Gamma-stralen

Op een zonnige zaterdag had ik zin om wat klusjes te doen. Eerst reed ik naar het Afval-brengstation. Ik kom daar graag om oude spullen te dumpen. Gelukkig is dat bij ons in de stad gratis; ik hoorde van andere plaatsen dat je er 15 euro per keer voor moet betalen! Als dat hier ook zo was, had het me al aardig wat gekost.
Ik voel me altijd best stoer, als ik daar in m’n eentje kom. Alleen al door de oude Volvo van onze zoon, die alleen start als je de gebruiksaanwijzing precies weet, haha. Maar ook omdat ik het alleen fiks, terwijl de meesten daar met z’n tweëen lopen. Verder geniet ik er enorm van, als ik Gerard zo ver heb gekregen om spullen weg te doen. Hij bewaart liefst alles, want ‘je weet maar nooit waar je het later nog voor kunt gebruiken!’

Maar goed, ik was gearriveerd. Met een paar oude schemerlampjes en tassen vol snoeren en stekkers, liep ik naar een container voor elektrische spullen. Op de deur hing een poster met wat er allemaal wel en niet in mocht. De lampjes mochten wel, de losse snoeren niet. Waar moesten die dan weer heen? Gelukkig lopen er altijd wel een stel medewerkers rond om aanwijzingen te geven.
‘Snoertjes en kabeltjes? Daar in die witte bak. Losse oude spullen? Gooi maar in de grofvuilcontainer. Nee mevrouw, daar geen pannetjes in!!! Die moeten in de ijzer- en metaalbak’.

Blij dat de auto weer leeg was, reed ik naar de uitgang. Nog even kijken bij de gratis plastic zakken voor PMD. Helaas, die waren allemaal op.
Ik stapte in de auto, draaide de sleutel om in het contact, en… er gebeurde niets. Ik deed het nog eens, maar hoorde alleen: krrr.
Oh nee! Ik zag een jonge vrouw al bezorgd mijn kant op kijken en haar partner met een lange staart ook.
Geen paniek, dacht ik, even rustig nadenken. Hoe zat het ook alweer met de startknop? Zat het tape nog wel goed vastgeplakt, dat moet namelijk heel precies. Ik probeerde het nog een keer. De motor kwam op gang maar sloeg weer af.
Voor de laatste keer duwde ik hard op de startknop, draaide de sleutel om, gaf gas… En ja hoor, ons oude Volvootje reed weer. Ik zag de man met de staart geamuseerd kijken. Hij stak zijn duim op en schudde tegelijkertijd zijn hoofd, zo van “Dat klinkt niet best, mevrouwtje!’
Hij kon niet weten dat we dit euvel al eerder hadden gehad, en met succes opgelost.

Ik reed door naar een grote Doe-het-zelfwinkel. Daar was verf in de aanbieding. Gerard had me thuis precies verteld wat ik moest kopen, en ik had het op een briefje geschreven. Maar bij het binnenkomen van die winkel raakte ik al in de war. Dat gebeurt bijna elke keer als ik in die winkel ben, dan weet ik ineens niet wat ik moet doen. Alsof er iets hangt, wat klanten in de war maakt… Zo kon ik het schap van de bewuste verf niet eens vinden, was het nu al op?
Twijfelend liep ik rond. Misschien stond het op een andere plaats?
Ik zag intussen wel een heleboel andere nuttige dingen. Zoals een verfrolhouder met daarbij passende rollertjes, en allesreiniger. Daar kun je er nooit teveel van hebben toch? Achteloos zette ik een fles in m’n wagentje en zocht verder naar de verf.
Aha, die stond toch voorin. Maar er stonden nog maar vier blikjes, en niet eens de kleuren die ik moest hebben! Geërgerd keek ik om me heen. Schuin voor me zag ik een man staan met een winkelkarretje vól verfblikken. En zo te zien precies diegene die Ik nodig had. Ja hoor, door zulke asociale types viste ik weer achter het net!
Maar gelukkig, uiteindelijk vond ik toch een schap met de verf die ik zocht.
Meteen nog maar een spuitfles in dezelfde kleur voor de verwarming beneden, waarom niet. En nu ik er toch was, aan de andere kant van de winkel hadden ze ooit van die handige viltjes voor onder stoelen. Ook dat was wel weer even zoeken. Een jong stel stond net uitgebreid te praten op de plek waar ik moest zijn.
‘Pardon, mag ik even?’, vroeg ik vanachter mijn mondkapje. Snel pakte ik drie verschillende doosjes, zodat het stel verder kon discussiëren. Het viel niet mee, zo te zien. Voor de tweede keer die dag, was ik blij dat ik alles in m’n eentje kon beslissen.

Nadat ik afgerekend had (84 euro voor een paar dingetjes?) liep ik nog gauw even een naastgelegen vintage-winkel binnen. Heerlijk ruim, maar overvol. Waar moest ik beginnen met kijken, en naar wat eigenlijk? Toch een ander bankstel, hoewel we er pas één voor niks hadden gekregen?
Ineens voelde ik me heel moe en besloot naar huis te gaan. Gerard zou blij zijn met de verf en alle andere dingen die ik gedaan had.

Thuis aangekomen zette ik de doos met aankopen op tafel, en plofte op de bank. Gerard keek wat er in de doos zat.
‘Allesreiniger?’ vroeg hij verbaasd. ‘Verkopen ze die daar ook al?’
Vervolgens pakte hij het eerste blik verf. ‘Wit’ las hij voor. ‘Hee, je zou toch gebroken wit halen?’
‘Die heb ik ook, kijk maar,’ zei ik en wees naar het andere blik. ‘Gebroken wit’, las Gerard hardop. ‘Hoogglans. Hoogglans, waarom heb je dat gekozen? We hebben overal zijdeglans, dat weet je toch wel?’
Eh nee, ik had er eerlijk gezegd niet eens op gelet.
‘Je had toch een papiertje bij je? Ik had nog gezegd: maak een lijstje!’
Papiertje? dacht ik. Oh ja… zelfs daar had ik niet aan gedacht in die winkel.
Nu begon ik mezelf te verdedigen. ‘Nou zeg, je hebt het alleen maar over wat er niet goed is. Ga dan zelf, ik ben wel anderhalf uur bezig geweest! Al die soorten wit ook, ik kan me gewoon niet concentreren in die winkel.’
‘Nee, en daar was dus dat briefje voor’, merkte Gerard op.
‘Volgens mij hangt er een bepaald soort straling in die winkel’, zei ik. ‘Stralen die maken dat je van alles koopt, maar niet datgene waar je voor komt’.

Ik vond het wel een leuke theorie. Beter dan toegeven dat ik mijn hoofd er weer eens niet bij had gehouden…
Gerard zuchtte en gaf me koffie met warme melk. Maarten had honger, en Janine wilde juist niet eten. Heerlijk, die zaterdagochtenden. En met de verf zou het ook wel weer goed komen.

Een beetje verkouden

Hoewel ik het woord corona bijna niet meer kan horen, toch maar een verhaaltje erover vanuit de familie van E.


Zes weken geleden gingen onze jongste kinderen eindelijk weer naar school! Onze dochter op de basisschool ging al min of meer een poosje, maar onze middelbare scholier had grotendeels thuis gezeten vanaf maart. Met de nadruk op zitten… Maar nu was de zomervakantie voorbij, en mochten de middelbare scholen ook weer open, hoera!!! Voor mij dan, want zo enthousiast waren de kinderen nu ook weer niet. Maar ik vond het heerlijk om de kinderkamers eens flink te luchten en het huis weer voor mezelf en Gerard te hebben. Gezellig samen koffie drinken, weer eens een verfklus oppakken als hij aan het werk was etc.

