Zorgen van een mantelzorger

Onlangs moest ik naar een bijeenkomst van mijn werk. Het thema van die avond was: Samenwerken met mantelzorgers. Van tevoren had ik er niet zoveel zin in, ik had thuis genoeg te doen! Maar ja, ik werd geacht aanwezig te zijn en had ook geen duidelijke reden om af te zeggen. Wie weet stak ik er nog wat van op voor mijn werk (Care Giver bij mensen met dementie).

Het eerste deel van de avond had ik moeite om me te concentreren. Op een gegeven moment vroeg ik me af waarom dat zo was. Was het te moeilijk? Was het niet interessant, of was het een ver-van-mijn-bed verhaal? Eigenlijk allemaal niet. Toch lukte het me niet om erbij te blijven, totdat er filmpjes getoond werden met voorbeelden van mantelzorgers. Wat vooral binnen kwam, was iemand die zich (in mijn ogen) tot in het absurde aanpaste aan het zorgen voor haar ouders. Ze had haar baan opgezegd, woonde doordeweeks niet meer bij haar man, beklaagde zich over haar zussen en broers die minder deden enzovoorts. Ik vroeg me bijna af of dit gespeeld was… zo ver kon je toch niet gaan?

Maar wat doe ik allemaal niet, omdat er thuis zorgen zijn? vroeg ik me vervolgens af. En ineens was het me helder waarom ik me niet zo kon concentreren, ik was zelf een vermoeide mantelzorger! Al langere tijd speelt er thuis het nodige rondom een kind met rugzakje, sinds kort is daar de ziekte van m’n man bij gekomen. Logisch natuurlijk dat ik moe was. Maar in mijn hoofd gaat alles niet even logisch, bij niemand waarschijnlijk die vermoeid raakt door wat ook. Zo kon ik toch iets milder naar die vrouw kijken die bijna alles opzij zette voor haar ouders. Alhoewel…er zijn grenzen. Ik heb intussen ontdekt dat ik er geregeld uit moet gaan, en niet de hele tijd thuis moet blijven om te zorgen. Daar komt namelijk geen eind aan. Mij helpt het om tijd te nemen om lekker te wandelen met vriendinnen, als het éven kan in het weekend een poosje te gaan sporten, zondags naar de kerk en een goed boek lezen.

Wat wij die avond meekregen was met name dit: kijk positief naar mantelzorgers, zij zijn niet per definitie overbelast en zielig. Mantelzorgen kan je veel voldoening geven. Maar je hebt wel meerdere petjes op, en dat kost veel energie. Doorgaan met zorgen totdat het water je aan de lippen staat, is niet handig. Vraag hulp in je omgeving en wacht daar niet mee tot je niet meer kunt etc.

Okay, allemaal heel duidelijk. Maar nu de praktijk, die is lastiger dan het verhaaltje. Want ik ben ook geen ster in hulp vragen. Om te beginnen al niet aan m’n eigen kinderen thuis… Goed, dat zijn tieners die niet in de rij staan om klusjes te doen. Maar het moet wel gebeuren. Voordat Gerard ziek werd, haalde hij weleens een stofzuiger door de kamer, maar dat is er tegenwoordig ook niet meer bij. Er komt aardig wat op mij neer zodoende. Moet ik dan huishoudelijke hulp inschakelen voor dat soort dingen? Daar heb ik helemaal geen zin in. Ik vind het fijn om wat met m’n handen te doen, juist als ik onrustig ben. Een ander zal misschien gaan Netflixen of gamen. Voorheen ging ik bij stress minder eten, wat ik toen heel logisch vond. Die gewoonte heb ik doorbroken, maar ik moet wel ergens heen met mijn stress.

Laatst was het ook weer zo’n dag. Gerard was al twee dagen hondsberoerd door de kuren die hij moest ondergaan. Aan de zijlijn staan valt dan echt niet mee. Ik vond het steeds lastiger om aan te zien. Misselijkheid bij een ziek kind heb ik vaak genoeg meegemaakt, maar dit was wel een graadje erger. Op een gegeven moment werd ik zo onrustig en boos, dat ik het doosje met zijn chemo pillen wel in de prullenbak wilde gooien!

Dat heb ik toch maar niet gedaan…In plaats daarvan ben ik me uit gaan leven in de tuin. Weg met alle uitgebloeide plantjes en onkruid! De wilde wingerd kon ook wel wat korter, en een andere klimmer die de hele tuin door kronkelt, rukte ik her en der eruit. Daarna zette ik een stel plantjes in de grond die al sinds april in potjes stonden…schande. Ik bracht alle afgeknipte takken en onkruid meteen weg naar een plek voor snoeiafval. Ziezo, de tuin zag er tenminste iets beter uit en ik voelde me moe maar ook een stuk beter! Zo kon ik ook weer voor Gerard en alle anderen zorgen.

Foto door Vanda Zahorkovu00e1 op Pexels.com

PS: De kinderen zagen geen verschil in de tuin na al mijn werk 😟 Maar Gerard wel, toen hij weer bijgetrokken was… Wat heb je nou gedaan? vroeg hij geschrokken. Volgens hem was ik veel te rigoureus bezig geweest. Nou misschien wel, maar daarmee was zijn doosje dure pillen gered, en mijn vermogen om te mantelzorgen ook.

