind naar de middelbare school laten gaan. Maar er is wel een overeenkomst: je moet het loslaten.

De eerste dag van de eerste schoolweek moest Janine alleen even wat ophalen op school. Ze was misselijk van de zenuwen. De dag erna begon het dan echt, dwz 2 dagen introductie. De wekker ging om half 7, snel uit bed, vroeg ontbijten. Met lange tanden probeerde Janine een broodje weg te werken, maar dat viel niet mee. Ik kon me daar alles bij voorstellen, want ik had ook geen trek. Evengoed fietste ze vrolijk weg en haar broer volgde 10 minuten later. Ineens was het stil in huis.

Dit had een moment kunnen zijn van: Hoera, de kinderen zijn weer naar school! Maar ik was helemaal niet blij. Traag begon ik de tafel leeg te ruimen, gaperig en moe. Niet alleen de kinderen waren niet meer gewend om vroeg op te staan… Ik voelde me zo moe, dat ik weer naar boven ging en in bed kroop.
‘Gaat het?’ vroeg Gerard toen hij even later kwam kijken.
‘Nee,’ klaagde ik. ‘Gisteren lag Janine daar nog in de wieg, en nu is ze al naar de middelbare school!’ Er liep een traan over m’n wangen en ik kroop nog dieper onder de dekens. Gerard glimlachte. ‘Ga maar even een poosje slapen,’ zei hij. ‘Straks voel je je wel weer beter.

Na een uur slapen en een bak koffie voelde ik me inderdaad een stuk beter. Nog beter voelde ik me toen Janine weer thuis kwam. Niet dat ik veel hoorde over hoe het was, want meteen ging haar koptelefoon op. Pas later hoorde ik stukje bij beetje hoe het was gegaan. ‘Wel goed, er was een zanger op school’.
Dezelfde avond was er alweer stress. ‘Wat moet ik meenemen naar die sportdag?’ Koptelefoon op, mobieltje in haar handen.
‘Weet ik niet, daar had je toch een mailtje over gekregen? Leg je mobiel dan eens weg!’ Maar die had ze nodig om dat mailtje te lezen. Ondertussen viste ik een papier uit de stapel informatie van school. Daar stond alles op. Uiteindelijk zat alles wat nodig was in de tas en kon ze naar bed.
Op de valreep vertelde ze dat de kinderen met wie ze mee zou fietsen, andere plannen hadden. Of een ander rooster, ze wist het niet precies. In elk geval kon ze daar niet mee naar school fietsen. Oh nee, nou moest ze dat hele eind nog alleen fietsen ook!
Loslaten, sprak ik mezelf toe. Het komt vast wel goed. Bij de anderen maakte ik me toch ook niet zo druk?

Is loslaten bij de jongste moeilijker? Misschien wel. Toen onze oudste naar de brugklas ging, was ik te druk met de andere 3 om er veel over te kunnen piekeren. En toen de jongste daarvan naar de middelbare school ging, waren er nog 2 nakomertjes. Nog steeds druk dus. Nu ben ik een oudere moeder en is het hier overdag rustig. Ik moet er aan wennen. Wat moet ik doen?

‘Succes met het legere nest!’ zei onze oudste dochter pas. Nou, zeg dat wel. Gelukkig duurt het nog wel wat jaartjes voordat dat nest echt helemaal leeg is. En ik geniet ook van deze fase. Zoals ik al eens eerder zei, overal is er een tijd voor. De tijd van de basisschool is na 25 jaar nu eindelijk voorbij, hoera!

Naar de brugklas

De laatste week van de zomervakantie is nooit de leukste week. Wel heel leuk in de zin van: nog steeds kunnen uitslapen, nog steeds kunnen lunchen wanneer we maar willen, nog steeds geen gehaast schema omdat er iemand naar voetbaltraining moet. Tegelijk het besef dat die vrijheid bijna voorbij is. Het nieuwe schooljaar komt eraan! ’t Is weer voorbij die mooie zomer….