De vreugde was van korte duur, want na anderhalve week werd Janine een beetje verkouden. Eerst mocht het nog geen naam hebben, ze klonk een beetje nasaal. Maar de dagen daarna kwam er toch regelmatig genies en gesnotter bij. Oei, corona-achtige klachten?
‘Ik ga me niet laten testen hoor! ‘ zei ze stellig. ‘Ik heb hooikoorts’.
Niet zo waarschijnlijk zo plotseling in september, maar ik gunde haar het voordeel van de twijfel. Ze had geen verhoging of andere klachten. In juni was ze als eerste van de familie al de klos geweest voor een corona-test. De jongeman die bij Janine een neusmonster nam, was wel érg lang bezig om een snotje te pakken te krijgen! Ze was behoorlijk van slag geweest, al was de uitslag later negatief.

Ik twijfelde of ik haar wel met goed fatsoen naar school kon laten gaan. Ze klonk echt verkouden. Toevallig waren er een hoop studenten in Wageningen positief getest op corona, en je kon nooit weten. Maar Janine deed of er niets aan de hand was. ‘Ik ben niet ziek hoor, ik ben allergisch!’ riep ze en snel vertrok ze naar school.
Na afloop kwam ze met een papier thuis. ‘De beslisboom, wat te doen bij corona-achtige klachten’. Hierop een plaatje van een boom met takken, en een uitleg wat je wel en niet moest doen met je verkouden kind. In haar geval was het advies duidelijk: niet naar school!
De dag erna zat ze dus thuis. Maar niet alleen zij, ook haar broer was inmiddels verkouden geworden. Pips en snotterig lag hij op bed, met een beetje verhoging. Dat was tenminste duidelijk. Als echte puber had hij er geen enkel bezwaar tegen om thuis van school te blijven!
Net als in de zomervakantie hingen de kinderen maar wat rond. Telefoon in de hand, koptelefoon op of oortjes in. ‘Wij zijn moe’, straalden ze uit.
Janine knapte dat weekend gelukkig snel op, en maandag kon ze weer naar school. Maar met Maarten was het een ander verhaal. Dagenlang was hij snotterig en helemaal niet fit. Behalve niet naar school, kon hij dus ook niet naar voetbaltraining. Dat vond hij erg jammer, en wij ook…Moeders van teamgenoten appten ongerust of hij zaterdag wel weer beter zou zijn voor de wedstrijd, en of we hem gingen laten testen. Goed idee.

Ik deed dus een poging om de corona-testlijn te bellen. Eerst hoorde je wat algemene informatie, zoals: ‘Wilt u dit in het Nederlands of in het Engels luisteren? Kies dan een 1 of een 2.’
Had je dat gekozen, kreeg je nog meer algemene informatie, plus de opdracht om je BSN-nummer bij de hand te houden. Had je dat opgezocht, dan bleef het even stil. Gevolgd door weer een andere stem die zei: ‘Op dit moment zijn er te veel medewerkers in gesprek. Probeert u het over een half uur nog eens’.
Een half uur later probeerde ik het weer, zoals me gevraagd was. Maar helaas, hetzelfde bandje zei dat ik het over een half uur nog eens moest proberen. Ja zeg, ik had nog meer te doen!
Het kwam er die dag niet meer van, dus probeerde ik het de volgende dag maar weer. Zonder resultaat, elke keer kreeg ik hetzelfde bandje. Best irritant. Pas op de derde dag kreeg ik een medewerker van de coronatest aan de telefoon, na drie kwartier jengelige deuntjes aangehoord te hebben. Yes, eindelijk!
Erg goed nieuws had ze niet voor me. Maarten zou pas in het weekend getest kunnen worden, ergens in Amersfoort.
Amersfoort? Zaterdag? Nou daar ging ik echt niet heen. Tegen die tijd was hij misschien al beter, en ik vond het ook te ver weg.
Vriendelijk werd mij gevraagd of ik er bezwaar tegen had om zo’n eind te rijden, en dat had ik. ‘Geen probleem,’ zei de mevrouw, ‘maar wij zijn verplicht dat te vragen. U bent niet verplicht er op te antwoorden’. Oh. Ze gaf me nog wel de tip om met het RIVM te bellen, voor advies.
Zo gezegd, zo gedaan. Weer 40 minuten in de wachtstand tot ik een medewerker aan de lijn kreeg. Die vond de wachttijd nog zeer acceptabel, ze kende mensen die drie-en een half uur aan de lijn hadden gehangen! Wat een tijdverspilling, dacht ik.
Overigens was het een nuttig gesprekje. We besloten dat ik Maarten thuis zou houden en het gewoon nog een paar dagen aan zou kijken. Werd hij zieker, dan maar weer bellen voor een test.
Gelukkig werd hij niet zieker. Hij leek net als zijn zusje na 6 dagen beter te zijn, en op zaterdag ging hij lekker naar buiten. Het was heerlijk nazomerweer, 25 graden!
En toen werd het zondag. Maarten liep weer flink te hoesten en te snotteren…Dat betekende: alweer niet naar school, voor de tweede week inmiddels. Zucht.
Ik werd het zat en probeerde de corona-testlijn te bellen. Net zolang gewacht tot ik beet had, en een afspraak gemaakt. Woensdagmiddag om kwart voor 5 in Veenendaal. Kon het echt niet eerder? Nee mevrouw, echt niet. Tenzij u naar Helmond wilt rijden, trouwens daar zit het ook vol.
Er zat niets anders op dan onze verkouden knul thuis te houden. Zo ziek was hij helemaal niet, mopperde ik in mezelf. Als er geen corona had geheerst, was hij allang weer naar school gegaan! Maar ja, dit waren nu de regels, en daar hadden we het mee te doen.

Uiteindelijk ben ik drie dagen later met hem naar Veenendaal gereden. Crime om daar te komen in de spits en in de drukte. Zoeken naar de betreffende straat, fout gereden, nog een keer fout gereden, toch goed en ineens waren we er. Een oude fabriekshal, waar vroeger sigaren werden gemaakt.
Ik verwachtte veel drukte, maar er stond slechts 1 auto, en die was van een medewerker. We konden dus meteen doorrijden naar binnen. We hoefden de auto zelfs niet uit. Maarten werd een paar keer om zijn geboortedatum gevraagd en moest toen zijn hoofd buitenboord houden voor de test. Ik had medelijden met hem, het zag er niet echt relaxed uit. Maar in tegenstelling tot het testen bij Janine, was dit in een handomdraai klaar!

