Sneeuw!

Jaaa… er ligt eindelijk weer sneeuw! Wij wonen in het midden van het land en nu hebben wij eens een keertje geluk, als je van sneeuw houdt tenminste. Er ligt ook niet zo’n klein beetje; gisteren al zeker 15 centimeter en vandaag nog een paar erbij.

Ik moet eerlijk zeggen, dat ik tot afgelopen donderdag niet kon geloven, dat het weer zó om zou slaan. Toen maakte ik nog een lange wandeling met een vriendin langs de ondergelopen uiterwaarden. Het was minstens 10 graden en bijna te warm in onze winterjas. Het leek ons wel super als heel die waterplas op de weilanden zou bevriezen, maar of dat werkelijk zou gebeuren?

Mijn geliefde, die een paar ASS-kenmerken heeft, hield de weerkaarten al dagen in de gaten. Hij had me weermodellen laten zien met temperaturen van min 20 en sneeuwvoorspellingen die er ook niet om logen. Tien, twintig en op sommige plekken wel dertig centimeter sneeuw! In het oostelijk deel van Europa zou het nog erger worden, zei hij, maar in het zuiden van Duitsland juist weer niet. Ik geloofde er eigenlijk niets van, en toen hij er ook nog allerlei andere landen bij haalde en cijfers ging noemen, haakte ik af (sorry Gerard!). Ik kan me er op zo’n moment niet toe zetten, om me in de weersituatie van heel Europa te verdiepen. En hij kan maar niet begrijpen dat ik niet zo interessant vind… althans zo lijkt het. Maar zoals wel vaker, had Gerard gelijk (met die weermodellen dan) :-).

Van puur enthousiasme over zoveel sneeuw zondagmorgen, besloot ik een rondje te gaan hardlopen. Een adembenemende ervaring, letterlijk en figuurlijk… Er stond een snijdende wind en de sneeuw stoof vrolijk door de lucht. Geweldig om als één van de weinigen sportief te zijn! Maar veel te zwaar voor mij… Dus werd het meer lopen dan hardlopen. Wat eigenlijk helemaal niet erg was, want nu kon ik tenminste foto’s maken.

Later op de dag heb ik mijn gezin ook mee naar buiten gekregen. Dik ingepakt en met frisse tegenzin (de tieners dan). ‘Hoe vaak maak je dit nou mee, jongens?’ ‘Mam, je doet net of ik nog nooit van m’n leven sneeuw heb gezien’, merkte Janine op. Nou, in haar 10-jarige leven heeft ze heel wat minder sneeuw en ijs gezien dan ik vroeger. Haar broer Maarten sjokte een beetje achteraan, erg gênant natuurlijk om met je bijna bejaarde ouders te wandelen. ‘Waarom heeft papa zo’n idiote muts op?’ vroeg hij aan mij. En verder: ‘Je hoeft echt niet tegen iedereen hallo te zeggen hoor!’ Wat ik nou net zo leuk vind aan ons middelgrote stadje Wageningen, dat gemoedelijke.

Het viel op dat er behoorlijk veel mensen buiten waren. Maar ook dat er veel meer sfeer was op straat. Er werd tenminste weer eens gelachen en gek gedaan! Je zag kinderen sleeën, jongeren met sneeuwballen gooien, buitenlandse studenten selfies maken voor besneeuwde struiken. Even wat anders dan al dat pessimistische nieuws, even een boost weerstand opdoen in deze door corona geteisterde wereld. Ja het gaat vast wel weer dooien binnenkort. Vraag maar aan Gerard, die weet wel waar en wanneer. En ik snap heus wel dat het heel erg lastig is voor mensen die de weg op moeten. Het is glad en koud en gevaarlijk! Maar toch… laat mij maar even genieten van die witte wereld, zoals je dat vroeger las in boekjes van W.G. van der Hulst: Buiten giert de ijzige wind, de sneeuw knerpt onder je klompen, en het is zo bitter koud! Maar binnen snort de kachel (of laptop), moeder maakt warme melk (of thee) en is het heerlijk knus. Voorlopig moeten we toch vroeg binnen zijn, door de avondklok…

Een koude 31 januari

Wat leven we toch in een bijzondere tijd. Klimaatveranderingen, kinderen die al weken niet naar school mogen, avondklok, rellen – die nu gelukkig alweer gestopt zijn – en ga zo maar door. Het is lang niet allemaal leuk, maar je kunt niet zeggen dat er niets gebeurt.

Afgelopen weekend gebeurde er nóg iets bijzonders: het had in het hele land gevroren! Van Groningen tot en met Zeeland, overal nachtvorst. Dat was al 2 jaar niet voorgekomen, las ik op de NOS-site: 740 dagen om precies te zijn. Nou, als dat geen nieuws is? In elk geval weer een record erbij. Beter dan een record aantal regenachtige dagen in januari en zeer weinig zon. Want dat las ik dan later weer ergens anders.

Gerard en ik gingen een eindje wandelen. Maarten en Janine hadden geen zin, en wij hadden geen zin om daar veel energie in te steken. Het zou weleens veranderen, want onze dochter van 22 was al aan de wandel voor wij onze koffie op hadden. Buiten waren we duidelijk niet de enigen die op dat idee waren gekomen. Logisch, want het was stralend winterweer.

Niet ver van ons huis ontdekten we een mini-natuurgebiedje. Of natuurgebiedje… het was eigenlijk meer een aangelegd stukje groen tussen een aantal flats. Een paar paadjes tussen bomen en struiken door, rommelig neergelegde takken die uitnodigden om verstoppertje te spelen of een boomhut te bouwen, en een bevroren vijver met een bruggetje eroverheen. Leuk om te spelen voor kinderen! Met een beetje fantasie kon je er een heel avontuur van maken daar. Dat je verdwaald was in het bos, maar een verlaten hutje had ontdekt. Of dat je ingesloten was door water, maar kon vluchten omdat het gevroren had… Ik voelde me net weer 10, toen ik ook vaak met vriendinnetjes naar ‘het landje’ ging. Een stukje niemandsland in ons dorp, waar nog niets mee gedaan werd. Waar je heerlijk kon rennen en fietsen over hobbelige paadjes. Of waar je oude stenen pijpenkoppen vond, of mooie scherven van een oud servies. Ik was dol op zulke plekken. Er werd nog niet zoveel gezeurd -door ouders- dat het gevaarlijk was. Buiten spelen en rondzwerven hoorde erbij. Je had hooguit last van vervelende jongens, die de baas speelden en riepen dat het hún landje was.

Op dit stukje groen was geen kind te bekennen. ‘Die zitten natuurlijk allemaal weer binnen achter de laptop’, mopperde ik. Net als die van ons trouwens… geen zin om hutten te bouwen of te voelen of het ijs al dik genoeg was. Nou, dan deed ik dat toch? Ik hurkte aan de rand van de vijver en zette een voet op het ijs. Conclusie: het ijslaagje was heus wel meer dan een vliesje, maar je kon er duidelijk niet op gaan staan. Gerard struinde intussen rond om foto’s te maken. En zo waren we lekker bezig.

Later, thuis in de warme huiskamer, gingen mijn gedachten terug naar een ander jaar dat het 31 januari was: 1988. De avond daarvoor was mijn moeder overleden… Het was een hele zachte winter. Veel regen, veel wind en zeker geen nachtvorst. Mijn arme moeder leed aan kanker en in die tijd was de aanpak daarvan nog niet zo ver gevorderd als nu. Anderhalf jaar na de diagnose overleed ze. Zij was 54 en ik 22. Ik kon het verlies van mijn moeder helemaal niet aan, ben er nu nóg mee bezig om het een plekje te geven. ..