Onze jongste begint niet alleen aan een nieuw schooljaar, maar aan een heel nieuwe school. Het laatste jaar in groep 8 is voorbij gevlogen, en nu moet ze echt naar de middelbare school. Ze vindt het spannend. Hoe zal het gaan, hoe zal het daar zijn? Ze kent nog bijna niemand in de nieuwe klas, behalve een paar jongens (maar ja, jongens, wat heb je daaraan?). Al weken van tevoren is ze bezig spulletjes te kopen. Maar niet alles wat ze heeft gekocht, blijkt nu goed te zijn. Zo hebben we al een hele stapel kleine schriften liggen, maar moeten het A4-formaat schriften zijn. Ook heeft ze leuke uitrekbare kaftjes gekocht, raadt de school die af! Tja.
Haar broer Maarten zit op een andere middelbare school en gaat al naar de derde klas. Hij kijkt met plezier toe hoe druk zijn zusje ermee is en geeft commentaar: ‘Gaat mama mee fietsen om je boeken op te halen? Belachelijk!’
Maar ja, hij heeft makkelijk praten. Zijn boeken worden in een pakket thuisbezorgd. Hij is bovendien al een paar jaar ouder en hij kwam met twee vrienden van de basisschool in dezelfde brugklas terecht. Dat scheelde een hoop!

Janine laat hem lekker praten. Van haar mag ik meefietsen, want ze is nog een beetje onzeker over de route. En stel dat zij ook een grote doos vol boeken meekrijgt, hoe moet dat dan op de fiets? Zodoende staan we de laatste dag van de vakantie vroeg op en voorzien van haar nieuwe rugzak en nog 3 tassen, fietsen we weg. Onderweg is het rustig. Volgende week zal dat wel anders zijn, mijmer ik. Dan barst het scholierenleven weer los voor duizenden leerlingen in de streek. Plus een heleboel volwassenen, die zo snel mogelijk van A naar B willen, met de auto… Zou Janine wel opletten? En al die rotondes dan, waar de ene automobilist je vriendelijk voorrang verleent en de ander nog even snel de hoek om raast… Weet ze alle regels wel? Dat verkeersexamen van de basisschool stelt toch eigenlijk niet zoveel voor?

Janine is ons zesde kind; ik was al 44 toen ik haar verwachtte. Hoeveel risico’s had ik wel niet op een kind met een handicap, op die leeftijd? En stel dat ik het niet aankon? Of stel dat ik weer jaren last zou krijgen van bekkeninstabiliteit, net als na de vierde bevalling? Een mens kan wat af piekeren.
Het kwam allemaal goed. Onze kleine meid was gezond en mijn bekken hield zich goed; dingen waar ik nog dagelijks dankbaar voor ben!

Onderweg valt mijn blik op een fietsende vader met een kindje in een draagzak. Vast op weg naar de kinderopvang, denk ik. Het loslaten van je kinderen begint al vroeg. Wat verderop fietst een moeder met een klein meisje ernaast. Het fietsje en het kind zijn nog zo klein, dat de moeder bijna opzij moet hangen om haar te duwen. Knap dat dat kind überhaupt al kan fietsen! Wat maak ik me druk over mijn dochter van 11? We naderen school en zien diverse kinderen dezelfde kant op fietsen. ‘Moeten we hier nou naar links of niet?’ overleggen drie meisjes voor ons, zwabberend op hun te grote nieuwe fietsen. We blijven er voor het gemak maar even achter. Bij de school aangekomen zet Janine haar fiets niet in het fietsenhok dat daarvoor bedoeld is, maar op de stoep voor school. ‘De anderen doen dat toch ook?’ zegt ze. Inderdaad staan er al behoorlijk wat fietsen, dus ik volg haar voorbeeld maar. Volgende week zal ze wel horen wat precies de bedoeling is.

We zijn trouwens een kwartier te vroeg en het begint te regenen. Twee zaken die niets met elkaar te maken hebben, maar waardoor we toch maar bij de ingang gaan staan (droog) en niet bij de fietsen (nat). Daar kom ik een oude bekende tegen, die ook mee is met zijn dochter. Verrassend en gezellig! Voor mij is het tenslotte ook een nieuwe school en ik moet ook maar afwachten wie daar allemaal komen.

Janine mag naar binnen en ik kijk haar na. ‘Ach gossie’, denk ik, ‘Mijn laatste kuikentje. Hoe zal ze het gaan doen als 11-jarige?’ Een klas overslaan was leuk, maar zorgde ook wel voor wat problemen…
‘Ze kan het aan!’, spreek ik mezelf toe. Ik ben bij voorbaat al trots dat ze de nieuwe school instapt. Ze wilde graag naar het tweetalige onderwijs dat hier gegeven wordt en niet bij voorbaat veilig naar de school waar haar broer zit en haar zussen ook gezeten hebben. Dapper toch?!