De volgende dag probeerden we de uitslag op een website te vinden. Speciaal voor de gelegenheid hadden we Maarten een eigen DigiD aan laten vragen, tip van familieleden die hetzelfde gedoe mee hadden gemaakt. Dat zou sneller gaan dan wachten op een telefoontje. Het enige probleem was dat zoonlief plotseling zijn wachtwoord niet meer wist…ook nergens opgeschreven…Heel verstandig jongen, maar nu konden we nog niks opzoeken!
Zowaar werd er een uur later al gebeld. Goed nieuws; Maarten had geen corona! Ik dacht het wel. Hij was wel lang verkouden, maar zijn eetlust was de hele tijd prima geweest. Toch waren we allemaal opgelucht. Na twee weken thuis hangen, mocht hij eindelijk weer naar school. Zelfs hij had er zin in!
Maar wie had de volgende dag een droge keel? En wie liepen de dagen er na te niesen en te snotteren? Juist ja, Gerard en ik…

Ik ben bang dat de kinderen vaak thuis zullen zitten deze herfst en winter. Is het niet dat zij verkouden zijn, dan wel hun leerkracht die niet vervangen kan worden. Begrijp me goed: ik ben helemaal voor de corona-regels, zolang er geen geen medicijn tegen is! Maar het is een vreemde en onvoorspelbare tijd. Laat ik elke dag maar weer dankbaar zijn als we allemaal gezond blijven. En ééns zal dat virus toch wel op z’n retour gaan?

Ral 9010

Tot voor kort had ik geen flauw idee wat deze afkorting betekende. Sinds deze zomer weet ik het. Volgens Gerard weet iedereen dat die een beetje klust. Nou ja, ik loop wel vaker achter, maar daar gaat het nu niet om.

Op een dag in de zomervakantie, werd ik onrustig. Het was heerlijk weer en Harderwijk is een leuk stadje, maar ik wilde naar huis.
‘Blijf toch nog hier!’ zeiden een paar tantes van Gerard. ‘Dan ga je lekker fietsen of je komt gezellig nog eens langs’.
Maar nee, ik wilde weg. Gerard deed geen moeite me om te praten en begon vast spullen te pakken. Hij kent me langer dan vandaag…De kinderen vonden het ook prima.
Er was na de verbouwing een heleboel te doen thuis, en ik vond dat ik niet langer kon blijven luieren. Zelfs al was er een hittegolf op komst.

Simon had een soort schema gemaakt van wat er zoal gedaan moest worden. Het stond er heel overzichtelijk: de ene dag dit, de andere dag dat. Plafond en muurtjes sausen, kozijnen schuren en verven, dit alles nog één of twee keer, plintjes zagen, de vloer inwrijven met olie. Tenslotte alles schoonmaken en daarna de boel beneden weer inrichten. Met een week zou het in theorie klaar kunnen zijn.
Tja, zo ging het in de praktijk dus niet!
Zoals het KNMI al had voorspeld: er kwam een hittegolf. De eerste dagen probeerde ik die te negeren en ging gewoon aan de slag. We hadden nog geen stoelen beneden, dus normaal zitten was er niet bij. Gek zeg, dat ik zomaar in slaap viel elke keer als ik even op een tuinstoelkussen lag! Het was 34 graden binnen.
Gerard had zijn conclusies allang getrokken, die begon niet eens met klussen. ‘Veel te warm’, zei hij. Hij ging lekker kruiswoordpuzzels maken of hij lag wat te dommelen.
Soms belde zijn moeder op, om te vragen of het al opschoot.
‘Oh ja’, zei hij dan. ‘Rineke is een beetje aan het verven, en verder doen we rustig aan’.
Ik werd er sacherijnig van. ‘Rustig aan? Ik werk me in het zweet! Jij kunt toch ook best iets doen?!’ mopperde ik.
Maar ergens was ik ook jaloers. Heerlijk als je zo relaxed kunt blijven, terwijl het werk je aan alle kanten aangaapt. Ik kon dat niet. Ik ging door tot ik duizelig werd en me realiseerde dat het inderdaad veel te heet was om te werken.

Het zal niemand verbazen dat ik doodmoe werd en er genoeg van kreeg. Ik klaagde erover tegen een paar vriendinnen.
‘Oh joh, ik kom je morgen wel helpen’, zei er eentje die altijd wel energie over lijkt te hebben.
En dat deed ze. En het leuke was dat Gerard ook in actie kwam, toen ik eindelijk van het toneel was verdwenen. Zodoende had ik op een ochtend twéé mensen tegelijk voor mij bezig, riant!
Evengoed schoten we niet ontzettend snel op, ook niet toen het koeler werd. Want óf ik was fanatiek aan het werk, totdat ik het helemaal zat was. Of Gerard was aan het werk, en die deed het rustig en op zijn manier. Heel vaak maakte hij af waar ik niet meer aan toe kwam, hij werkte zelfs netter en preciezer dan ik!

Maar op een dag lukte het me om een knop om te zetten. Het schema van Simon liet ik voor wat het was (niks mis mee hoor Simon, maar ik moest m’n eigen tempo volgen).
‘We doen gewoon rustig aan,’ hoorde ik mezelf zeggen tegen belangstellende vrienden. ‘Het is ons eigen huis, dus waarom zouden we ons rot werken?’
Ik ging me verdiepen in de verfsoorten en merken, en kocht betere kwasten. Ral 9010 is gebroken wit, voor degene die dat ook niet weet. Omdat er zoveel soorten wit zijn, is daar ooit een code voor verzonnen. Wel zo makkelijk, dacht ik toen ik liep te dwalen in zo’n enorme Doe-het-zelf winkel langs schappen vol verf…Roomwit, gebroken wit, Kenia beige, koffiecreme wit. Een wereld ging voor me open. Ik kocht impulsief de verkeerde soort blauw voor de voordeur (waar we nog lang niet aan toe waren om te doen), rollers voor het plafond (dat er bij nader inzien eigenlijk nog prima uitzag), én een paar blikken Ral 9010.

Nu is het half september en we zijn nog steeds niet klaar. We hebben nog steeds geen bank gekocht, er staat een luie tuinstoel, een tafel, stoelen, twee lege kasten en veel blikken verf in een hoek. Maar het wordt steeds mooier! En we zijn allebei tevreden, dat is ook heel wat waard. Dus gaan we door tot we tevreden zijn. Of…tot we geen zin meer hebben.

Een week later

Aangezien ons huis niet bewoonbaar was, en dat van m’n schoonmoeder ongeveer leeg stond, gingen we daar heen om te logeren.

Ideaal om na een uurtje rijden al op de plek van bestemming te zijn! Geen uren plakken in een auto zonder airco (ja, die bestaan nog) om vervolgens uren bezig te zijn met het opzetten van de vouwwagen. Wat bij ons altijd heel lang duurt, elk jaar weer…
‘Hoe moeten die buizen nou ook alweer in elkaar? Hoe krijg je dit middenstuk er in vredesnaam tussen??’ En ondertussen kregen de kinderen dan honger, moest het keukengedeelte opgezet worden, was de blikopener kwijt, enzovoorts.
Niets van dit alles. Hier was alles wat we nodig hadden: een keuken, een badkamer, schone bedden en…Wi-Fi.

De eerste dagen hadden we geen kind aan onze kinderen. Ze zaten gezellig op hun slaapkamer met hun mobieltjes, en kwamen naar beneden als ze trek hadden. Ze zuchtten over onze grapjes, zoals: ‘Zijn jullie al bij de wasgelegenheid geweest? Niet naar de wc tussen 11 en 12, dan wordt het schoongemaakt!’
Ze wilden nergens heen. Niet wandelen, niet fietsen, nou ja éen keer dan onder protest. Af en toe een ijsje of wat lekkers. Het enige wat ze misten van de camping was de trampoline, en andere kinderen. Maar verder vermaakten ze zich prima.
Gerard en ik waren moe en sliepen lang uit. Het ontbijt werd meteen gevolgd door koffie. Gerard rommelde in de tuin, en ik wandelde veel. We probeerden samen cryptogrammen op te lossen, lekker kneuterig.
Intussen kregen we foto’s doorgestuurd van Irene en Simon, hoe de verbouwing vorderde. Ik kreeg ook appjes van vriendinnen die in de buurt van ons wonen.
‘Zo zo, wat zijn ze bij jullie allemaal aan het doen?! Heel de tuin staat vol spullen!’ Ik was er niet helemaal gerust op, maar volgens Simon ging het prima. Loslaten maar weer.