De dag na onze wandeling was het grijs en grauw. Heel erg toepasselijk om aan het gemis van m’n moeder te denken. Ik wist even niet hoe ik de dag door moest komen. De beste remedie daarvoor is voor mij om dan maar klusjes gaan doen in plaats van piekeren. Dat heb ik dan ook de hele dag gedaan. Zo heb ik eindelijk de kerstboom teruggebracht bij de zorgboerderij, waar ik ‘m gekocht had, en nog andere nuttige dingen gedaan. Evengoed heb ik gepiekerd, want ik ben nu ouder dan mijn moeder is geworden en hoe zal mijn leven verder gaan?

Het ijs op de vijver is alweer gesmolten en het aantal coronabesmettingen neemt af. Als het meezit gaat Janine volgende week weer naar school. ‘Maak je geen zorgen voor de dag van morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad’. Een tekst uit de bijbel die mijn moeder vaak citeerde . Ik doe mijn best mama, echt! Maar er zijn van die dagen, dat ik dat even kwijt ben…

De luchtreiniger

Laat ik weer eens een blog te schrijven, onderwerpen genoeg. Maar waarover? Over de scholen die voorlopig nog dicht zijn? Over de inauguratie van Joe Biden? Over het aftreden van ons kabinet, de Britse variant van het coronavirus of de avondklok die vandaag ingaat?
Ach nee, daar wordt al genoeg over gezegd en geschreven. Laat ik het maar wat dichter bij huis houden. Wij hebben namelijk een nieuw apparaat in huis staan: een luchtreiniger. Niet zo’n spuitbus die met z’n dennengeur de ozonlaag aantast, maar een echte luchtreiniger. Ik had daar zelf nog nooit van gehoord, maar ineens stond ‘ie er.

Het zit zo: Gerard heeft een neus voor gadgets, nieuwigheidjes zogezegd. Maar dan geen domme hebbedingetjes, zoals sleutelhangers, maar dingen die er echt toe doen. Zo was hij één van de eersten met Waka Waka’s in huis (zien er uit als een zaklamp, zijn dat ook maar slaan zonne-energie op.) Ontzettend handige uitvinding voor mensen in arme landen, waar geen elektriciteit is maar wel veel zon. Niet dat wij zo arm zijn, maar op de camping bleken ze ook reuzehandig om onze mobieltjes mee op te laden. En ’s nachts had je dan een goede zaklamp. Ook van zonne-energie was onze deurbel die Gerard via internet ergens vandaan had. Helaas was die niet handig, want na de zomer deed ‘ie het niet meer. We hebben maanden zonder bel gezeten. Al die tijd was het bij ons net als bij het tv-programma Samson en Gert: ‘Ik moest kloppen, want de bel deed het niet’. Nog een voorbeeldje in dit kader zijn een soort ronddraaiende ventilatortjes, die je onder de verwarming kunt bevestigen. Deze zorgen voor een betere verspreiding van de warmte in de kamer.
Nou, ga zo maar door. Het probleem is soms dat ik er het nut niet van inzie. Maar ja, ik ben zo atechnisch, dat weerhoudt Gerard er niet van om weer iets te kopen. Hoe vaak ik wel pakketjes bij de voordeur aangepakt heb, zonder enig idee wat er in zat!
Dit keer kon ik me niet herinneren dat er een grote doos was bezorgd.
Het was kerstvakantie en er werd geklust in huis. Er stonden al zoveel dozen met gereedschap en spullen, dat ik eerst niet eens door had dat er nog iets stond. Totdat Simon opmerkte: ‘Wat hoor ik toch voor gek geluid?’ Ik keek eens rond en zag in een hoek een wit apparaat staan. Het had een display met getallen erop, en het blies lucht.
‘Gerard, wat is dat?’ vroeg ik.
‘Oh, een luchtverfrisser’, zei hij, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
‘Een wat, een luchtverfrisser? Waar hebben we die voor nodig? En waar heb je die nou weer vandaan?’
Gerard vertelde enthousiast dat dit apparaat heel veel vervuiling uit de lucht opving en voor ons zuiverde. Fijnstof bijvoorbeeld en andere rommel.
Ik keek hem glazig aan. Wat voor luchtvervuiling, vroeg ik me af? Ik ben niet alleen opgegroeid in de Bollenstreek, maar ook onder de rook van Schiphol. Verder heb ik naast de A27 gewoond én aan een drukke verkeersweg in Rotterdam. Wat kon hier in het rustige Wageningen in vredesnaam voor luchtvervuiling zijn?
Nee, zo simpel lag het allemaal niet. Gerard wist feilloos te vertellen dat de lucht ook hier best slecht was. Veel fijnstof bijvoorbeeld door al die mensen met houtkachels, vuurkorven en bbq’s, en wat dacht ik van de zooi in de lucht met oud- en nieuw?!
‘Maar het is coronatijd, er mag niet eens vuurwerk afgestoken worden!’ zei ik. Dat maakte voor hem niets uit. Gerard was duidelijk heel tevreden over zijn aankoop.
Zoals wel vaker, was ik minder enthousiast, wat hem frustreerde. Maar mij frustreerde het dat er ineens een apparaat stond dat herrie maakte. Ik kreeg het er koud van en ik irriteerde me aan het geluid. Alsof er steeds een stofzuiger in de hoek van de kamer stond, okay iets minder dan, maar toch!

In de nacht van Oud- en Nieuw barstte de bom. Gerard was in mijn beleving heel de avond bezig met zijn nieuwste speeltje (erg overdreven, ik geef het toe) en ik liep me er heel de tijd aan te ergeren. ‘Zet dat ding zachter,’ snauwde ik geregeld. Dat ging erg omslachtig. Via zijn mobieltje moest hij iets aantikken en dat lukte niet.
‘Trek de stekker er dan uit!’ Maar net op dat moment had hij de goede knop weer gevonden.
Om 12 uur ’s nachts ging ik met de kinderen naar buiten. Maarten en ik staken wat rotjes af van vorig jaar, en Janine had oude sterretjes. In de buurt werd volop geknald en er was nog behoorlijk veel vuurwerk te zien. Gerard bleef binnen, in de ‘frisse’ lucht. Toen wij ook weer binnen waren, stond de luchtreiniger te blazen als een stoomlocomotief. ‘Zie je nou hoeveel fijnstof er in de lucht hangt!’ zei Gerard. Ik zei niets. Ik was moe en liefst wilde ik meteen naar bed, er was verder toch niet veel te beleven. Ik stuurde de kinderen naar bed en ging zelf ook. Maar toen ik onder de dekens kroop, hoorde ik een inmiddels bekend geluid… de luchtreiniger!
Toen ging het mis. Ik werd boos en verzocht Gerard ‘dat ding weg te halen’. Hij werd ook boos. ‘Hoezo? In de zomer mag de ventilator er toch ook staan?’ ‘Ja dat is iets heel anders, dan is het bloedheet’, zei ik. Gerard vond dat nergens op slaan en werd nog bozer. ‘Je zeurt de hele tijd al over dat ding, ik haal hem wel weg hoor! En dan ga ik wel op de bank slapen beneden!’
Pff, het was 1 januari kwart over één ’s nachts en wij maakten nu al ruzie… gelukkig nieuwjaar!