Een boom van een vent

(vervolg op ‘Geen bericht, goed bericht‘)

De dokter wond er geen doekjes om. Meteen de volgende ochtend zou Gerard een beenmergpunctie moeten ondergaan en later op de dag een scan. Maar eerst werd hij naar een afdeling gebracht, op bed gelegd en aan een infuuspaal gekoppeld. Hij kreeg vocht om zijn bloed te spoelen, de ene na de andere zak. Als de zak bijna leeg was, begon het apparaat te piepen. Dat deed ‘ie ook als de accu bijna leeg was. Aangezien hij op een zaaltje lag met nog drie patiënten, was het er alleen al om die reden niet vaak stil.

Intussen hield ik thuis de boel draaiende. De eerste dag deed ik net alsof er niets aan de hand was. Ik ging even naar mijn werk, kookte het eten en ruimde de boel op. Ontkenning heet dat. Pas in de avond was ik zo ver dat ik het slechte nieuws aan de jongste kinderen vertelde. Hun reacties waren heel verschillend. De één nam het kalm en rustig op en de ander ging bijna van z’n stokje 😦 De oudste kinderen belden of appten; allemaal geschrokken en ongerust. Maar gedeelde smart is halve smart, het hielp wel om erover te praten. Toch duurde het een aantal dagen voor ik het aan de buitenwereld kon vertellen.

Gerard kreeg zijn beenmergpunctie. Hij werd wel plaatselijk verdoofd, maar een week later zag zijn rug nog bont en blauw. De scan was gelukkig een stuk minder pijnlijk.  Wat hij allemaal precies meemaakte in het ziekenhuis, ontging mij soms in alle hectiek. Dat vertelde hij me dan als ik bezoek kwam. Dat er weer bloed was geprikt, zelfs ’s nachts, bloeddruk gemeten, infusen verwisseld. En bij elke medische handeling de vraag hoe hij heette en wanneer hij geboren was.

Gerard z’n bed stond mooi dichtbij het raam. Ondanks alles genoot hij van het uitzicht. ‘Kijk, daar gaat de bus waarmee Janine naar school gaat!’ zei hij, wijzend naar een bus in de verte. Ik was meer onder de indruk van alles wat er gebeurde in het zaaltje. De ene patiënt kreeg hele families rondom zijn bed, de ander slechts een zoon of echtgenoot. Verpleegkundigen liepen in en uit, dokters kwamen langs met arts-assistenten en stagiaires in hun gevolg. Erg veel privacy had je niet. Je kon precies horen dat meneer X een maagonderzoek zou krijgen, wat de temperatuur van meneer Y was, hoe zijn stoelgang verliep, hoe het met de zieke vrouw naast Gerard ging enzovoorts. Gerard bleef er vrij rustig onder. Hij voelde zich redelijk. Hij genoot van het feit dat je daar de hele dag lekker eten mocht bestellen; het leek bijna wel een hotel! (zei hij).

Op de derde dag, amper 48 uur nadat we hoorden dat we met chronische leukemie te maken hadden, kwam er een verpleegkundige naar Gerard toe. Ze had een bruine papieren zak bij zich met een leuk groen boompje erop. Het deed me denken aan een zak van de Mac, wat zou erin zitten? ‘Zo meneer, hier zijn uw medicijnen!’ zei ze opgewekt. Alsof dat leuk was! Gerard had al de nodige pillen en infusen gekregen ter voorbereiding, maar nu zou het echte werk beginnen. Chemotherapie in tabletvorm. Gerard liet zich niet kennen en maakte nog wat grapjes over de papieren zak. ‘Precies wat voor mij – een boom van een vent!’ Ik had dit grapje vaker gehoord en kon er niet om lachen.

De verpleegkundige legde van alles uit over de chemokuur. Ik zat erbij en keek ernaar. De woorden gingen het ene oor in en het andere oor uit… het was gewoon teveel. Ze pakte twee doosjes uit de zak en haalde een strip pilletjes tevoorschijn. Wat zei ze nou? Tien pilletjes van de ene, nog zeven anderen, zeventien pillen achter elkaar? En dat drie dagen lang? De tranen sprongen me in de ogen, terwijl Gerard ze dapper één voor één doorslikte. Ik werd er ineens een beetje opstandig van; als ik die ziekte zou hebben, zou ik gewoon weigeren om ze door te slikken! Alsof dat me iets zou opleveren… Gerard zat er anders in. Hij was allang blij dat hij geen acute leukemie had. Chronische leukemie is zeker niet leuk, maar in elk geval beter te behandelen dan acute leukemie. Evengoed was het afwachten hoe zijn lichaam zou reageren op deze eerste aanval tegen de kanker; dat konden de artsen niet voorspellen. Daarom werd hij de dagen erna dan ook goed in de gaten gehouden. Als de chemo te hard zou werken, zou hij schade aan zijn nieren op kunnen lopen, of last van z’n hart krijgen. Dat wilden ze uiteraard niet.

Al met al intensieve en spannende dagen, die eerste week in het ziekenhuis. Ter afsluiting van deze blog daarom nog een gezelliger plaatje.

Geen bericht, goed bericht

Mijn ouders hielden van reizen, wat net als onze opvoeding behoorlijk gestructureerd verliep. Ze namen echter wel afstand van alles in Nederland. Ze belden opa en oma alleen voor het hoognodige op, dat we goed aangekomen waren bijvoorbeeld. Wat zou je tussendoor nog meer te vertellen hebben? Bellen vanuit het buitenland in een telefooncel was toen nog een heel gedoe. En niet onbelangrijk: het kostte veel geld! Geen bericht, goed bericht dus. Later, toen ik al getrouwd was met Gerard en hoogzwanger de eerste bevalling afwachtte, hielden zij hetzelfde motto aan. Meestal mopperen ouders dat ze te weinig van hun kinderen horen, maar nu mopperden wíí dat pa en ma zo weinig belden. En dat terwijl er een kleinkind op komst was!