Aan het eind van de week kwam er een berichtje van Simon en Irene. Of we in het weekend langs wilden komen, zonder de kids. Om dan even de laatste dingen te bespreken, te kijken welk gereedschap Simon kon laten staan, om onze nieuwe keuken te bewonderen natuurlijk en gezellig koffie te drinken.
Nou, daar hadden wij wel oren naar! We waren heel nieuwsgierig. Ondanks de foto’s kon ik me er slecht een voorstelling van maken. Dus stapten wij de volgende dag vroeg de auto in en reden naar ons huis. Hoe zouden we het aantreffen?
Eenmaal aangekomen liepen we snel naar de voordeur. Er stond een oude radiator in ons tuintje. Waar kwam die vandaan?
Simon deed de deur open. Hij zag er een beetje moe uit.
‘Oh hallo’ zei hij, ‘zijn jullie er al. We hebben even niet zo’n beste start. Maar kom binnen!’
Irene zat met een bleek gezicht op de grond. Ze was de laatste kastdeurtjes in elkaar aan het schroeven, en zag er nog vermoeider uit dan Simon.
‘Hallo ‘zei ze, ‘ik heb nogal hoofdpijn. Sorry, maar ik heb nog geen koffie gezet. Volgens mij was die trouwens op, en de koekjes ook.’
‘Zal ik even wat boodschapjes doen?’ bood ik aan. Ja, dat kwam goed uit. Zodoende liep ik even later alweer in onze vertrouwde supermarkt. Ook leuk, maar nu wilde ik toch echt de keuken zien!
Weer terug in huis bewonderden we eerst de nieuwe vloer. Die was net gelegd en moest nog geolied worden. Ik vond ‘m prachtig!
Simon was iets in de keuken aan het doen.
‘Waar hebben jullie het koffiezetapparaat gelaten?’ vroeg ik.
‘O ja, die hebben we weggegooid,’ zei Irene. ‘Dat ding was toch niets meer’.
‘Wat?’ dacht ik. ‘Hij zette toch koffie?’
Gelukkig hadden ze wel voor een nieuwe gezorgd. Er stond ook een nieuwe waterkoker, want de oude was ook niet veel soeps meer in hun ogen. Gelukkig hadden ze die niet weggegooid! Maar het nieuwe spul zag er mooi uit, dat moest ik toegeven.
‘En, wat vinden jullie nou van de nieuwe keuken?’ vroeg Simon.
‘Oh, wat mooi!’ riepen Gerard en ik bewonderend. ‘Wow, wat hebben jullie dat snel gedaan! Ongelofelijk!’
Ik had de keuken zelf uitgezocht, maar dat kon ik me nog amper herinneren. Het was toen zo druk geweest allemaal.

Gerard liep de keuken in. Vrijmoedig trok hij laatjes en kastjes open. Ik had enige moeite met het idee dat dit allemaal voor ons was. Ik voelde me bijna overdonderd door zoveel moois.
‘Volgens mij zie je de helft niet!’ merkte Simon op. ‘Kijk, zo doe je het licht aan. Hier is de afstandbediening daarvan met een dimmer erbij.’
Ik keek omhoog naar de lampjes. Die zagen er goed uit! Heel wat beter dan de vorige plastic lamp die ik ooit voor 10 euro had gekocht.
‘Nou mam, hier kan je je voorraden voortaan in doen,’ liet Irene zien. Ze trok weer een andere kast open. Het leek allemaal superhandig.
‘Hallo mensen, is hier al koffie?’ klonk de stem van Toon ineens. Hij was op de fiets en kwam even langs. Niet alleen maar voor de gezelligheid bleek al snel. Hij had de avond ervoor een personeelsfeestje gehad dat tot in de vroege uurtjes duurde. Zodoende was het niet verstandig geweest om naar huis te rijden, en nu stond zijn busje nog in Veenendaal.
‘Als jij me daar nou even brengt, ‘ stelde hij voor, ‘dan help ik je wel met een aanhangwagen huren’.
O ja, dat was moest ook nog. De achtertuin stond vol met tafels en stoelen en bouwafval. Dat moest allemaal weg.
Ik was vervolgens uren bezig met een aanhanger huren, Toon naar z’n bedrijf brengen en daar snel een rondleiding krijgen, en weer naar huis. Vervolgens de aanhanger tot de nok toe vullen met zooi en samen met Gerard twee keer op en neer rijden naar het afvalstation. O ja, en ook nog even naar de Gamma…pfff.
‘Wanneer komen jullie weer naar ons??’ appten Maarten en Janine ongerust. ‘Jullie zijn al zóóó lang weg!’
Dat waren we zeker, het was al bijna zes uur! We keken nog een keer naar onze nieuwe vloer, die Simon aan het lakken was. Geweldig, wat een verschil met de week ervoor toen we vertrokken. Wat een topprestatie hadden ze geleverd!

Simon had ook nog een schema voor ons gemaakt. Want binnenkort waren wij aan de beurt om te werken. We moesten een heleboel sauzen, schuren, verven, nog een keer verven, enzovoorts. Maar ja, stap voor stap. Bovendien….nou ja dat komt dan wel in een volgende blog 🙂

Verbouwing -2-

De dag vóór onze verbouwing begon, had ik al hoofdpijn. Als ik om me heen keek in de huiskamer, kon ik me niet indenken dat we die ooit leeg zouden krijgen. Mijn dochters waren de dag ervoor al komen helpen, wij moesten alleen nog ‘de laatste dingetjes doen’. Precies die laatste dingetjes zag ik helemaal niet zitten.
Maar zoals ze in de bokswereld zeggen: helpers weg, laatste ronde. Gerard moest werken dus die had geen tijd en onze puber lag op zijn bed, met z’n mobieltje uiteraard. De jongste was op kamp.
Er zat er niets anders op dan zelf de mouwen op te stropen. Ik geloof dat ik wel 30 keer de trap op ben gesjouwd. En nóg was het niet klaar. Uitgeput rolde ik ’s avonds in bed tegen Gerard aan, die zich helemaal niet zo druk maakte.
‘Het komt allemaal wel goed joh’, zei hij troostend. ‘En zo niet, dan kun je daar nu toch niets aan doen’. Logica waar geen speld tussen te krijgen was. Dus probeerde ik mijn vermoeide lijf maar te ontspannen en wonder boven wonder lukte dat nog ook.