De volgende dag, eigenlijk dezelfde, hebben we het gauw goed gemaakt. Ik kreeg een knuffel en een kus, en we hadden een goed gesprek op volwassen niveau. Gerard verdiepte zich weer in de gebruiksaanwijzing van zijn apparaat en werd er al gauw handiger in. De luchtreiniger bleek ook te werken zonder herrie. Het staat nu stil in een hoekje en doet wat ‘ie moet doen. Kortom, geen vuiltje meer aan de lucht. Wat zeg ik? Geen vuiltje meer bij ons IN de lucht!

PS Voor technische vragen over de werking van onze luchtreiniger, wil Gerard je graag te woord staan!

Lockdown met onze tieners

Gisteravond hebben we gehoord dat de lockdown weer verlengd wordt. Niet zo verrassend, na het ‘geheime’ overleg van de ministers afgelopen zondag. Wat is daar nog geheim aan? Steevast lekt er iets uit, of zouden ze dat misschien expres doen?

Het is alweer een maand geleden dat de tweede lockdown begon. De dag voorafgaand aan die persconferentie was ik een beetje zenuwachtig. Ik was net zo gewend aan de relatieve vrijheid, had helemaal geen zin om weer verplicht thuis te zitten met z’n vieren! Maar toen het hoge woord eruit was van onze premier, werd ik rustiger. Vier weken was ook weer niet zo lang. Bovendien was het toch al bijna kerstvakantie, dan zit je normaal ook met z’n allen thuis. We zouden wel zien.

Onze oudste tiener kwam al meteen thuis te zitten. Niet door corona, maar door een valpartij met z’n fiets bij school. Hij werd met kapotte fiets en al thuisgebracht door de vader van een klasgenootje, spierwit van schrik. Hij kon de week daarna amper lopen, dus naar school gaan was hem zonder lockdown ook niet gelukt…

In de kerstvakantie konden we niet met elkaar naar opa of oma, of gezellig naar het Openluchtmuseum. Daar had ik nou net zo’n zin in gehad. Maar onze tieners zaten er niet mee; die luierden er op los. Lekker lang in bed, nog langer in pyama, heerlijk! Maarten lag dankzij de valpartij sowieso al vaak op bed, vergezeld door één van onze poezen, die ook niet naar buiten te slaan was. Lekker filmpjes kijken of gamen, wat wil een tiener nog meer? Janine had er ook geen moeite mee om zich binnen te vermaken. Telefoon in haar hand, koptelefoon op, onbereikbaar voor vragen als: ‘Ga je nog naar buiten?’, of ‘Kom je eten?’

Normaal ben ik dit gedrag aan het eind van de kerstvakantie meer dan zat. Zo ook deze keer. Ik werd sacherijnig vanwege geklus in huis (sorry Simon en Irene). Moedeloos van onze hoeveelheid zooi, geen idee waar te beginnen met opruimen. Boos op Gerard die alleen nog maar meer spullen in huis haalde… (al kon hij daar eigenlijk niet veel aan doen. Het huis van zijn moeder moest leeggehaald worden en het woord weggooien staat niet in zijn woordenboek…) En ik vroeg mezelf hopeloos af: “HOE LANG moet ik die lockdown eigenlijk nog volhouden? Hoe lang zitten we nog thuis met z’n allen? Kan ik alsjeblieft een beetje ruimte krijgen voor mezelf?”

Die ruimte kwam vrij onverwachts, zomaar op een saaie doordeweekse dag. En dat ging ongeveer zo:

5.38 uur, de wekker gaat voor Gerard. Hij moet werken van 6 tot half 3, zijn werkschema wisselt ongeveer per dag. Hij installeert zich dan met zijn laptop in de huiskamer aan onze multifunctionele eettafel. Ik draai me nog even om in bed.

7.30 uur, de wekker voor mij. Onder de gezellige klanken van een raadspelletje op Radio 2, word ik moeizaam wakker. Is het nou nog steeds donker??? Toch maar gauw opstaan voor de kinderen.

8 uur. ‘Maarten, ben je wakker? Maarten, kom uit bed! (nog 5 keer herhalen). Maarten leg die telefoon weg, eet je brood op. Hoe laat begint je les eigenlijk, half 9? Het is nu twee minuten voor half 9… Schiet op, ga naar boven!’ Maarten geeft bijna nergens antwoord op. Hij verschanst zich achter zijn laptop, doet de deur hermetisch op slot en je moet maar hopen, dat hij echt de lessen volgt. Zo nu en dan stampt hij de trap af voor koek, limonade en boterhammen. Aankleden en tandenpoetsen doet hij alleen als hij daar zin in heeft.

9.45 uur. Janine, die ook achter de laptop haar lessen moet volgen, sluipt de trap op met een bak chips en zoute stokjes. Toevallig loop ik daar ook. ‘Lekker zeg,’ reageer ik verbaasd. Janine kijkt betrapt, en zegt gauw: ‘Oh mama, dit is niet voor nú hoor! Maar alvast voor als ik vanmiddag honger krijg of zo.’ Ja ja… een kwartier later is het bakje natuurlijk al half leeg. Ik geef haar een mandarijn en zet de chips op de kast. Eerst maar wat vitamientjes.

Ik heb geen baan, zoals dat heet. Ik faciliteer dat mijn man en kinderen kunnen werken en leren. Dus ruim ik de afwasmachine leeg, zet de wasmachine aan, stort me op een berg strijkgoed van twee en een halve week, haal boodschappen, ruim een kast op op zolder, breng twee vuilniszakken vol oude kleding naar het Leger des Heils, maak het eten klaar, lees mijn appjes uiteraard, en stort zo nu en dan in.

Maar die ene dag niet! Ik had bij het opruimen oude cassettebandjes gevonden met muziek die ik vroeger zelf opgenomen heb. En ik laat ik nou pas van een lieve zwager een radio-/cd-/cassettespeler hebben gekregen! Een uur lang is onze slaapkamer omgetoverd tot mijn privé-disco, en zing ik vrolijk mee met muziek van… The Police. Op ‘Shadows in the rain’ doe ik lekker mijn dansoefeningen, die ik zo vreselijk mis, en bij ‘Consider me gone’ raak ik bijna in trance van zoveel moois. Even ben ik weer jong, even geen mama die de lockdown moet doorstaan met man en tieners. Even geen zorgen hoe het allemaal verder moet, ik kan nog altijd zingen en dansen!

Ook al was dat dan maar even, sinds ik meer muziek luister, kan ik er weer beter tegen.

Naar mijn vader

Op Tweede Kerstdag ga ik met een dochter naar mijn vader. Vanwege de corona-maatregelen kan ik maar één kind meenemen. Hanna had haar opa het langst niet gezien, dus de keuze viel op haar. Gerard blijft thuis met de jongsten drie, lekker rustig. Onze Hanna is een prettige reisgenoot. Ze klaagt niet als ik mijn pasje weer eens kwijt ben, of als ik in mijn rugzak rommel, op zoek naar kauwgum. Dit in tegenstelling tot mijn geliefde… Verder houdt Hanna ook van lezen, schrijven en een beetje naar buiten staren in de trein. Net als ik.

Mijn vader woont in de buurt van Schiphol. Je bent dus wel even onderweg als je er met het OV heengaat, reken maar op twee-en-een half uur. Maar ach, we zitten hoog en droog in de trein. Mondkapjes op, afstand houden van andere passagiers, eigenlijk best relaxed.