Tijden veranderen. Telefoneren is nu een makkie geworden en als je daar geen zin in hebt, stuur je gewoon een appje. Geen bericht betekent meestal wel goed bericht. Net zoals bij bloed prikken of zo. Hoor je niks, dan zit het wel goed.

Over bloed prikken gesproken… Gerard, mijn man, was al een tijdje moeier dan eerst. Ik had het idee dat hij oververmoeid was door de nachtdiensten die hij voor zijn werk moest doen. Hij vond van niet, maar als partner kijk je er soms anders tegenaan. Later kwam daar nog duizeligheid bij. Nu werd het toch weleens tijd om een huisarts te bezoeken. Gerard gaat  nooit naar de dokter, dus dit was al een hele stap. De dokter stelde een paar onderzoekjes voor: een bloeddruktest, een longfoto, en wat buisjes bloed prikken. Ze wilde het ter plekke afspreken met het ziekenhuis, maar de website lag er toevallig uit 😦 Zodoende gingen er een paar dagen overheen voor het eerste onderzoek plaatsvond. Het tweede onderzoek gebeurde een week later; het bloedprikken zelfs nog een week later. Gerard z’n klachten werden er niet beter op, maar we hoorden eerst niks. Het zou wel loslopen allemaal, dachten we.

Een paar uur nadat er bloed geprikt was, belde de huisarts hoogstpersoonlijk op. ‘Meneer, er is iets niet goed aan uw bloed’, was de eerste mededeling. Dat ‘iets’ was een erg laag HB en een zeer hoog aantal witte bloedlichaampjes, wat zou kunnen duiden op een ontsteking. Huh? Wat betekende dat? De huisarts had overleg gehad met een internist en verzocht Gerard om zich dezelfde middag nog te melden bij de Spoedeisende Hulp. Hè? Hij moest zelfs een tas klaarmaken, want de kans was groot dat hij een nachtje in het ziekenhuis zou moeten blijven. Geschrokken pakte Gerard wat spullen bij elkaar, en even later reed ik hem naar het ziekenhuis. We hadden geen idee wat er aan de hand was. Ik herinnerde hem eraan dat hij mij precies 32 jaar geleden ook naar het ziekenhuis bracht. Onze oudste dochter werd daar toen geboren; 1 juli 1992.

We meldden ons bij de Spoedeisende Hulp, waar het rustig was. Er was slechts één vrouw voor ons met een ziek jongetje. We moesten heel even wachten in de wachtkamer, maar daar kwam een verpleegkundige hem al ophalen. Gerard moest in een apart kamertje zijn bloeddruk laten meten en weer wat bloed afstaan. Voor de zekerheid, werd er gezegd, toen hij vroeg waarom er alweer geprikt werd. Voor de zekerheid deden ze ook iets aan zijn pols, voor het geval er een infuus nodig was… De twee verpleegkundigen keken samen naar het computerscherm. Mij was het duidelijk dat zij iets zagen, wat niet in de haak was. ‘Voelt u zich wel goed, meneer?’ vroegen ze. ‘Niet benauwd of zo of ergens pijn?’ ‘Nee hoor’, zei Gerard. ‘Nou ja wel vrij moe en duizelig, daarom kom ik ook hier’.

Weer moesten we even wachten in de wachtkamer, maar alweer vrij vlot werden we opgehaald. We liepen naar een kamertje waar Gerard op een bed kon gaan liggen. Een andere verpleegkundige deed nog een paar dingetjes. ‘Ik denk dat de dokter zo komt’, zei ze. Ik verbaasde me erover hoe snel alles ging. Mijn ervaring met onze kinderen op de Spoedeisende Hulp was dat je een uur moest wachten voor je een verpleegkundige te zien kreeg, en dan nog een uur voordat er een dokter kwam. Dit ging verdacht snel. Wat was er toch aan de hand met Gerard? Daar kwam een dokter met een verpleegkundige binnen. Ze stelde zich voor – geen idee meer hoe haar naam was – wel dat ze een kleurige legging onder haar witte doktersjas aan had. Ze vroeg even hoe het ging, en stelde toen de vraag: ‘Zal ik maar gelijk met de deur in huis vallen, of…?’

Wij wilden graag weten wat er aan de hand was, dus we zeiden ja.  ‘Meneer, wij denken dat u een vorm van leukemie heeft. Alle bloeduitslagen wijzen daarop. Zeer waarschijnlijk is het chronische lymfatische leukemie, maar we moeten nog wel uitsluiten dat het geen acute leukemie is. In dat geval is uw levensverwachting een stuk korter, maar met CLL kunt u nog jaren leven. Vijf of tien of twintig jaar, dat kunnen we niet voorspellen.’