Voor ik het weet komt ze alweer buiten, met één tasje boeken. ‘Is dat alles?’ vraag ik verbaasd. Ze zegt van wel. Het was allemaal zo klaar. Het enige lastige was dat ze een handtekening moest zetten. ‘Maar ik heb nog helemaal geen handtekening, hoe kan ik die dan zetten?’ vroeg ze zich hardop af. Heerlijk, zo’n kind.

Toen fietsten we weer terug naar huis, een half uur door de regen. Ik kreeg spierpijn en kon mijn dochter amper bijhouden! Onderweg zag ze een vriendin met wie ze voortaan samen gaat fietsen, en dat is maar goed ook. En dan nu maar afwachten hoe het in de brugklas zal gaan. Nog vier nachtjes slapen.

Safe flight?

Ik droom best veel en vaak kan ik me die dromen ook nog herinneren. Er lopen allerlei gebeurtenissen door elkaar, die op dat moment heel logisch lijken. Maar als ik ze de volgende dag probeer te vertellen, dan raak ik zo de draad kwijt. Sommige thema’s komen alsmaar terug, sommige mensen ook. Ik ben geen dromen-expert, maar ik denk dat dromen nuttig zijn om dingen te verwerken. Al zijn ze soms heel vreemd.

Pas droomde ik heel raar. Ik vertelde het de volgende dag aan Gerard en schreef het op in mijn schrift. Ik begreep niet waar het op sloeg, en vergat het weer. Maar toen ik een paar dagen later het nieuws hoorde, kreeg ik bijna kippenvel. Wat??? Hoe kon dit, hier had ik over gedroomd!

In mijn droom ging het zo. Ik was op reis, met een vliegtuig. Ik zat er alleen niet in, maar bovenop. Daar zaten nog meer mensen. Maar dat is toch gevaarlijk, ging het door me heen in mijn slaap. En ik moest eraf, maar hoe deed ik dat? Naar beneden springen was veel te hoog!
Het vliegtuig ging al bijna landen. Ineens zag ik een vriendin beneden lopen, en zij stak haar hand uit. Kom eraf! riep ze naar me. Ik boog voorover, probeerde haar hand vast te pakken (wat qua afstand helemaal niet kon) en sprong naar beneden. Met een bons kwam ik op de grond. Oef, het was gelukt! Ook anderen die bovenop het vliegtuig zaten, sprongen er af. Niemand viel te pletter, wat we best bijzonder vonden. Lang stonden we er niet bij stil, want we moesten naar de aankomsthal en daar was het stampend vol.

Tot zover mijn droom. Als je het nieuws volgt, dan raad je al waar het naar toe gaat… Afghanistan. Ik keek maandag op mijn telefoon naar het nieuws, en las daar dat Kabul ingenomen werd door de Taliban. Op zich al verbijsterend nieuws. Nog erger werd het toen ik berichten las over mensen die in paniek startbanen op stormden. Wanhopig op zoek naar een plekje in een vliegtuig, om te vluchten voordat het te laat was. Zo wanhopig dat sommigen zelfs op een vliegtuig probeerden te klimmen, om er misschien toch nog in te komen! De NOS had een filmpje gepost met ‘mogelijk schokkende beelden’, een vliegtuig steeg op en een paar donkere stipjes vielen als stenen naar beneden…

Op dat moment werd het me weer glashelder wat ik had gedroomd. En ik kreeg kippenvel vanwege de gelijkenis. Maar waar ik een uitgestoken hand kreeg van een vriendin, voor veel Afghanen geen vrienden te zien. En dan die drukke aankomsthal of vertrekhal, nog veel erger dan in mijn droom. Mensen werden er geplet.

Hoe kan het dat je soms zo levensecht droomt? Ik ben ongetwijfeld niet de enige die dit heeft. Ik heb zeker geen voorspellende gaven, maar soms hangt er (letterlijk) iets in de lucht. Misschien een voorbereiding op wat komen gaat, of een aanwijzing hoe je met moeilijkheden om kan gaan? Zoals de hand pakken van een vriendin, als dat nodig is. En andersom, een vriend zijn voor een ander die in de problemen raakt.