Het was weer eens zo’n dag dat het maar niet licht werd. Ik ben daar geen fan van. Om nog enigszins aan onze vitamine D te komen, besluiten we om vanaf het station in S. naar mijn vader z’n huis te lopen. Een wandeling van ongeveer 25 minuten, deels langs de snelweg, deels door de buurt waar ik als kind gewoond heb. ‘Kijk, dat is ons oude huis’, wijs ik Hanna aan. ‘En dat is de Zandsloot, daar speelden we vaak’. In de zomer kon je er roeien of langs de kant op naar dingen speuren. In de winter leerde je daar schaatsen. Iets wat mijn kinderen tegenwoordig nog nauwelijks meemaken.

Een eindje verderop ruikt het heerlijk naar mest. “Kijk, bij die boerderij wachtte ik altijd op mijn vriendinnen, als we naar school gingen’. De boerderij staat erbij alsof er niets veranderd is in 40 jaar. Het witgeschilderde viaduct onder de snelweg door lijkt ook niets veranderd. Nog steeds dezelfde gladde klinkertjes op straat en graffiti op de muren.

Niet veel later bellen we aan bij mijn vader. Ik zie hem stram overeind komen en een beetje wankel door de kamer lopen. Maar met een grote glimlach zwaait hij de voordeur open. ‘Kijk, daar zijn de dames. Kom gauw binnen, want het is koud! Zijn jullie helemaal vanaf het station komen lopen?’ Hoofdschuddend gaat hij voor ons uit de warme woonkamer in; 24 graden wijst de thermometer daar aan. Een mooie oude mannen-temperatuur, zoals mijn vader dat noemt. ‘Maar die thermometer klopt niet hoor,’ zegt hij altijd als wij klagen over de warmte. ‘Trek er maar 2 graden van af.’ Waarom, dat is me nooit duidelijk geworden.

Mijn vader ziet er goed uit, maar hij zegt dat hij moe is. Iets wat hij tot voor kort nooit zei. ‘Wat wil je pap, je bent 89!’ zeg ik. ‘Ja, ja,’ zegt mijn vader en dan richt hij zich tot Hanna. ‘Jouw moeder doet net alsof ik al 90 ben. Dat zei ze pas nog, en dat ik daarom eerder voor een coronaprik opgeroepen word. Maar ik ben nog lang geen 90!’ Hanna lacht. Mijn vader ziet er inderdaad niet hoogbejaard uit, al trillen zijn handen en is hij gauw buiten adem. ‘Ach ja, dat hoort erbij’, zegt hij altijd als je daarnaar vraagt. ‘De dokter wil dat ik een foto laat maken in het ziekenhuis, maar ik zie er de noodzaak niet van in. Zolang het niet erger wordt…’

Wonderlijk hoe mijn vader zich herstelt na een aantal zware jaren. Zijn tweede vrouw was erg hulpbehoevend geworden, en hij stond dag en nacht voor haar klaar. Verpleging in huis was niet nodig; hij regelde het zelf wel. Met grote moeite hebben we hem zo ver gekregen dat hij een huishoudelijke hulp accepteerde, maar daar hield het dan ook echt mee op. Ruim een jaar geleden werd hij voor de tweede keer weduwnaar en dat viel niet mee. Toch is hij weer opgekrabbeld en geniet hij van zijn leven. ‘Meid, ik vermaak me wel hoor’, zegt hij, als je hem vraagt hoe hij zich voelt. ‘Alleen zijn is niet altijd leuk, maar ik heb genoeg te doen. En ik ben nog gezond, dus wat wil je nog meer?’

Na een poosje babbelen maak ik een rondje door het huis. Niet om te controleren of het netjes is, want dat is het er altijd. Met ijzeren discipline zorgt mijn vader daar welk voor. Mijn hemel, ik wilde dat ik wat organisatietalent van hem had geërfd! Dan zag ons huis er tenminste ook wat opgeruimder uit… ‘Ja hoor eens, een huis is om in te leven, en wij hebben kinderen’, zegt Gerard altijd als ik daarover klaag. Maar vroeger leefden wij toch ook? Hoe doet hij dat toch? En zijn tuin is ook altijd een plaatje. Zowel in de voor- als achtertuin staat alles op z’n plek. Vroeger wist hij zelfs de namen van elk plantje in het Latijn, dankzij de Fleur (een tijdschrift over bloemen en planten).

Een blik op een klok en ik ren naar beneden. Het is al 5 uur en ik zou koken! Tweede Kerstdag of niet, mijn vader wil om kwart voor 6 het eten op tafel. Ik ben niet zo’n keukenprinses, maar ik doe m’n best. Zelf-gedraaide gehaktballetjes, gebakken aardappels en groenten. En modern als ik ben, check ik m’n appjes tussendoor. M’n vader kijkt over mijn schouder mee naar de foto’s die ik heb gemaakt. Hij heeft ook een mobieltje, maar die gebruikt hij slechts voor noodgevallen. Foto’s maakt hij met een fototoestel.

Na het eten doen Hanna en ik de afwas, en mijn vader ruimt op. ‘Dat kunnen wij ook wel hoor, pap’, zeg ik, maar het maakt geen indruk. Stel je voor dat we de kopjes op de verkeerde plek zetten! Toch zien we dat hij echt moe is.

We maken ons klaar voor vertrek. Tot een paar jaar geleden bracht m’n vader ons dan naar het station, maar dat doet hij niet meer. Hij rijdt alleen nog bij daglicht naar de supermarkt, één keer in de week. Alle andere dingen doet hij met de fiets. Lopen lijkt wel het enige wat hem niet meer goed afgaat…

‘Zielig hè’, zegt Hanna, als m’n vader ons uitzwaait. ‘Helemaal alleen in dat grote huis…’ Ik herinner me ineens dat mijn opa ons óók zo uit stond te zwaaien, in zijn eentje. Toen vond ik dat ook zielig. Maar nú ben ik vooral trots op die vader van mij! Oud is hij zeker, toch kan ik nog een beetje kind zijn bij hem. Want het laatste wat hij altijd tegen mij zegt is dit:

‘DAG MEISJE!’

De dag voor de harde lockdown

De dag voor de harde lockdown – gisteren dus- begon net als zoveel andere dagen in december. Grijs en grauw, een beetje miezerig. De hele dag het licht en kerstlampjes aan om het wat gezelliger te maken.


Het was de laatste week voor de kerstvakantie. Normaal is dat best een drukke week; de traditionele kerstviering met de kinderen van de basisschool, oefenen voor een lied of toneelstukje in de kerk, kerstkaarten schrijven of in elk geval een poging daartoe doen. Maar vooral: het huis nog heerlijk een week voor mezelf voordat de kinderen elke dag thuis zouden zitten!

Vanwege corona was het allemaal al anders. Geen kerstviering met school, al helemaal niet met de kerk want die draaide nog niet eens, sombere berichten dat het aantal coronabesmettingen alleen maar toenam. En hoe zouden wij als gezin kerstmis gaan vieren? Zeker niet met z’n allen, zoals vorig jaar. Maar welke kind laat je komen als er maar twee of drie zijn toegestaan, en je hebt er zes?