Gerard en ik staarden haar ongelovig aan. Leukemie??? We waren met stomheid geslagen, wisten even ook geen vragen te bedenken. ‘U vat het wel rustig op’, zei de dokter voorzichtig. Nou, rustig? Ik kon het bijna niet geloven en ik begreep er ook niets van. Gerard moest het ook even op zich in laten werken; wat hing hem nou plotseling boven het hoofd? De dokter begon op te sommen wat het plan nu was en welke onderzoeken er nog meer plaats zouden vinden. Een scan, een beenmergpunctie… Hij zou sowieso meteen opgenomen worden in het ziekenhuis, dat stond vast. In mijn herinnering reageerde ik een beetje raar. ‘Ik moet zo naar mijn werk’, zei ik. ‘Hoe moet ik dat nou regelen? En Janine d’r school is afgelopen, ik moet haar zo ophalen bij de bushalte’. Dat doet stress met je als je een schok te verwerken krijgt, al stelde ik vast ook wel zinnige vragen. In elk geval was ik even helemaal de kluts kwijt, hoe kon dit nou toch? Was Gerard nu maar eerder naar de dokter gegaan! Dit was helemaal geen goed bericht… Het zag er naar uit dat we nog vaak op en neer naar het ziekenhuis zouden moeten, de komende tijd.

Gevallen

Op een dag deed een cliënt van mij niet open. Misschien hoort ze me niet, dacht ik eerst. Maar toen ik eens goed door het raampje naast de voordeur keek, zag ik iemand op de grond liggen. Ik stond aan de grond genageld, ze was toch niet…? Tot mijn grote opluchting zag ik haar even later bewegen. Pfff. Ze reageerde echter totaal niet op mijn aanbellen en kloppen. Hoe kwam ik daar ooit binnen?

Toen dit voorval plaats vond, was ik nog maar een maand in dienst. We hadden bij de cursus een paar dingen geleerd over wat je moest doen in een noodgeval: bel naar kantoor of bel 112. Destijds hoorde ik dat aan als een droge mededeling, zo vaak zou het toch niet voorkomen? Blijkbaar toch wel!

Ik belde eerst maar naar kantoor. Gelukkig namen ze daar meteen op, en kreeg ik goede instructies wat ik moest doen. Te weten: de sleutel ergens uit een sleutelkastje halen, naar binnen gaan, mevrouw gerust stellen en vooral niet met haar gaan slepen. Dat lijkt misschien simpel, maar ik was best wel geschrokken. In de tussentijd belden zij de dokter. Ik werd weer rustig.

Wat een toestand voor deze mevrouw! Ze schrok zich wild toen ze mij ineens zag, en tegelijk was het een grote opluchting. Hoe lang ze daar al gelegen had, dat was niet duidelijk. Ze was behoorlijk in de war, koud en nat. Ze wist niet welke dag het was of hoe laat, alleen maar dat ze gisteren ziek was en dat het nu ‘wel weer ging’… Gelukkig maakte ze geen aanstalten om overeind te komen, zeker niet toen ik gezegd had dat de dokter onderweg was. Ondertussen friste ik haar een beetje op, voor zover dat lukte op de grond. Ik hielp haar schone kleren aan te trekken en gaf haar op verzoek wat koffie te drinken. Dankbaar klokte ze het naar binnen. Hoe lang zou ze al niets gegeten en gedronken hebben, vroeg ik me af.

Gelukkig kwam de huisarts al snel langs. Hij vond dat ik het goed gedaan had, maar hij schrok van de situatie. Wonder boven wonder had mevrouw niets gebroken, maar waarschijnlijk was ze uitgedroogd, oververmoeid en misschien had ze zelfs een longontsteking. Geen twijfel aan: ze moest naar het ziekenhuis. Hij vertelde het haar rustig maar met het nodige gezag. ‘Mag ik daarna weer terug naar huis?’ piepte mevrouw met een iel stemmetje. ‘Nee,’ zei de huisarts streng. ‘Nu is de grens bereikt.’ Oei, dat klonk  serieus, mevrouw ging er niet eens tegenin. De dokter vertrok. Na een tijdje werd er weer aangebeld, dit keer door ambulance medewerkers. Ze tilden mevrouw op een brancard, en legden uit wat de bedoeling was. Zij begreep er niet veel van, ze dacht dat ze in een vliegtuig werd geïnstalleerd! Ik reed mee, want de familie was nog onderweg. Best apart zo voorin een ambulance. Gelukkig was het geen noodgeval, dus we reden rustig.

Om een lang verhaal kort te maken: deze mevrouw knapte wel wat op, maar mocht niet meer terug naar haar huis. Teveel risico op herhaling. Dus, naar een verpleeghuis. Maar of ze daar nou blij van werd? Ik wou dat ik het kon zeggen… Met weemoed dacht ik terug aan de tijd dat mijn vader naar een verpleeghuis moest. Hij was er ook niet enthousiast over, maar hij heeft er zulke gelukkige maanden gehad! Dát wens ik deze mevrouw echt van harte toe: liefdevolle verzorging, een veilige plek en rust op haar oude dag.

Stilstaande klokken (Senioren Service 2)

Een beetje zenuwachtig trok ik mijn jas aan. Nu zou het echte werk beginnen! Een paar uur optrekken met een voor mij nog onbekende vrouw die ook nog doof was, kon weleens een uitdaging worden. Maar goed, hier had ik voor getekend, dus hier ging ik voor.