De volgende morgen stonden we vroeg op. Ik had geen hoofdpijn meer, maar wel ontzettende spierpijn van het gesjouw van gisteren. Het plan was dat wij om negen uur weg zouden gaan. Janine moest opgehaald worden en daarna zouden wij naar het oude huis van schoonmoeder rijden. Daar konden wij bivakkeren tijdens de verbouwing. Konden de jongelui mooi hun gang gaan in ons huis, zonder dat wij ons ermee gingen bemoeien.
Maar zoals wel vaker bij ons, liep het anders. Gerard had zijn tas nog niet gepakt en ik was te moe om helder na te denken. Traag at ik een beschuitje en dronk een kop thee.
‘Ga jij Janine maar halen’, zei ik tegen Gerard. ‘Ik ben zo moe, ik kan beter nog wat langer hier blijven.’
Gerard keek een beetje moeilijk. ‘We zouden toch samen weggaan?’
‘Jij hebt je tas nog niet eens ingepakt!’ zei ik kattig. ‘Dacht je dat ik dat ook nog ging doen na alles wat ik gisteren al heb gedaan?’
Net op dat moment kwam er een vrolijk appje binnen van onze dochter Irene en vriend Simon.
‘We zijn al bijna bij Veenendaal hoor! We zijn mooi op schema!’
Eerlijk gezegd had ik gehoopt dat ze zich een uurtje verslapen zouden hebben… Maar nee, dat zat er niet in.
Zuchtend legde Gerard zich bij mijn plan neer. Veel tijd om te discussiëren hadden we ook niet, want er werd al op het raam geklopt. ‘Halloooo!’

Daar stonden Irene en Simon. Simon had een flinke aanhangwagen achter zijn auto. Daar begon hij meteen allerlei gereedschappen uit te halen, en – heel belangrijk – de bouwradio.
‘Waar is Toon?’ informeerde Simon. Het was tien over acht.
‘Die zal zo wel komen,’ zei ik. En inderdaad, vijf minuten later kwam zoon Toon aanscheuren met een busje van zijn werk.
‘Goeiemorgen!’ riep hij vrolijk. ‘Wat? Is het hier nog niet leeg?’
‘Hee, jij bent een kwartier te laat!’ merkte Simon op. ‘Tijd is tijd toch?’
Toon lachte. ‘Nou, waar beginnen we mee? Moeders, heb je al koffie?’
Iedereen praatte door elkaar heen en intussen werd de bouwradio aangezet. In een handomdraai werden de laatste spullen in doosjes gestopt en boven gebracht. Daar was het zo vol, dat je er nauwelijks kon lopen. Het lukte Maarten nog net om plekje vrij te houden op zijn bed… kon hij tenminste nog even relaxen!
Gerard vertrok met de auto en ik liep vertwijfeld rond in huis. Ik was nu al verschillende dingen kwijt. Zoals het mobieltje van Janine, die ze een week had moeten missen door kamp. Waar zou dat ding nou toch gelegd zijn? mopperde ik. Janine zou niet blij zijn als ik ‘m niet kon vinden.
Beneden klonk er een hoop herrie. Simon was degene die de hele organisatie regelde. Hij had een strak schema gemaakt voor de komende 7 dagen en hij deelde de opdrachten uit. Tafels en stoelen moesten naar de tuin. De koelkast, diepvries en afwasmachine moesten in de bus van Toon, want die zou hij overnemen.
‘Maar er zit nog van alles in de diepvries!’ riep ik.
‘Oh, dat zoek ik later wel uit,’ zei Toon makkelijk. Dat uitzoeken later bleek vooral te bestaan uit weggooien, want het meeste was ontdooid toen hij eindelijk tijd had. Zonde van alle net-gekochte Cornetto’s, kaassouflés, broodjes en de rest. Er zat zelfs een goed ingepakte reserve-batterij in van onze telefoon (actie van Gerard), tot zijn verdriet óók weggegooid. Tja.

‘Wat ga je met die piano doen?’ vroeg Simon. ‘Die kan hier echt niet blijven staan hoor!’
Het plan was eigenlijk om die in de tuin te zetten, maar het was gaan regenen. Niet zo geschikt voor een piano, ook al was die al oud.
Paniekerig belde ik bij de buren aan. Wisten zij een ruimte waar de piano kon staan? Nee, dat wisten ze niet. Redder in nood werd onze andere buurman, die zijn huiskamer aanbood als tijdelijke opslagplaats. Hij ging toch op vakantie. Ik kon hem wel zoenen, maar vanwege corona begon ik daar natuurlijk niet aan.

Waar het mij steeds niet lukte om Maarten in beweging te krijgen, kreeg Irene dat zo voor elkaar. Maarten mocht meehelpen de tegeltjes uit de keuken eraf te slopen met een soort drilboor. Stoer en met gehoorbescherming op was hij lekker aan de gang. Het was een enorm kabaal. Voor ik er erg in had, lagen de onderdelen van onze oude keuken al in de aanhanger, en reden Toon en Irene ermee naar het afvalstation.

Voor ik er erg in had, stonden Gerard en Janine ook alweer op de stoep. En vlak daarna Toon en Irene met een lege bus. De jongelui kregen honger van al dat werken; of ik dus even voor de lunch kon zorgen. Natuurlijk. Daarna weer tien dozen en tassen doorzocht vanwege dat ellendige mobieltje. Maar… ik vond ‘m! Janine weer blij.

Uiteindelijk was de hele benedenverdieping gestript in een paar uur tijd. Alles was eruit, geen tegeltje meer aan de muur, geen restje tapijt of splinter hout meer op de grond. En wij waren nog steeds niet weg… Om drie uur zwaaiden wij iedereen uit die die dag geholpen had – dag 1 van de planning was gedaan – en sloten de boel af. We moesten het nu echt loslaten, het werk letterlijk uit handen geven en vertrekken. Maar ik had er al meer vertrouwen in dan 24 uur daarvoor. Gerard had gelijk: het zou allemaal vast goed komen. En zo niet… dan kon ik er nu toch niets meer aan doen.

Verbouwing

Ik heb me vaak geërgerd aan mensen die klaagden over een verbouwing in huis. Ze praatten erover alsof het echt niet anders kon en heel vervelend was. Hun oude badkamer moest er bijvoorbeeld uit, ‘want die stamde uit het jaar nul’. Of de keuken moest dringend vervangen worden, terwijl wij al 25 jaar dezelfde oude kastjes gebruiken. En dan werd er ook nog geklaagd over de herrie en het stof. ‘Verschrikkelijk, je staat elke avond alles schoon te maken!’
Luxeproblemen, dacht ik. Met vier opgroeiende kinderen hadden wij het niet breed, laat staan toen er nog twee ukjes bijkwamen. We hadden genoeg te eten en een dak boven ons hoofd, maar geen haar op datzelfde hoofd dacht aan een nieuwe keuken of douche. We moesten de auto zelfs wegdoen omdat die te duur werd!

Maar nu zijn we jaren verder. De oudste kinderen zijn het huis uit, de ukjes van toen zijn pubers geworden. Dat betekent niet dat we nu ineens rijk zijn, maar we hoeven niet meer elke cent om te draaien. Ik durf kleren voor mezelf te kopen, zonder dat ik bang ben geen nieuwe voetbalschoenen te kunnen betalen voor onze zoon. En we kopen pindakaas van een bepaald merk.

Op een dag vroeg een dochter en haar vriend of we niet eens iets wat nieuws wilden in huis. Iets nieuws? Daar hoefde ik niet lang over na te denken, ‘Een andere vloer beneden’ zei ik meteen. Die zag er echt niet uit. We hadden steeds voor budgetoplossingen gekozen, zoals geperste houtvlokken en later tapijttegels. Maar daar zaten nu zoveel vlekken op, niet normaal! Het leek wel of er over elke vierkante meter een beker limonade of melk was gevallen.
Peinzend keek onze schoonzoon in spe in de richting van onze rommelige keuken. ‘Wordt het daar ook niet eens tijd voor wat nieuws?’ informeerde hij. ‘Ik kan jullie er wel bij helpen, en ik leg ook zo even een vloertje!’
Dat klonk aantrekkelijk, maar nog steeds als een ver-van-mijn-bed show. Tot hij op een dag een tekening liet zien van een andere keuken. ‘Zo kan ‘ie eruit gaan zien’, zei hij simpel maar beslist. ‘Wat is jullie budget?’