Terwijl ik de was ophing en dit overdacht, voelde ik me onrustig. Ik ben redelijk gevoelig, ook voor veranderingen die in de lucht hangen. Ik maakte me er zorgen over en ergerde me aan Gerard…die zich op zijn beurt ook aan mij ergerde. We hebben beiden onze eigenaardigheden. Hij kan ontzettend lang doorgaan over eenzelfde onderwerp. Soms begrijp ik niet waar hij het over heeft, en dan haak ik af. Dan vindt hij dat ik niet naar hem luister en een soort tunnelvisie heb…spraakverwarring alom.
Zo had Gerard het er al dagen over dat het voer voor de duiven op was, en dat er dus nieuwe zakken gekocht moesten worden. Liefst zakken met inhoud van 20 kilo. Beetje zwaar achterop de fiets als je geen auto hebt…Hij wilde dus eerst een auto lenen, in combinatie met iets anders nuttigs. Maar ik wilde gewoon naar die winkel fietsen en dan kleinere zakken kopen. Gezellig toch, even samen er op uit?
‘Nee,’ zei Gerard, ‘dat ga ik niet doen. Helemaal niet handig.’
Okay, dan niet. Ik besloot om niet in discussie te gaan, maar mijn eigen plan te trekken. Ik ging gauw naar de bibliotheek, voordat de lockdown een feit zou zijn. En ’s middags dan op zoek naar een kerstboom.

Ik fietste naar een boerderijwinkel twee kilometer verderop. Ze verbouwen daar biologische landbouwproducten en je kunt er ook kerstbomen kopen. Je kunt ze zelfs ter plekke uit de grond halen. Dat had ik een paar jaar geleden gedaan. Aangezien het toen gevroren had, was de grond keihard. Ik was een uur bezig geweest om die boom eruit te krijgen!
Nu ging ik snel kijken naar de bomen die al klaar stonden. Het waren er niet veel meer. Je kon kiezen tussen kleintjes van hooguit 50 cm, of grote die ik lelijk vond en die toch nog 25 euro kostten.
Ik twijfelde. Belde Gerard op om te overleggen, en zag een onbekend nummer dat mij twee keer geprobeerd had te bellen (bleek achteraf van onze zoon te zijn). Ik aarzelde en koos uiteindelijk dan maar voor een kleine. Maar helemaal tevreden was ik niet.
Op dat moment kwam er een man in de winkel met een korte broek aan. Hij vroeg of er nog kerstbomen op het land stonden.
‘Nou, misschien nog een paar’, zei de verkoopster vaag. Op mijn opmerking dat ze bij de winkel zelf ook niet zoveel bomen meer hadden, zei ze:
‘Ja, dan moet u maar eerder komen. Volgend jaar in de agenda: direct na Sinterklaas een kerstboom kopen!’ Ofwel eigen schuld, dikke bult.
Ineens kreeg ik ook zin om naar dat stuk grond te lopen, waar ik destijds zo had staan ploeteren. Ik had geen schep, maar die ene man in de winkel pakte een riek of hooivork uit zijn auto. Wie weet zou hij me helpen.
Er stond een hele rij kleine boompjes, een aantal middenmaatjes, en een paar vrij volle bomen. De man plantte zijn hooivork bij zo’n volle boom, en begon te spitten. Het leek vrij makkelijk te gaan. ‘Als we toch 5 weken thuis moeten zitten, dan maar een leuke kerstboom,’ zei hij.
Ik was het helemaal met hem eens, dus keek ik nog eens goed rond. Hee, daar stond echt een mooi boompje! Precies het formaat dat ik wilde hebben, en stukken mooier dan die bomen bij de winkel. Ik hoopte dat de man met zijn riek even wilde helpen, en draaide me om. Maar hij liep al weg, met boom en al! Hij ging me helemaal niet helpen…
Tja, daar had ik niet op gerekend. Maar wacht, als hij die boom zo makkelijk uit de grond kreeg, dan kon ik dat vast ook wel. Ik ging gewoon met blote handen proberen te graven, op m’n knieën.
Het was heel anders dan de vorige keer, want ik kwam makkelijk de grond in. Vrij snel zat ik al bij de wortelkluit en ik groef lekker door. Probeerde de kerstboom eruit te trekken, nee dat lukte niet. Eerst wat draaien aan de stam en nog verder graven. Nog een paar keer trekken en draaien, ik kreeg er plezier in. En ja hoor, ineens was ‘ie los.
Trots sjouwde ik mijn uitgegraven boom naar de winkel.
‘Nou, ik heb een andere gevonden,’ zei ik. ‘Ik heb hem uitgegraven, en ik wil hem ruilen voor die kleine dat ik net had gekocht.’
De vrouw keek me ongelovig aan, al zag ze wel dat ik erg vieze handen had.
‘Waar staat ‘ie dan?’ vroeg ze.
Ik wees hem buiten aan, waar ik ‘m had neergezet.
‘Oh, nou zeg. Enne… wat had u voor die kleine betaald?’ vroeg ze. Ze leek niet vaak klanten te hebben die een boom met blote handen uitgroeven.
‘Nou, het is wel goed zo’, zei ze. ‘Neem maar mee’.

Blij als een kind liep ik terug naar huis. De kerstboom had ik zo’n beetje in mijn fietstas gezet, waardoor ik niet op het zadel kon zitten. Nou ja, wat kon mij het schelen, mijn dag was al goed!

Thuis aangekomen, was het meteen gedaan met de vreugde. Gerard deed de deur open. ‘Waar is Janine?’ zei hij. ‘De begeleidster voor Janine is er al, maar ze is weg!’ Oh boy, ik was totaal vergeten dat de begeleidster zou komen.
‘Ik ga haar wel even zoeken,’ zei ik gehaast. Ze zat vast in het speeltuintje vlakbij. Terwijl Gerard net de kerstboom van mijn fiets had gesjord en ik weg wou lopen, draaide er een auto ons plein op. Een onbekende meneer met een jongen én onze zoon van 13 stapten uit. Hij zag spierwit.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik geschrokken. ‘Ben je ziek of zo, of ben je gevallen?
Hij bleek te zijn gevallen met zijn fiets, en niet zo zachtjes ook. Er zat een flinke slag in zijn wiel, en afgezien daarvan kon hij nauwelijks lopen van de pijn…Vandaar dat hij gepoogd had mij te bellen. Wat een pech!

Diezelfde avond sprak onze premier ons ernstig toe dat Nederland op slot ging. Geen intelligente lockdown dit keer, maar een harde. Een hele lijst veranderingen, die we gelaten aanhoorden. Maar in elk geval hadden wij een leuke kerstboom in huis. En een kind dat mank liep, en zes cupcakes die Joelle en de begeleidster hadden gemaakt. Een bijzonder begin van de kerstvakantie, 2020.

Pech onderweg – 2-

Sjonge, wat een ellende overal. Ik kijk geen nieuws meer. We hebben ooit een abonnement op de krant genomen om bij te blijven, maar de laatste tijd vraag ik me af of ik wel bij wìl blijven. Al dat gedoe over corona, Sinterklaasintochten die niet doorgaan, mensen die elkaar om de gekste reden afmaken… En dan is het ook nog eens december. Mijn opa zaliger maakte vroeger indruk op mij, door zuchtend te praten over ‘die donkere dagen voor kerst’. Als alleenstaand weduwnaar had hij daar behoorlijk moeite mee.
Als kind snapte ik niet waar hij het over had. Gezellig toch, december?! Ik was al sinds oktober bezig voor iedereen sinterklaascadeautjes te kopen en gedichtjes te schrijven. En na alle cadeaus en snoep van 5 december was het advent. Heerlijk toeleven naar kerst en de kerstvakantie! Hopen dat het ging sneeuwen en vriezen; die kans zat er toen nog best in.
Tegenwoordig werk ik me net zo zuchtend als mijn opa door die donkere dagen heen. Ik vind er niks aan. Het liefst zou ik in bed blijven om een winterslaap te beginnen, want ik sta elke dag moe op en val overdag zomaar in slaap. Leuk winkelen voor Sinterklaas is er niet meer bij door corona, en samen met alle kinderen Sinterklaas vieren mag niet van de regering.
En dan hebben we ook nog eens een kapotte auto!!!
Ja ik weet het… op wereldniveau stelt dat totaal niets voor, maar in het klein hier is het toch wel lastig.