‘Wat leuk dat u er weer bent!’ zei mevrouw van D. Ze rommelde wat in de keuken. ‘Maar u bent veel vroeger dan ik gedacht had!’ Ik keek op mijn horloge. ‘Dit is toch echt de tijd die we afgesproken hadden hoor, vorige week’. Ze haalde haar schouders op. ‘Ik weet het niet meer. Maar komt u verder, dan drinken we samen gezellig koffie’. Zo gezegd, zo gedaan. Mevrouw had er heerlijke koekjes bij van een goede bakker in de stad. Ze was er trots op dat ze die daar zelf onlangs gehaald had. Ik vond het ook knap. Nu moest ik het onderwerp boodschappen doen ook meteen maar aankaarten. De dochters van mevrouw zouden het erg fijn vinden als iemand anders die taak van hun zou overnemen. Ik probeerde dat uit te leggen, maar mevrouw liet zich niet ompraten. ‘Nee hoor, dat doen mijn dochters altijd. En dat gaat prima zo!’ Er was geen speld tussen te krijgen.

Ik keek wat rond in de huiskamer naar de foto’s. Er stond een foto bij, waarbij één persoon me bekend voorkwam. Ik was benieuwd wie dat was. ‘Is die meneer misschien die en die…?’ vroeg ik voorzichtig. ‘Jaaa!’ zei mevrouw. ‘Inderdaad, dat is hem. Kent u hem dan ook?’ Ja warempel, ik kende hem ook. Als je al 33 jaar in dezelfde woonplaats woont, kruisen bepaalde mensen blijkbaar weleens dezelfde paden. Mevrouw viel bijna van haar stoel van verbazing. ‘Is het werkelijk waar?’ zei ze. ‘Hoe bestaat het dat wij een gemeenschappelijke kennis hebben! Wat ongelofelijk!’

Ik vond het ook bijzonder, en hiermee was ik helemaal binnen bij mevrouw. Het gaf haar zelfs de moed om iets anders aan te kaarten. ‘De klokken staan stil’, zei ze. ‘Kunt u daar de volgende week misschien eens naar kijken? Ook die in de keuken?’ Het leek mij handig om deze klus maar direct uit te voeren. Eerst bekeek ik de klok in de keuken. Die stond niet stil, maar wees nog de wintertijd aan. Nu snapte ik waarom zij dacht dat ik te vroeg was! Haar horloge liep ook niet goed, zag ik. Ik stelde hem bij. ‘Ach, of het nou twintig minuten eerder of later is… wat maakt het uit?’ zei ze. Tja, als je het zo bekijkt… De grote klok in de kamer kreeg ik helaas niet aan de praat. ‘Geeft niks, ik ga er binnenkort wel mee naar de stad’, zei mevrouw. ‘De juwelier weet precies wat hij eraan moet doen’. Ik kon me niet voorstellen hoe zij – broos vrouwtje met rollator- een grote klok mee kon krijgen. Maar goed, ik liet het maar voor wat het was. Ze had in elk geval weer twee klokken die de goede tijd aangaven. Daarmee werd het tijd voor de lunch.

Mevrouw gaf instructies waar ik alles kon vinden; in de gele kast in de keuken. Er was echter geen gele kast. Er stond broodbeleg op de koelkast, maar geen brood. Ze riep vanuit de huiskamer dat dat in een ander kamertje lag. En ja hoor, daar lag een zak met witte bolletjes. Dat wil zeggen: wit? Eerder groen van de schimmel 😦 Wat een geluk dat ik dat vond en zij het niet op was gaan eten! Gelukkig was er ook ander brood, wat niet over de datum was. En zo konden we samen lekker eten. Mevrouw genoot er zichtbaar van. ‘Ik vind het zo bijzonder’, zei ze een paar keer. ‘Waar heb ik dit nou aan verdiend?’

Aan uw leeftijd mevrouw, dacht ik. En aan het feit dat u zo weinig netwerk heeft. Precies één van de redenen waar Home Instead ooit voor opgericht is. Want zoals zij zijn er zoveel kwetsbare ouderen die dagen alleen zijn, terwijl ze beweren dat het ‘best wel gaat’. Ik ben blij dat ik op deze manier iets voor hen kan betekenen, al zijn het er maar een paar per week.

Senioren service

De eerste dag dat ik bij mevrouw Drenth kwam, deed ze de deur niet open. Twijfelend bleef ik staan; was het wel de goede dag? Was ze niet thuis? Of had ze geen zin in mijn bezoek? Na een minuut of wat had ik echter meer succes, de deur ging open. Waarschijnlijk had ze de bel de eerste keer gewoon niet gehoord, of was ze te laat bij de voordeur. Mensen van haar leeftijd rennen niet meer zo hard… Intussen kwam één van mijn leidinggevenden ook, om mij te introduceren en uitleg te geven aan mevrouw.

Mevrouw leek het allemaal maar merkwaardig te vinden. Ze redde zichzelf toch prima? Dat deed ze al jaren zo. ‘Kijk om je heen’, zei ze, ‘alles is netjes opgeruimd, ik heb het allemaal prima onder controle’. Maar één van haar dochters die zich om haar bekommerde, dacht hier toch echt anders over. Mevrouw Drenth was verschillende keren gevallen en lelijk terecht gekomen. Ze leek ook een beetje warrig de laatste tijd en zichzelf te verwaarlozen. Dat pleitte niet erg voor alles onder controle hebben.