De foto hierboven maakte ik vanmorgen in de wachtkamer van een jeugdtandartsenpraktijk. Die zitten al jaren in een omgebouwde fabriekshal. Bij binnenkomst kom je in een soort vertrekhal, de secretaresse zit in een zogenaamde cockpit, en er hangen bordjes als ‘Fasten your seatbelts’ en ‘Emergency’. Dit om het leuk voor kinderen te maken. Nog belangrijker, om angstige patiënten af te leiden van de typische tandarts-sfeer en bijbehorende paniek.
Ik heb er altijd al een apart gevoel bij gehad. Vliegtuigen zijn niet alleen maar leuk, je zit er in vast en ze kunnen neerstorten. In de tijd van de ramp met de MH17 vond ik die grappige vliegveld-sfeer bijvoorbeeld niet fijn. Maar vandaag ook niet! Ik zag weer de beelden van het vliegveld van Afghanistan op mijn netvlies. De chaos daar, al die mensen die echt bang zijn, en niet voor een gaatje of ontstoken tandvlees.

Ik hoop en bid dat er een oplossing zal komen voor al die mensen die gewoon rustig in hun land willen leven. Zonder dreiging met wapens, zonder angst voor wie dan ook. En ik hoop op veel helpende handen die uitgestoken gaan worden.

Safe flight en safe landing!

Kampeerlief en -leed 2

Mijn plan om een paar blogs vanaf de camping te sturen is mislukt… we zijn alweer thuis! Zestien mooie vakantiedagen in Limburg zijn voorbij gevlogen. Ik kwam er niet eens aan toe om te bloggen. Niet omdat onze agenda daar zo vol was; meer omdat ik m’n tijd heel anders besteedde. En zo hoort het ook in de vakantie, even geen verplichtingen! Leuk om nu terug te blikken, vanuit ons achtertuintje.

Limburg is een prachtige provincie. Het is echt net of je in het buitenland zit. Ik ga de plek van onze camping niet verklappen, maar wat heb ik genoten van die glooiende heuvels, de eindeloze wandelpaden en het zangerige Limburgs. Totaal anders dan onze vakanties in Zeeuws- Vlaanderen, waar ik het overigens ook prima heb gehad.

Ik kan natuurlijk uitgebreid gaan beschrijven hoe mooi de heuvels eruit zagen of hoeveel kilometer ik gelopen heb. Hoe druk Maastricht was, hoe schattig het centrum van Sittard, hoe saai dat van Heerlen en hoe triest de aanblik van Valkenburg, met het puin nog in de straten. Maar dan kan je beter een toeristische brochure lezen, à la ‘Limburg in een notendop’. Boeiender vind ik om te vertellen hoe het nou eigenlijk op de camping was. Want daar brachten we uiteindelijk de meeste tijd door.

We waren nog nooit op deze camping geweest, dus we kenden er niemand. Dat is in het begin altijd even spannend. Zouden er leuke mensen zijn? Zouden de kinderen aansluiting vinden? En ook heel belangrijk: zouden de wc’s wel schoon zijn?
Er waren 5 wc’s, maar in de praktijk kon ik er maar van drie gebruik maken. Eén was namelijk een pisbak voor mannen en één was een kinder-wc. Dan waren er twee gewone wc’s en de laatste was voor senioren. Voor het gemak heb ik mezelf daar ook maar onder gerekend; er stond toch geen leeftijdsgrens bij.
Vijf wc’s voor 120 tot 180 mensen, dat is niet overdreven veel. Maar er was een dame die meerder keren per dag de wc’s liep te boenen, dus meestal waren ze schoon. Heerlijk, ik wou dat ik thuis zo iemand had!