Ik was dus ergens onderweg gestrand en de ANWB zou komen helpen. De ANWB werd vertegenwoordigd door een man van 40, die enige haast leek te hebben.
‘Mag ik de sleutel?’, was zijn eerste vraag. Dit nadat hij verteld had, dat hij mij niet kon bereiken op mijn mobiel. Vreemd, die stond gewoon aan. ‘Maar toen bleek ik een verkeerd nummer te hebben. Intussen heb ik uw zoon wel aan de telefoon gehad.’
Nee hè, dacht ik, dan wist hij ook al dat de auto kapot was!
‘Ehm… de sleutel?’, herhaalde meneer zijn vraag.
Ik voelde in mijn zakken en keek in m’n rugzak. Weg sleutel; nou dat weer! Ik gooide jas en tas op de grond en liep terug naar m’n coach, die net de voordeur op slot stond te doen.
‘Ben je wat kwijt?’, vroeg ze.
‘Ja, de autosleutel’.
‘Nou binnen ligt er niets meer, dat weet ik zeker.’
Als zij dat zo zeker wist, dan zou dat wel zo zijn. Maar waar had ik dat stomme ding toch gelaten?
Ik rommelde nog eens in mijn rugzak, en ja…gelukkig! Gerard noemt mijn tas altijd een grabbelton. Volgens hem zitten er zoveel onnodige dingen in, dat ik nooit kan vinden wat ik nodig heb. Aan de andere kant, hij is ook heel vaak wat kwijt en dan vind ik het altijd weer terug.
‘Geef die sleutel maar hier,’ zei de ANWB-meneer.
‘Ik denk niet dat je hem zelf aan de praat krijgt hoor,’ zei ik, ‘het slot heeft ook nog een gebruiksaanwijzing’.
‘Nou, start hem dan zelf maar!’, zei meneer ietwat ongeduldig.
En dat deed ik. Een vreselijk ratelend geluid was het gevolg, al startte de motor wel.
‘Laat de koppeling eens los,’ was de volgende opdracht.
De ANWB-meneer wist genoeg.
‘Ik denk dat je de versnelling helemaal naar z’n grootje hebt gebracht. Vertel nog eens wat er onderweg gebeurde?’
Hoofdschuddend hoorde hij mijn verhaal aan. ‘En dan ook nog gewoon doorrijden, oh oh oh. Dat gaat je een hoop geld kosten hoor, ik schat zo’n 1500 euro’.
1500 euro?? Crisis!!! Dat gingen we er echt niet meer aan uitgeven.
Eindelijk kreeg hij een beetje medelijden met me, geloof ik. In elk geval begon hij wat vriendelijker van toon tegen me te praten.
‘Je kunt hier niet meer mee naar huis hoor’, zei hij vaderlijk. ‘De auto moet hier in de buurt even een nachtje logeren, en dan wordt ie morgen in jullie woonplaats gebracht.’
Een nachtje logeren? Het leek wel of hij het tegen een kleuter had die naar het ziekenhuis moest of zo.
Maar het kon me allemaal niet veel meer schelen. Als hij maar wat ging regelen, ook dat ik weer eens naar huis kon bijvoorbeeld. En dat deed ie voor me. Hij was amper weg, of ik voelde tranen omhoog komen. Van schrik na alles en van zelfverwijt. ‘Stom gedoe met die auto, ik kon ook niks! Ik had toch zelf wel kunnen bedenken dat ik moest stoppen? En aan die mannen had je ook al niks!’

Gelukkig had ik wel wat aan mijn eigen mannen. ‘Kan gebeuren. Jij kon er toch niets aan doen?’ zei onze zoon. ‘Blij dat het jou overkwam en niet mij…’, zei manlief. Ach ja, hij bedoelt het goed.

Gisteren is ons bakbeestje opgehaald door een sloopbedrijf. Ik stond in m’n eentje drie kwartier in de regen te wachten, totdat er iemand aan kwam rijden. Een vrolijke man die niet moeilijk deed . Vakkundig reed hij de auto op zijn sleepwagen. We kregen nog een zakcentje mee, en toen waren we weer autoloos.

Er zijn ergere dingen, veel ergere. Maar misschien heb je nog een tip voor een goede en betrouwbare tweedehands auto? Eentje die niet steeds gerepareerd moet worden graag.

Pech onderweg

Pas geleden had ik een afspraak bij een coach, 75 km verderop. Bepaald niet om de hoek, maar voor mij de moeite waard.
De dag ervoor overwoog ik nog of ik met het OV zou gaan, of met de auto. Met de trein reizen vind ik altijd leuk, maar in dit geval leek het nogal een omslachtige gedoe. Dan maar met de auto, dat spaarde een hoop tijd uit. Dacht ik…

Het was een stralende dag. Voorzien van koffie, water en leuke cd’s reed ik weg. Ik hoorde vaag een rammeltje bij het schakelen, maar ik dacht dat er een blaadje in de ventilator zat of zo. Snel nog even tanken, wat helemaal niet snel ging, omdat de betaalautomaat aangaf dat er er iets mis was met mijn pasje. Er was echter niets mis, maar ik had hem er ondersteboven ingestopt. Stom!
Enigszins gehaast reed ik verder richting snelweg. Ik was daar nog geen 5 minuten of ik hoorde het rammelende geluid weer, en nu een stuk harder. Wat kon dat nou zijn?
Ik had geen idee en reed een eindje door. Maar het geluid maakte me onrustig, dus stopte ik bij het eerste het beste tankstation. Ik besloot meteen maar hulp te gaan zoeken. Met een vriendelijke glimlach ging ik voor een bestelbus staan die daar ook stond geparkeerd, en trok zo de aandacht van de chauffeur. Die stapte meteen uit. Hij was zeker bereid om eens onder de motorkap te kijken, maar zag eigenlijk niets bijzonders.
‘Merkte je iets bij het versnellen of gas geven?’ vroeg hij nog. Ik dacht het niet. Toen stelde hij me gerust dat ik best door kon rijden, zolang er geen lampjes gingen branden op het dashboard. ‘Het is wel een Volvo mevrouwtje, die zijn niet kapot te krijgen!’
Nou, dat bleek niet helemaal waar te zijn. Maar ik heb hem vriendelijk bedankt en ben weer verder gegaan. Niet al te hard rijden leek te helpen. Het geluid was niet weg, maar werd ook niet erger. Het lukte alleen niet om naar de vijfde versnelling te schakelen, vreemd. Nou ja, dan maar in de vierde. Ik kon maar beter doorrijden, want ik was intussen al laat.