‘Kijk eens wat een schat van een vrouw u wil komen helpen!’ zei mijn leidinggevende, wijzend naar mij. ‘Oh ja, ze lijkt me best aardig hoor’, zei mevrouw Drenth. Ondertussen begon ze weer een nieuw verhaal, waarbij ze nauwelijks luisterde naar wat de ander haar te zeggen had. Dat ging zo een tijdje door, totdat m’n leidinggevende een papier liet zien. ‘Kijk eens, hier staat alles in wat we met uw dochters afgesproken hebben’, zei ze. ‘ Als u het ermee eens bent, mag u zo een handtekening zetten.’ Mevrouw leek het idee krijgen dat het toch wel officieel was, en dat ze er niet zomaar onderuit kon komen. ‘Goed goed’, zei ze, en ze krabbelde wat onderaan het papier. ‘U gaat het vast heel gezellig hebben met onze zorgverlener en als er wat is kunt u ons altijd bellen’, zei m’n leidinggevende. Hiermee was de officiële kant van de kennismaking klaar, en vertrok zij. Ik bleef nog wat langer.

‘Zal ik naast u komen zitten?’ vroeg ik mevrouw Drenth. Ze verstond me niet. In plaats van de vraag te herhalen, ging ik zelf maar naar haar toe. ‘Wat een mooie foto’s heeft u daar op het kastje staan’, zei ik op luide toon. ‘Wilt u me vertellen wie dat allemaal zijn?’ Dat wilde ze wel. Ze vond het leuk om over haar familie te praten. Haar moeder, vader, broers en zussen, allemaal passeerden ze de revue. Maar ze bleef wat op haar hoede. ‘Wat een mooie bos bloemen zeg! Van wie heeft u die gekregen?’ vroeg ik. ‘Van de kerk’, antwoordde ze. ‘Oh wat leuk, ik ga ook naar de kerk’, zei ik. Hiermee leek het ijs gebroken. Ik had al gezien van wie de bloemen afkomstig waren, omdat er een kaart naast stond. Maar dit onderwerp hielp om haar meer op d’r gemak te voelen. Ze vroeg of ik ook naar die kerk ging. Nee, dat niet, maar wel naar een andere. Ze snapte het, en zo hadden we een mooi gespreksonderwerp te pakken.

‘Wat komt u precies doen volgende week? ‘ vroeg mevrouw Drenth op een gegeven moment. ‘Gezellig koffie drinken, en dan zien we wel wat er nodig is. Misschien kunnen we samen boodschappen doen, of een wasje draaien.’ ‘Oh nee, geen sprake van’, zei mevrouw resoluut. Dat regelt mijn dochter allemaal. Nee hoor, dat hoeft echt niet. En trouwens, ik kan zelf ook nog wel boodschappen doen!’ Ik kon het me bijna niet voorstellen hoe lang ze daarover zou doen. De afstand van haar stoel naar de voordeur leek al een hele horde, schuifelend achter haar rollator. Maar ik ging er niet tegenin.

‘Hoe lang blijft u nog?’ zei mevrouw Drenth na een poosje. Officieel zou ik nog een uur blijven, maar na een poosje rekken waren we min of meer uitgepraat. Mevrouw was moe, dat was duidelijk. Mijn hoofd tolde ook alle kanten op! Dit dametje was doof maar wel graag aan het woord. Ik pakte m’n spullen en liep naar de voordeur. Ze zwaaide me vriendelijk uit vanuit haar stoel. ‘Dag hoor! Tot de volgende week, heel leuk dat u dan komt!’

Hoe leuk of hoe intens ons contact echt zou worden, daar zou ik gauw genoeg achter komen. Maar eerst moesten we nog een beetje aan elkaar wennen. Gelukkig bleken we meer overeenkomsten te hebben, dan we in eerste instantie dachten.

– Wordt vervolgd-

Niet binnen de lijntjes

Zeven paar ogen kijken me aan. Wat zeg ik, acht paar zelfs, vanaf zes verschillende schermen. We zitten in een online vergadering, in het kader van de vorderingen op school van onze dochter. Een hele mond vol. Onze dochter mag zelf ook het één en ander zeggen; leuk om je eigen kind vanaf een schermpje te zien! De reden dat het allemaal zo moet is minder leuk. Het ging niet goed met haar op school afgelopen jaar. Nu doet ze een tussentijds traject om op adem te komen. Na dit traject van ongeveer vier maanden, moet ze terug naar school, of naar een andere school. Vandaag gaan we horen wat men adviseert.

Maar eerst is onze dochter aan het woord. Heel moedig van haar om haar zegje te doen tegen al die volwassenen, ik had dat niet gedurfd op 13-jarige leeftijd! Ze mag gelukkig na een kwartier uitloggen. Gerard en ik horen de deskundigen vervolgens één voor één aan, nadat we eerst onze eigen overwegingen hebben genoemd. Ik merk na een poosje dat ik afgeleid raak door de achtergrond die ik zelf had gekozen: een gezellige kamer met een knapperend houtvuurtje. Net toen ik het houtvuurtje wilde vervangen door iets anders, begon de vergadering al. Dat is zo typisch met online vergaderen, dat ik me ga zitten ergeren aan stomme dingen. Aan de achtergrond dus, maar ook aan hoe mijn haar zit, aan alle rimpels in m’n gezicht, aan de weerspiegeling van het scherm enz. Bij normale vergaderingen word je natuurlijk ook wel afgeleid, maar dit is toch anders.