Vanaf toen kwam de vaart erin. Er werd een tijd afgesproken wanneer er verbouwd zou worden, en diverse app-groepjes aangemaakt voor overleg- en opruimdagen. Wij moesten nadenken over een andere vloer en wat voor keukenkastjes, wat voor kleur deurknoppen, gas of inductie, enzovoorts.
Een paar keer kwamen dochter en vriend langs om het een en ander door te spreken, en wat voelde ik me bejaard als ik een tekening of term weer eens niet snapte…
Gelukkig werd het me geduldig (soms ook zuchtend) uitgelegd. En zo gebeurde het dat we uiteindelijk een waslijst aan benodigdheden moesten bestellen bij een groothandel. Dat was een hele onderneming. Gerard nam dat deel voor zijn rekening, maar zelfs voor een doorgewinterde IT-er als hij viel het niet mee. Het gekste was nog wel dat er spontaan aantallen vermenigvuldigd werden. Hij bestelde o.a. een koelkast en een paar kastdeurtjes, maar als hij dan even op een andere site iets opzocht, bleken er later 24 koelkasten en 72 deurtjes op de bestellijst te staan! Heel bijzonder…gelukkig ontdekte hij dat nog op tijd. Zo veel ruimte hebben wij nou ook weer niet!

De hele benedenverdieping moest leeg. Slapeloze nachten kreeg ik ervan. Het is niet te geloven hoeveel spullen wij bewaren in allerlei kastjes en laatjes. Knutselspullen van de kinderen die daar al jaren niets mee doen, knikkers, Playmobil, héél veel boeken, videobanden, cd’s, stapels fotoalbums en losse foto’s, mappen, tassen, frutseltjes, melktandjes van de kinderen en andere relikwiën. Hoe kregen we dat ooit opgeruimd?!
Gelukkig kwamen onze oudste dochters helpen. Kastje voor kastje gingen we langs en de één na de andere verhuisdoos kwam boven te staan.
Gerard hielp ook mee. Hij wil altijd alles bewaren, maar zelfs hij zag in dat dat onmogelijk ging worden. Toch vertrouwde hij het niet wat zijn dochters allemaal weg smeten. Diverse vuilniszakken keek hij dan ook kritisch na als zij weer vertrokken waren, en hij viste er altijd weer wat uit…
Ik ben ook geen ster in weggooien, vooral boeken gaan me aan het hart. Toch lukte het om wat studieboeken bij het oud papier te doen. Boekenwijsheid van 35 jaar geleden kun je ook wel op internet vinden tegenwoordig. Verder stopte ik heel veel in dozen. Die zou ik later nog weleens uit gaan zoeken.

De dag van de verbouwing kwam steeds dichterbij. Spannend! Niet alleen in huis werd het chaotisch, ook in mijn hoofd werd het een chaos. Ik vergat bijna dat drie van m’n eigen kinderen jarig waren! Ik was alleen maar bezig met de gedachte van: ‘Krijgen we het allemaal op tijd leeg beneden?’
Nee, dat kregen we niet. Maar de redding was nabij. Op een dag stonden een paar van onze oudste kinderen voor de deur, met een aanhangwagen, en nu was er geen ontkomen meer aan.
‘Dag oud keukentje, je hebt het prima volgehouden! Een hele generatie van Eijken is ermee groot geworden. Maar nu wordt het tijd voor wat anders. Dus dank voor alles en sterkte bij de sloop…’

(Wordt vervolgd)

Etiketten

Ik vind het leuk om etiketten te lezen. Er staat heel veel nuttige infomatie op. Ik geef maar meteen toe dat die interesse voortkomt uit m’n eetstoornisachtergrond, maar toch.

Het is interessant om te weten hoeveel koolhydraten ergens in zitten, of hoeveel verzadigde en onverzadigde vetten. Toch heb ik er nooit een gewoonte van gemaakt daar alles van af te laten hangen, ik eet vooral waar ik zin in heb. Maar alle informatie op etiketten is niet alleen leuk voor mensen met een eetstoornis of zo. Het is bij de wet verplicht. Want het is ook belangrijk voor mensen met een allergie. Je zult maar een stuk chocolade eten, en er dan achter komen dat die sporen van noten bevat, waar jij nou net niet tegen kunt!

Waar het mij nu om gaat, is dat er zoveel grappige en nietszeggende zinnen op producten staan. Ik kan daar echt van genieten. Complete proza op een melkpak, of juist alleen wat kernachtige woorden. Als je erop gaat letten staat er op bijna elk pak wel zoiets. Ogenschijnlijk luchtige zinnetjes op de voor, zij- of achterkant, in dikke letters of in een mooi handschrift. Maar schijn bedriegt met die luchtige zinnetjes! Er zitten gewoon heel slimme reclamemakers achter, met de bedoeling ons er veel van te laten kopen. Want hoe leuker het klinkt, des te meer kans dat je het de volgende keer weer in je winkelmandje gooit.

Een graai in onze keukenkast leverde al gauw de volgende informatie op:

  • Witte chocoladeletter, gemaakt van Belgische chocolade. Ook gemaakt van Delicata chocolade (huh?). Er zit zout in, ‘enkel afkomstig uit natuurlijk voorkomend natrium’. Ten minste houdbaar tot 31 maart 2018. Oeps!
  • Biologische verse halfvolle melk. Allergenen: melk. Koeien zijn gemaakt om gras te eten. Gras is moeilijk te verteren, dus er moet hard voor gewerkt worden. Koeien eten wel 80 kilo aan gras, klavers, bloemen en planten per dag, en geven gemiddeld 8000 liter melk per jaar.
  • Halfvolle yoghurt: on the way to Planet Proof!
  • Vanille vla: een bron van calcium, van nature een bron van proteïne. Anno 1871.
  • Limonadesiroop: 75% fruitsap uit concentraat. Rijk aan vitamine B3, B5, B6, C en E.
  • Grenadine; sinds 1948. Onze dynamische combinaties van fruit helpen jou om je water een heerlijke smaak te geven.
  • Margarine: Bron van vitamine A en D, en omega 3. Vol van smaak, vertrouwde kwaliteit.
  • Piccallilly: Anno 1722.
  • Strooikaas: Legendarische strooikaas uit de Zwitserse Alpen, wordt sinds 1463 gemaakt volgens het traditionele recept.

Een kijkje in onze badkamer leverde ook het nodige op. Zo vond ik daar schuurmiddel met 100% natuurlijke schuurmiddelbestanddelen (wat moet ik me daarbij voorstellen?), wasmiddel met natuurlijke enzymen, ossegalzeep, en bodylotion met celvernieuwende pure chiaolie (wat is dat nou weer?).
Het viel in elk geval op dat er nogal wat ‘natuurlijk is’. Maar ja, wat is natuurlijk? Het staat op zoveel dingen, dat het bijna een vaag begrip is geworden.