In de folder stond dat er op de camping gratis Wifi was. Bij aankomst kregen we onmiddellijk de Wifi-code mee, tegenwoordig bijna van levensbelang. ‘Het beste doet ‘ie het bij het toiletgebouw’, zei de eigenaar. Daar was geen woord van gelogen, anders gezegd: bij de tent had je nauwelijks tot geen bereik. Gerard baalde ervan. ‘Daar betalen we toch ook voor!’ merkte hij op. De kinderen moesten ook wennen dat ze niet non-stop internet hadden. Zelf vond ik het eerst wel lekker rustig, maar na een week miste ik het ook. Zodoende ging de telefoon vaak mee naar het toilet of douche, ‘om verbinding te krijgen’. Er stonden ook stoeltjes buiten op het terras naast de afwasbakken; daar zaten vooral vaak tieners met hun mobieltjes. Zo ook die van ons. Capuchon en/of koptelefoon op, lekker in hun eigen wereldje. En anders hingen ze in de grote schuur rond. Behalve goed internet en een droog plekje, had je daar van alles. Een tafel met stoelen, een wasmachine plus droger, twee koelkasten, ontzettend veel fietsen die daar gestald werden (ik denk wel 100), een pingpongtafel, een tv, boeken om te lenen en Donald Duckjes. Ons gezin bracht daar de nodige uurtjes door.

Als je op vakantie gaat, is het niet elke dag leuk en relaxed. Je neemt namelijk jezelf mee…en je gezin (als je dat hebt). Het was heerlijk om de sleur van thuis te doorbreken en een nieuwe omgeving te verkennen. En toch kwam daar het moment dat ik onrustig werd. Ik voelde me stom en saai en overbodig. Wat was dat nou, had ik heimwee? Ondernamen we niet genoeg? Verveelde ik me zonder goed internet en beschikbare vriendinnen? Ik kon het niet goed plaatsen, maar het was er.
‘Ga toch eens zitten’ zei Gerard dan. ‘Pak een boek of ga puzzelen. Jut ons toch niet zo op dat wij wat moeten doen!’ Ik weet niet of ik hen opjutte; ik wil er in het algemeen gewoon vaker op uit. Maar goed, dat kreeg ik niet elke dag voor elkaar. Dan maar weer wandelen met deze of gene, of de afwas gaan doen en een praatje maken. Zodoende kwam ik het nodige te weten van andere kampeerders. Over lief en leed gesproken…

Ik sprak onder de afwas met een vrouw die haar moeder vorig jaar had verloren aan corona, terwijl ze zelf ziek op haar slaapkamertje zat. Nu, een jaar later kon ze nog steeds niet ontspannen, zo rusteloos was ze geworden! Dan was er een moeder met 3 tieners, die al tien jaar weduwe was. Toch kampeerde ze met een vouwwagen en bleef ze de gezelligheid opzoeken. Knap! Ook heel knap vond ik een dame van 61 die het hele Pieter-pad liep in haar eentje. Rugzak om, tentje mee, en niet zeuren. Ze was al 5 weken onderweg en had het nu bijna gehaald, petje af! Er was een man, gescheiden en met 2 tieners, die bijna geruïneerd was door z’n ex. En toch was hij de vrolijkste man van de hele camping! Er was ook een man die vertelde dat hij 10 weken op de camping stond. ‘Tien weken?’ herhaalde ik jaloers. Ja, tien weken; dit omdat hij een aandoening had waar hij al jaren last van had. Hier in de buurt kreeg hij therapie en voor het eerst sinds jaren merkte hij verlichting van zijn klachten… oef! Geen reden om jaloers te zijn.
Er was ook een gezin waarvan de kinderen elkaar bijna de tent uitvochten. Diverse keren per dag veel geschreeuw en gedoe, en zo te horen ging het nergens over. Hun moeder nam het nog luchtig op (‘Ach, zo gaat het altijd bij ons…’), maar ik kreeg medelijden met ze. Onze kinderen moesten er soms om lachen, ‘Oh daar beginnen ze weer’ zeiden ze. Tja, ik ken nog wel een paar goede gezinstherapeuten, dacht ik. Daar hebben we zelf ook veel baat bij gehad. Maar het ging me te ver om hen dat te vertellen, stel je voor dat er iemand bij ons kwam met zo’n advies!

Een camping is net een stad in het klein. Je hebt er ouderen en jongeren, rustzoekers en sportievelingen. Gezinnen met kleine kinderen, en opa’s en oma’s die genieten van de rust. Super-de-luxe campers en caravans, oude vouwwagens en kleine tentjes. En mensen zoals ik, die intens genieten, maar ook altijd wat te piekeren hebben.

Tenslotte: raad eens wat ik het eerste gedaan heb toen ik thuis kwam? (okay, na het uitstappen en wat tassen uit de auto halen). Wie het weet, die heeft deze blog goed gelezen! 🙂