Een hele poos ging het goed. Ik zette de cd wat harder om het gerammel niet te horen, en zong lekker mee. Het was een oude cd van Simon en Garfunkel. Jeugdsentiment uit de jaren 70….’Why don’t you write me, El condor pasa, The only little boy in New York’. Heerlijke muziek die ze tegenwoordig niet meer maken. Ik ontspande alweer en de zon scheen vrolijk. Het zou best goed komen allemaal.
Totdat ik me realiseerde dat het gerammel nóg erger was geworden. Oeps…wat nu? Ik moest nog zo’n 25 km rijden, zou ik zo vlak voor de bestemming alsnog stranden? Moest ik Gerard bellen of de ANWB? Maar dan stond ik hier in m’n eentje langs die drukke A12, vierbaans breed en nergens een parkeerhaven. Straks was de wachttijd een uur en was al mijn moeite voor niets geweest. Of, nog erger, straks werd ik aangereden en lag ik hier moederziel alleen langs de kant van de weg!
Ik was aardig zenuwachtig inmiddels en dacht koortsachtig na. Besloot naar de vluchtstrook te rijden, alarmlichten aan, snelheid omlaag en weer verder. Gekkenwerk, zei een stemmetje ergens in m’n hoofd. Zorg dat je van die snelweg afkomt! zei een ander stemmetje. Ik luisterde naar die tweede en reed met bonzend hart door over de vluchtstrook.
Niemand die me ook vraagt wat er is, dacht ik geërgerd. Wat natuurlijk niet erg reëel was, ik zou dat zelf ook niet gedaan hebben. Sterker nog, ik zou me afgevraagd hebben wat iemand bezielde om met zo’n slakkengangetje op de snelweg te rijden…
Eindelijk kwam daar dan de afrit van de snelweg naar de plaats waar ik moest zijn. Maar daar was geen vluchtstrook meer en moest ik wel de weg op. Pfff, meer dan 60 kilometer haalde ik niet eens. En maar rammelen, die auto. Tot overmaat van ramp moest ik bij de volgende afrit een lange helling op en daarna nog een rotonde langs…en de vierde versnelling viel ook al uit!
Met een soort moed der wanhoop hield ik ons oude Volvootje (of eigenlijk de auto van onze zoon) aan de praat, tot de straat waar ik moest zijn. Het gierende geluid werd nog erger, en ik wilde er zo snel mogelijk uit. Wat het was wist ik niet, maar wel dat het goed mis was!

Trillend op m’n benen stapte ik uit de auto. En wat nu? Ik was naar die coach voor een gesprek, maar om te beginnen was ik al een half uur te laat. En ten tweede moest er natuurlijk naar die auto gekeken worden, want ik ging er geen meter meer in rijden.
Gelukkig was mijn coach relaxed. ‘Hier heb je een kop thee, en bel maar gauw de ANWB op,’ zei ze. Ik was blij dat ik mijn pasje in de haast niet was vergeten, en begon te bellen. Nadat ik een paar minuten naar een bandje met allemaal keuzemenu’s had geluisterd, kwam er iemand aan de telefoon. Een vriendelijke dame vroeg wat er loos was, en of ik het kenteken even door wilde geven.
Kenteken, sh…wat was dat ook weer? Ik liep naar buiten om het te checken, en las het haar voor. Liep vervolgens weer naar binnen, en struikelde languit op de vloer. ‘Rotdrempel! mopperde ik. Het was niet de eerste keer dat ik daarover struikelde, maar ik was nog nooit echt gevallen. Gelukkig was ik nog heel en mijn telefoon ook, maar nu moest het maar eens klaar zijn met dat gestress! Ik kwam tenslotte bij m’n coach om te praten over heel andere dingen dan autopech… We begonnen er dan ook maar snel mee, en het werd nog een zinvol gesprek ook 🙂

-Wordt vervolgd-

Kattengejank

Nu wij eindelijk door de kleine kinderen heen zijn, zou je denken dat mijn nachtrust weer goed is. In ons grote gezin was er altijd wel een baby die ’s nachts huilde, een kind dat ziek werd, eng gedroomd had of niet meer konden slapen. Later werden dat de meiden die schoolfeestjes hadden en laat thuiskwamen, onze zoon die uitging tot weet-ik-hoe-laat-’s nachts.

Eigenlijk ben ik zo gewend geraakt aan wakker worden ’s nachts, dat ik hoofdpijn krijg als ik eens een hele nacht doorslaap!
Gelukkig zorgt mijn gezin er wel voor dat dat niet vaak gebeurt… Onze jongste heeft volgens mij nog nooit één nacht fatsoenlijk doorgeslapen in haar 10-jarige leventje. Iets met licht slapen en een vol hoofd. Verder heeft Gerard onregelmatige diensten, ook nachtdiensten dus. Sinds corona in ons land is, werkt hij meestal thuis, ook ’s nachts dus. Maar ook daar ben ik aan gewend.

Onlangs werd ik ’s nachts wakker van iets heel anders. Iets wat ik meer in het voorjaar zou verwachten dan in november.
Eigenlijk werd ik allereerst wakker omdat ik het ontzettend warm had. Ik bleek zo ongeveer klem te liggen tussen Gerard en mijn jongste dochter. Zij kruipt nog altijd graag bij ons in bed, maar nu ze alsmaar groeit en groeit, neemt ze steeds meer plek in.
‘Kom’, zei ik, ‘we gaan gewoon weer naar je eigen bed’. Met ‘we’ bedoelde ik natuurlijk dat zij naar haar eigen bed moest. Janine mompelde wat en kwam slaperig overeind. Zonder protest liep ze mee richting de trap, naar haar eigen kamertje.
ZeIf was ik inmiddels klaarwakker, en ik hoorde een vreemd geluid. Toevallig was Maarten ook wakker geworden.
‘Wat hoor ik nou?’ vroeg ik hardop.
‘Kattengejank’, bromde Maarten. ‘Jaag jij ze even weg mam, ik wil slapen!’ En hij draaide zich lekker om, onder zijn warme dekens.
Janine begon ook al te klagen over de katten, of ik ze misschien stil kon krijgen.
‘Ja ja’, zei ik, ‘ik ga wel even kijken.’
Ik liep naar beneden en zocht in de donkere huiskamer naar sleutels, mopperend in mezelf dat Gerard ook nooit eens wakker wordt van dit soort dingen.

Maar ja. Met een ruk opende ik de achterdeur en speurde de tuin af. Wij hebben zelf twee poezen, en ik wilde niet op m’n geweten hebben dat die de buurt wakker hielden met nachtelijk gejank.
In eerste instantie zag ik niets, maar even later hoorde ik soort van gegrom. Wacht eens, het klonk verderop bij de brug. Door het licht van de straatlantarens kon ik in elk geval één boosdoener zien. Aha, die dikke kat van de familie X. Een brutaal beestje dat overdag ook geregeld door onze achtertuin sluipt.
Omdat ik onze poezen niet zag, deed ik de achterdeur dicht en liep naar de voordeur. Twee doodsbange katten stoven onmiddellijk langs mijn benen naar binnen, toen ik de deur opende.
‘Gelukkig’, dacht ik, ‘zij hebben tenminste geen lawaai gemaakt.’ Die conclusie kon ik eigenlijk niet 100 % bevestigen. Maar in elk geval waren onze poezen braaf binnen. Toch hoorde ik nog steeds gejank op de brug.
‘Erop af’, dacht ik, ook al was het midden in de nacht en was ik alleen. Ik trok gauw een jas aan over mijn pyama en ging naar buiten, gewapend met een gietertje water.
Toen ik even later bij de brug kwam, was daar geen kat te bekennen. Hoe kon dat nou, hadden ze me al geroken of zo?
Ik liep een paar keer heen en weer maar nee, ik zag niets. Dus ging ik terug naar huis met m’n gieter nog vol water. Nog één keer keek ik achterom. En wie zat daar op een afstandje naar me te loeren?
Precies, de brutale kat die onze arme poezen altijd bang maakt. Snel liep ik terug naar de brug en rende richting kat. Die rende op zijn beurt heel hard weg voor mij, de straat in. Met een grote zwaai gooide ik heel de gieter leeg, om hem nog duidelijker te maken die ‘ie op moest hoepelen. En dat deed ‘ie, hij bleef rennen tot ik hem bijna niet meer zag.