Nog even terug naar die etiketten. In onze familie als geheel lopen er verschillenden met een etiketje rond. Er zijn er een aantal hoogbegaafd, en paar met autisme, een heleboel hooggevoelig en een paar met een eetstoornis. Een enkeling is structopatisch en sommigen zijn juist nogal ongeorganiseerd.
Ik herken mezelf overal en nergens in. Onlangs kreeg de vraag of ik niet toevallig ADD heb. Nou, als ik de kenmerken daarvan lees, klopt het. Behalve dat ik die niet van jongs af aan heb maar sinds ik moeder ben geworden…

“Welnee,’ zei mijn vriendin die mij al het langste kent. ‘Je zit gewoon in de overgang!’
Ik zocht daar gauw de kenmerken van op. ‘De overgang is geen ziekte’, las ik, ‘maar het verloop van een natuurlijk proces. En afgezien van lichamelijke kenmerken, zijn er ook talloze andere klachten op terug te brengen.’ Zoals chaotischer worden, meer tegen dingen opzien en mood swings, ofwel emotionele schommelingen.

Nou, ik weet weer genoeg. Heel veel informatie is interessant, maar teveel informatie leidt tot verwarring. Of dat nou om een pak melk gaat of over een persoonlijkheidsstoornis. Ik eet bijvoorbeeld het liefst zo gezond en natuurlijk mogelijk, maar elke morgen om 10 uur Moet ik koffie hebben, met een plak koek! Anders weet ik zeker ik chaotisch word. En dat is niet best, want net als die koeien moet er hier hard gewerkt worden…

Tien!

Onlangs was onze jongste dochter jarig en nu is ze alweer 10! Wat vliegt de tijd… voor ons was ze altijd de jongste en de kleinste. Maar toen ik haar pas op het schoolplein zag lopen, zag ik ineens hoe groot ze al was! Wat lijken die andere kinderen dan klein.


Ik herinner me nog goed dat ze voor het eerst naar school ging. Jarig, vier jaar en geen haar op haar hoofd die eraan dacht om een verjaardagsmuts op te zetten. Ze was veel te gespannen om te genieten, ze wilde al die aandacht niet. Traantjes tussen de middag. Ze werd pas weer blij toen ze een Surprise-ei kreeg, véél leuker dan alle andere kado’s.
In die tijd keek ze eindeloos naar filmpjes van Surprise-eggs. Prachtig ingepakte chocolade eieren, heel verhaal erbij in het Engels. De verpakking werd eraf gehaald, het ei gebroken, en dan kwam er een verrassing uit. Meestal stelde die verrassing weinig voor, maar dat maakte haar niet uit. Surprise!

Ik zie mezelf ook nog lopen toen ik hoogzwanger was.
De dag ervoor was onze oudste dochter 18 geworden, en daar zat ik met m’n dikke buik. Ik voelde me fit, ik ging zelfs nog naar het zwembad. Zwangerschapzwemmen, heerlijk dat gedobber in het warme water! Ik kon het nog weken aan, dacht ik. Wanneer zou dit kindje komen?
Toen ik uit het water kwam, voelde ik rare steken in m’n buik. Ineens had ik genoeg van het zwembad, gauw naar huis voor ik weëen zou krijgen op de fiets!
Gelukkig viel dat mee, maar de volgende ochtend was het duidelijk aan het rommelen. En toen wist ik het zeker: ik zou gaan bevallen.

Het werd bloedheet die dag, minstens 30 graden. De airco’s in het ziekenhuis konden het niet meer aan. Dat ik naar het ziekenhuis ging was al afgesproken. Bevallen op je 44e kan risicovol zijn, ook al is het de zesde keer.
We hadden van tevoren wat mensen gevraagd om op onze jongste te passen, en de rest eventueel van eten te voorzien. Maar geen van allen waren de oppassen thuis… Ik werd er gespannen van, maar Gerard zei dat het wel goed zou komen. Lesje loslaten in de praktijk. Wij vertrokken naar het ziekenhuis en het kwam goed met de andere kinderen.

Inmiddels kreeg ik meer weëen, ik was onrustig. En warm dat het in die verloskamer was! In de verte op de gang hoorden we gejuich. ‘Nou’, mopperde ik, ‘zijn ze daar zó blij dat er een baby geboren is?’
Ineens werd het helderder in m’n hoofd. Wacht eens, het was de tijd van het WK, en Nederland speelde tegen Brazilië. Gerard zette de radio aan, en zo hoorden we dat het net 2-1 was geworden! Dit nadat ze eerst achter hadden gestaan. We werden er allebei spontaan een stuk vrolijker van.

Het duurde nog even voor de bevalling doorzette, het voetbalgebeuren was inmiddels voorbij…Maar uiteindelijk was ze daar dan, onze baby Janine! Vernoemd naar mijn overleden moeder Janny, en nog levende stiefmoeder Jeanne.
Wat voelde ik me rijk; nu had ik vier dochters en twee zonen! Na zoveel ervaring met kinderen zou ons dat best lukken.

Het was flink aanpoten met ons grote gezin. Zoveel verschillende leeftijden en behoeften. Eén kind ging studeren en verhuisde naar Amsterdam, twee zaten op de middelbare school, één op het mbo, eén op de peuterspeelzaal en dan nog een baby! Onze kleine meid vroeg de nodige aandacht – logisch- maar haalde ons ook jaren uit onze slaap – niet zo logisch.
Janine was behoorlijk snel. Ze begon al woordjes te lezen toen ze 3 jaar was, ze leerde zichzelf Engels toen ze 4 was. Maar vanuit de buggy lachte ze niet naar cassiéres . In plaats daarvan keek ze naar het plafond, waar spiegels hingen om winkeldieven te betrappen. Dat was mij nog nooit opgevallen.
Janine durfde niet hardop te lezen in de kleuterklas, maar zag het meteen als de kalender verkeerd stond. En ze durfde als enige uit de klas bij kindjes te spelen waar Engels gepraat werd, geen probleem. ‘Dat heb je met zo’n jongste in een groot gezin,’ zeiden de mensen, ‘die zijn altijd sneller’. Ik weet niet of dat waar is. Ik ben zelf ook de jongste van vier, en zeker niet de snelste.

En nu ben je tien. Tussen tafellaken en servet, zei je oma vroeger. Je lijkt veel op je zussen, maar toch ook niet. Je bent uniek. Je was heel bang voor water, maar haalde toch drie diploma’s en medailles. Je bent heel slim, maar tafeldekken vind je lastig Vaak zit je uren op je kamertje. ‘Niet binnenkomen!’ roep je dan, ‘Eerst wat editen voor Tiktok!’ Je wil niet meer op de foto, dat is stom. Je hebt weleens een grote mond, maar ’s nachts kruipt je nog graag bij me in bed…

Lief meisje, hoe zal jouw leven eruit zien over 10 jaar? Ga je studeren, werken, of op wereldreis? En hoe zal die wereld er dan uitzien? Niemand die het kan zeggen…Maar één ding is zeker: je blijft altijd onze jongste. En we zijn allemaal blij met jou, gewoon zoals je bent!

Opruimen in coronatijd – 2

Pas kwamen onze oudste dochters hier om te helpen opruimen. Ontzettend lief van hen, en geen overbodige luxe! Met zes opgroeiende kinderen kwam ik lang niet aan dat soort grote klussen toe. Daar komt nog bij dat ik een echtgenoot heb, die overal wel wat bruikbaars in ziet. Anders geformuleerd: hij gooit bijna nooit iets weg. En als ik dat dan wel deed, was hij dat de dag daarna ineens kwijt.