Even een indruk van wie zich allemaal in deze vergadering met ons bezighouden? Dat zijn een orthopedagoog, een stagiaire, een zorgmentor, een vakdocent, een gezinsbegeleidster van een andere instantie, een zorgcoördinator van school, en een afgevaardigde van de gemeente Wageningen. Ik twijfel of ik ze nu allemaal genoemd heb… Want zo gaat dat als je niet precies binnen de lijntjes loopt, dan krijg je met een hoop deskundigen te maken. Wat er ook bij komt is dat je als ouders ongelofelijk veel formulieren moet invullen. Voor dit schooltraject bijvoorbeeld, maar ook voor een andere dingen. Alles moet verantwoord worden en alles moet terug te vinden zijn. Geloof het of niet: één zorgvuldig ingevuld aanmeld formulier raakte kwijt bij de post! Toen moest alles nog een keer… grrr 😡#$:-(😩🥴

Aan het einde van deze vergadering wisten we dat ons kind naar een andere school moest. Het eerste wat ons te doen stond, was weer 25 formulieren invullen, uitprinten en handtekeningen zetten… En dat alles op zeer korte termijn, want de meivakantie stond al voor de deur. Maar alles voor je kind, dus natuurlijk deden wij dat.

Ook al is het allemaal ingewikkeld; veel lof aan alle hulpverleners die ons door deze fase heen loodsen! Op een dag zal ik er op terugkijken, en me afvragen waar ik zo moeilijk over deed. Maar ja, dat is meestal zo als het in je leven anders gaat dan je verwacht had. En wie zegt dat ik zelf tussen de lijntjes pas?!

Een dag uit het leven van een oppas-oma

6.30 De wekker gaat. Nee hè, nu al? Ik draai me liever nog even om… Maar wacht, ik zou op onze kleinzoon gaan passen, toch maar uit m’n warme bed.

7.15 Ik start de auto. Thee mee in een thermosbeker en brood in een zakje. Het is allang licht, wat een verschil met een paar maanden geleden! Toen vertrok ik in het donker en kwam ik thuis in het donker. En dan die files… Nee, laat mij maar daglicht op de snelweg rijden.

8.15 Na een vlotte reis zonder files of oponthoud, arriveer ik bij het huis van mijn dochter en schoonzoon. Meestal zit Tommie dan in de kinderstoel zijn broodje te eten, maar vandaag niet. ‘Hij slaapt weer,’ zegt dochterlief met een bleek gezicht. ‘Hij was om half 6 al aan het spoken, tot half 8. En toen werd hij moe.’ Tja, zij had ook graag haar bed weer in willen kruipen, met een tweede kindje op komst is elk uurtje slaap erg welkom… Maar ja, er moet gewerkt worden. Met nog wat instructies voor mij – ‘Daar ligt de sleutel, geef hem maar wat brood van vanmorgen en misschien moet je zelf maar een appeltje eten om het goede voorbeeld te geven?’ – loopt ze de deur uit. Op naar een andere wereld. Ik installeer me op de bank met mijn thee en boterham, en lees de nodige appjes van het thuisfront in Wageningen.

9.19 Tommie mocht niet te lang slapen, had Irene gezegd, anders zou hij ’s middags niet meer naar bed willen. Dus ik ga naar boven, doe zijn deur op een kiertje en kijk; er komt beweging in het slapende hoopje. Tommie stommelt overeind, zijn ene speen in zijn mond en de andere twee binnen handbereik. Hij pakt z’n blauwe knuffelaap en geeft hem aan mij. ‘Die!’ zegt hij vrolijk. Die is naast mama het meest gebruikte woordje wat hij kent. Even later krijg ook de andere knuffel. Ik zet ze op de rand en laat ze weer in zijn bedje duikelen, wat hij erg grappig vindt. Ik ben blij dat hij lacht. We gaan de dag wel weer lekker doorkomen samen!

10 uur. Het eerste fruithapje en koekje zitten er alweer in bij Tommie, even later gevolgd door een poepluier… Zelf geniet ik van een bakje koffie, dat heb ik inmiddels wel verdiend! Ik kijk naar buiten en zie de lucht betrekken. Hé, ik wilde net een wandeling maken. Tommie staat intussen te wijzen naar zijn schommel buiten, en roept: ‘Die, die!’ Snel maar zijn schoentjes en jasje aan en op de schommel. Hij vindt het heerlijk, ook al beginnen de eerste druppels te vallen. Ondertussen klungel ik met de wandelwagen. Het zitje staat in de slaapstand, en ik krijg het ding met geen mogelijkheid overeind. Wat nu? Dom dat ik het niet meer weet, daar ga ik Irene of Simon toch niet mee lastig vallen?! Ik besluit bij een buurvrouw verderop aan te bellen. Met 3 kindjes weet zij vast wel hoe het moet. Maar een oudere vrouw – ook oma – doet open en zij komt wel even kijken. Ze heeft eigenlijk ook geen idee hoe het moet… Door trial and error heb ik toch ineens de goede knop te pakken, yes! Nou Tommie erin, riempjes vastklikken en gaan.

11 uur. Wandelen langs het Amsterdam Rijnkanaal in de regen. Altijd interessant om samen naar de vrachtboten te kijken, naar de treinen, de hoge brug en de langs stuivende auto’s. Ik wil een plastic hoes over de wandelwagen doen, maar Tommie wil dat absoluut niet. Misschien wordt hij er een beetje claustrofobisch van, bedenk ik. Dus frommel ik het plastic maar wat over zijn beentjes, en dat vindt hij oké. Mijn eigen schoenen blijken niet waterdicht… tijd om terug te gaan dus en droge sokken aan te trekken.