Pfff, operatie kat was ten einde. Ik liep gauw weer naar huis, waar het stil en donker was. Iedereen sliep. Zachtjes ging ik de trap op en kroop weer in bed. Het was kwart over 4. Het duurde nog wel voor ik weer in slaap viel, maar ik heb geen kat meer gehoord.
De volgende ochtend bleek Gerard totaal niets gemerkt te hebben. Verbaasd hoorde hij mijn verslag van de nacht aan. Zijn dochter had hij niet gehoord en ook geen kattengejank. Heerlijk als je zó vast kunt slapen! Maar ja, hij draait nachtdiensten en dat zou ik echt niet trekken. En zo verdelen wij de lasten nog aardig, toch?

Ja, maar hij ook altijd…

Ik hou heel veel van Gerard, en hij ook van mij. Toch zijn er momenten dat we ons allebei afvragen wat we ooit in elkaar gezien hebben… Ik vind hem dan ingewikkeld doen en hij vindt mij dom… Meestal gaat het om kleine dingen, maar ook kleine dingen kunnen knap irritant zijn!
Vaak verlopen de irritaties volgens hetzelfde patroon: de één doet iets en de ander reageert, waarop de één boos wordt en de ander zich ook niet begrepen voelt.
Gelukkig duren dat soort momenten niet lang; we hebben echt wel wat geleerd in alle jaren samen. Maar toch een blog over dit onderwerp. Al was het alleen maar… om gelijk te krijgen van mijn lezers 🙂

Pas was het weer zo’n dag. We hadden prima geslapen en het was herfstvakantie. Niets aan de hand. We zaten gezellig wat te drinken; wij koffie en de kinderen limonade. Koek lag klaar op een schaaltje. En ineens ging het mis.
Ik zat op een stoel bij het raam en wilde m’n beker even in de vensterbank zetten. Maar ik keek ook achterom…en voor ik het wist gooide ik de volle beker koffie om. Een flinke plens koffie stroomde over de vensterbank en de rest drupte op de vloer.
‘Oh nee… m’n koffie!’ riep ik geïrriteerd.
‘Oh nee, de nieuwe vloer!’ riep Gerard vanuit de andere hoek van de kamer. ‘Wat doe je nou weer? Maarten, geef jij mama gauw eens een vaatdoek om de vloer schoon te maken!’ Maarten is nooit zo snel op dit soort momenten, dus ik stond al in de keuken voor hij iets gevonden had wat op een vaatdoek leek. Gauw begon ik de koffie van de vloer te deppen. Ik baalde ervan dat mijn hele beker zo ongeveer leeg was. Maar Gerard heeft op zulke momenten altijd erg de behoefte om uit te pluizen hoe iets gebeurd is. Ook weer zoiets!
‘Wat gebeurde er nou precies?’ vroeg hij dus.
‘Niks,’ zei ik, ‘ik zat gewoon naar buiten te kijken’.
‘Nee,’ zei Gerard’, jij doet altijd van alles tegelijk. Je draaide je om en je deed onhandig met die koffie’.
Waarom vraag je het eigenlijk, als je het antwoord toch al weet?, dacht ik sacherijnig. Maar ik zei niets. Ik maakte de boel netjes schoon, spoelde de vaatdoek uit en schonk een nieuwe kop koffie in. Relax, sprak ik mezelf toe.

Niet zo heel veel later liep Gerard in de keuken te rommelen.
‘Had jij de koffie nou in de thermoskan gedaan?’, vroeg hij.
‘Ja ik geloof het wel,’ zei ik vaag. ‘Hoezo?’
‘Nou, de dop van de thermoskan is weg. Waar heb je die gelaten?’ ‘Ik heb geen idee’, zei ik. Hij is ook altijd alles kwijt!
‘Maar jij had de koffie toch overgegoten? Dan weet je toch wel waar de dop is? Of was je vergeten om ‘m af te sluiten?’
Ik probeerde me op een stukje in de krant te concentreren en luisterde maar half. ‘Wat zei je?’
‘Ja, je hoort me toch!’, riep Gerard ongeduldig. Terwijl hij liep te mopperen en zich druk maakte over hoe het precies gegaan was, schoot de thermoskan uit zijn handen…
‘Chips!’
‘Wat doe je allemaal?’, vroeg ik. Maar ik kreeg geen fatsoenlijk antwoord; wel een hoop lelijke woorden, die tegen hem zelf gericht waren.
Ik moest er eigenlijk wel om lachen. Eerst gooi ik de koffie om en nu hij! ‘Zal ik je helpen opruimen?’, bood ik aan.
‘Nee hoor, ik doe het zelf wel,’ zei Gerard. Ondertussen mopperde hij door over waar die koffie helemaal heen gespetterd was… op het aanrecht, over een kastdeurtje, over de vloer en tegen een pas witgeverfd muurtje. Het was een heel slagveld. Lekker bezig Gerard!

Helaas voor hem moest hij ook nog met de kinderen naar de tandarts. Nog meer gedoe. Want zo oud als ze zijn, ze kunnen maar niet onthouden dat ze dan eerst hun tanden moeten poetsen! Verder zochten ze naar hun schoenen, naar leuke cd’s voor onderweg in de auto, (de jeugdtandarts bevindt zich zo’n 25 km verderop), naar eten voor op de terugweg enzovoorts.
Eindelijk vertrokken ze en ik hoopte even een tijd rust te hebben. Maar nee, binnen drie minuten ging de bel alweer. Janine stond voor de deur.
‘Waar zijn de pasjes van de tandarts?’ vroeg ze.
‘Ah joh, die heb je helemaal niet nodig,’ zei ik. ‘Ze kennen jullie toch? Dat inchecken is alleen maar voor de show’.
Ik liep met haar mee naar de auto en zei ongeveer hetzelfde tegen Gerard. Die was het niet met me eens.
‘Wat denk jij dan waar ze die pasjes voor nodig hebben!’ zei hij ongeduldig. ‘Kunnen die kinderen nou nooit eens zelf iets bedenken? We waren zo op tijd en nou komen we weer te laat en en ….”
Ik luisterde niet meer naar hem. Gaf Janine een aai over haar bol en gooide het portier dicht. ‘Tot straks jongens!’

Uiteindelijk waren ze niet te laat, hadden ze hun pasjes toch wel nodig, maar werden ze evengoed geholpen. En ik had mooi tijd om de keukenvloer te soppen en een eindje hard te lopen. Altijd fijn na dit soort stress.

Dit was maar één voorbeeld van hoe snel het soms mis kan gaan. Ja maar hij ook altijd, ja maar zij…! Gelukkig zijn we dit gedoe tegenwoordig snel zat, evenals discussies over wie er gelijk heeft (toch, Gerard?).
We maken het dan weer goed, geven elkaar een knuffel, en zetten nieuwe koffie. Net zo makkelijk.