Zo heb ik jaren geleden een keer enthousiast de trapkast opgeruimd en aardig wat weggedaan. O.a. twintig tassen die volgens mij nergens voor gebruikt werden. Helaas zat daar nou nét eentje bij die Gerard had willen bewaren… Hij boos, ik ook boos. Dat ging ongeveer zo:

G: ‘Wat heb je met die blauwe rugzak van mij gedaan, weggegooid? Hij was nog heel goed!

Ik: ‘Eh… ja. Maar zo goed was hij nou ook weer niet!’

G: ‘Er was niks mis mee, ik gebruikte hem heel vaak’.

Ik: ‘Ja ja, en daarom hing ‘ie onder 19 andere tassen in de kast!’.

G: ‘Dat kan niet, ik heb ‘m pas nog gebruikt. Gooi toch niet alles zomaar weg!’

Ik: ‘Ik gooi helemaal niet alles zomaar weg! En ben je dan niet blij dat ik de kast opruim, nu hebben we veel meer ruimte!’

G: ‘Nee ik word daar niet blij van als jij mijn goede spullen weggooit.’

Ik: ‘Maar ik wist niet dat je die tas nog gebruikte!’

Enzovoorts…

Sindsdien gooi ik toch wat minder makkelijk dingen weg. Eerst maar eens aan Gerard vragen of hij het nog nodig heeft. Negen van de tien keer is het antwoord: ‘Ja. Niet weggooien dus!’ Zodoende is ons huis best vol geworden.

Toch zou het niet eerlijk zijn om hem de schuld te geven van al onze volle kasten. Als je zoveel kinderen hebt, heb je dus ook veel verjaardagen met veel cadeautjes. Verder kochten we nog weleens wat op de rommelmarkt of vonden we bruikbare spullen bij het grof vuil. En dan kregen we ook nog geregeld dingen toegestopt van anderen, onder het motto: ‘Bij jullie komt het altijd wel van pas!.’

Mijn hoop dat er veel zou verdwijnen als er kinderen uit huis gingen, kwam ook niet uit. Natuurlijk namen ze spullen mee, maar drie van de vier kochten een nieuw bed, dus bleef het oude bed hier staan. Kasten idem. Oude schoolspullen kwamen ze niet aan toe om uit te zoeken, oude kinderboeken wilden ze niet mee. O ja en niet te vergeten hun fietsen, die bleven ook achter in onze schuur. Want dat was zo handig als ze hier eens een weekendje kwamen logeren.

Als we nou in een kasteeltje gewoond hadden met een lap grond erbij, en nog wat bijgebouwen, was het allemaal geen probleem geweest. Maar helaas, we wonen in een rijtjeshuis met een kleine tuin en een schuurtje van 2 bij 3 meter.

Genoeg geklaagd. Teveel spullen is een luxe-probleem en de meiden hebben ons fantastisch geholpen! Zelf pak ik de draad ook aardig op. En al gaat dat niet volgens de Marie Kondo-methode, langzaam wordt het hier steeds leger. Dat moet ook wel, want er zit een verbouwing aan te komen deze zomer. Na 23 jaar een nieuwe keuken en andere vloer; ik verheug me er nu al op!

Het enige wat we zelf moeten doen is alle kasten leeghalen. Maar dan ook echt alles! Ontzettend jammer dat er door corona geen rommelmarkten zijn. Wij zouden met gemak twintig kraampjes kunnen vullen met al onze goede boeken, CD’s, DVD’s, speelgoed, spelletjes, kaarsen, tassen, fietsjes, potten, pannen en nog veel meer andere zooi…

Opruimen in coronatijd

Nu de coronatijd bijna voorbij is -althans daar lijkt het wel op, als je ziet hoe druk het overal is! – ben ik eindelijk begonnen met opruimen op zolder. Ik loop daarmee een paar maanden achter op de trend. Veel mensen begonnen er meteen de eerste week van de lockdown al mee. Vandaar dat je nu bij tweedehandswinkels overal bordjes ziet, met: ‘Breng geen spullen in; onze voorraadruimte staat vol!’ Is dat even jammer, wij hebben ook nog wel het één en ander!

Ik ruimde de eerste tijd helemaal niets op. Diverse gezinsleden (ik ook) hadden behoorlijk moeite met wennen aan ‘het nieuwe normaal’. De intelligente lockdown bracht een hoop verwarring met zich mee. Maar na drie weken hadden we onze draai gevonden. Evengoed bleef het intensief. Dus het idee om de zolder eens op te gaan ruimen, kwam vrij laat. Eigenlijk vorige week pas. Maar als ik ergens aan begin, dan gaat het ook grondig!

Ik begon met het grove werk (eindelijk bergen oude kleren in tassen stoppen en naar het Leger des Heils brengen, de nog wat betere kleren naar kennissen). Een deur uit z’n hengsels halen en een leuk gordijntje ervoor in de plaats. Stapels boeken uitzoeken en in dozen stoppen. Veel te kleine regenpakjes wegdoen. Bakken Barbies, poppen, knuffels, verkleedkleren en babykleertjes sorteren. Knikkers in één bak in plaats van overal tussen. Bergen Playmobiel en Lego in ons bad gooien en uitzoeken, kastjes en dozen verschuiven, troepjes in nog later uit te zoeken bakjes stoppen enzovoorts. Dit alles over een paar dagen verspreid.

En toen kwam de klad erin… Elke keer als ik weer naar boven ging voor die onduidelijke bakjes troep, kwam ik er niet doorheen. In plaats daarvan ging ik een puzzel van Sesamstraat maken van 16 stukjes, of een cd luisteren, of met de knikkerbaan spelen. Door mijn stapels dagboeken en papieren werd ik ook behoorlijk afgeleid. Of door felicitatiekaartjes van onze bruiloft, oude ansichtkaarten, mappen met aantekeningen. Steeds vroeg ik me af: waar heb ik dat nou weer voor bewaard??? Maar dan kwam ik weer een nieuwjaarskaartje tegen van een oom en tante die niet meer leven, of een lief briefje van een kind of een mooie tekening. Leuk toch?

Ik kwam zelfs schrijfsels van mezelf tegen uit mijn eigen kindertijd. Ik had een hoop fantasie, en nog weinig gêne om dingen op papier te zetten. Het bewijs daarvan is bovenstaand briefje. Ik zal een jaar of 12, 13 geweest zijn. Op dat moment had ik nog een hoop zelfvertrouwen en lol in onzin verzinnen. Zoals… een fanclub voor mezelf! Waarom ook niet? Maandelijks een fanclubblad, elk half jaar een voorstelling (van wat? Geen idee.) En nog een behoorlijk bedrag ook per jaar, 160 gulden per jaar!

Ik kan me niet herinneren dat ik veel fans heb gekregen… En als ik ze al had, dan betaalden ze geen contributie. Ik was sowieso helemaal geen opvallend kind, geen clown in de klas en geen druktemaker thuis. Misschien wilde ik wel graag aandacht of zo, ik weet het niet meer. Maar ik ben toch heel blij met dit ene papiertje dat ik ruim 40 jaar bewaard heb. Ooit heb ik dan toch een tijd gehad dat ik mezelf erg leuk vond, en niet zo onzeker was.

Soms wou ik dat ik nog wat van die bluf van vroeger had…