12 uur, lunchtijd. De boterhammen moeten nog ontdooien en Tommie weet niet wat hij wil. Nou, dan maar even de tv aan. Tommie is bijna tien minuten geboeid door de avonturen van Nijntje, wat best lang is. Maar hij heeft ook erge honger, dus ik zet hem gauw in de kinderstoel. Schort aan, slab eroverheen. Dat is geen overbodige luxe, want hij smeert zich behoorlijk onder. Hij is een kieskeurige eter. Appelstroop en pindakaas zijn topfavoriet. Maar de broodkorstjes opeten? Ho maar. Hij spuugt ze uit in zijn slabbetje of hij gooit ze op de grond… Dat hoefde oma vroeger niet te proberen Tommie!

13 uur. Het eten is klaar, tijd om te spelen. Speelgoed genoeg, maar Tommie z’n oog valt op een kastje. Papa en mama zijn zo flauw geweest om die op slot te draaien en de sleutel te verstoppen. Maar slim als hij is, probeert hij een pen in het sleutelgat te duwen. Hij kijkt me vragend aan, waarom gaat die kast nou niet open? Oma moet heel erg haar best doen om hem af te leiden. We gaan maar eens naar boven voor een schone luier. Tommie kruipt zelf de trappen op, richting de werkkamer van zijn moeder. ‘Mama?’ Nee mama is er niet, leg ik uit. Intussen slaat de regen tegen de ramen, wat ook wel interessant is. Ik zucht in mezelf, want ik wil niet de hele middag binnen zitten.

14 uur. Hoera, de zon breekt door! Aangezien Tommie er niet echt slaperig uit ziet, zet ik hem in de wandelwagen en lopen we richting het dorp. Het is heerlijk fris en groen buiten na alle regen. Van die typische Hollandse wolkenluchten, prachtig. Tommie kijkt tevreden rond, hij neuriet wat en sabbelt op zijn speen. Misschien valt hij straks wel in slaap, dat zou fijn zijn. Maar eerst de boodschappen inslaan bij de supermarkt. Handig om dat met een kinderwagen te doen, die kun je helemaal volstouwen onder het zitje. Dat deed ik vroeger ook, alleen was de afstand van de winkel naar huis een stuk korter. Ik moet op de terugweg flink duwen, er staat een harde wind en Tommie wordt het zat. Ik word ook nog gebeld ondertussen, multi-tasking oma heeft haar handen eraan vol.

15 uur. We zijn thuis. Uitgeput leg ik Tommie in zijn bedje, wat hij me niet in dank afneemt. Hij zet een flinke keel op, maar ik ga naar beneden. Eerst even me-time. Ik zet thee, eet een stuk chocola, en plof op de bank. Natuurlijk luister ik met een half oor hoe hard er boven gehuild wordt, maar de babyfoon zet ik uit. Gemeen? Nee hoor, ik hoor Tommie zo ook wel. Even lijkt het erop dat hij zich erbij neerlegt, maar helaas… hij begint hoe langer hoe harder te huilen. Dit gaat niet werken. Ik til hem uit zijn bedje met slaapzak en al, en kalmeer mijn verdrietige kleinzoon met een dikke knuffel. We gaan maar weer naar beneden. Een beetje spelen, een boekje lezen, en op de bank hangen. Mijn energieniveau is laag. Tommie vindt het niet erg, hij kruipt lekker tegen me aan. Samen rusten we zo wat uit op de bank. Heerlijk, zo kan het ook.

16.30 Daar komt een auto aanrijden, Tommie kijkt op. ‘Mama?’ zegt hij met een vragende blik. Nee, het is papa. Nou vooruit, dat is ook wel leuk, lijkt hij te denken. Hij lacht door het raam naar zijn vader, maar klemt zich de eerste vijf minuten toch nog maar even aan oma vast. Ook niet erg, dan kan papa even landen na een lange werkdag. Hij staat altijd voor dag en dauw op. Respect voor al die jonge drukke werkende ouders, die nog geen nacht door kunnen slapen! Ik weet zelf nog maar al te goed hoe vermoeiend dat was, en dan had ik nog niet eens een werkgever die op me zat te wachten.

16.50 Ik stap de auto weer in richting Wageningen, mijn taak zit erop. Tommie houdt niet zo van afscheid nemen – ik ook niet- dus dat houden we maar zo kort mogelijk tegenwoordig. Simon en Tommie redden zich verder wel. Ik voeg in op de A2, waar ik goed door kan rijden. Op de A12 is het helaas een ander verhaal… druk druk druk. Ik doe er anderhalf uur over, maar dan ben ik weer veilig thuis. Daar kan ik zo aanschuiven aan tafel. Het was een fijne dag als oppas-oma, maar met gewoon Rineke en mama zijn, ben ik ook helemaal tevreden 🙂

Stille week

‘Ga de Stille week in op weg naar Pasen, en vier het met je hart en zintuigen’. Met die zin eindigde onze dominee zijn overdenking, afgelopen zondag. Dit zinnetje bleef bij mij hangen. We kregen geen opdracht mee van ‘Geloof dit’, of ‘Doe dat’, of ‘Doe dat vooral niet!’ Nee, maak gebruik van wat in je is, je hart en je zintuigen. Ofwel alles wat je voelt, ziet, hoort, ruikt en proeft.

Ik vergat het zinnetje met dezelfde vaart weer. Het was snertweer die middag, en voor ik het wist liep ik erover te mopperen. Maar maandagochtend -nooit mijn favoriete dag- liep ik van de bushalte terug naar huis. En ineens viel me wat op; het zonlicht viel zo mooi en zacht door het groen van de struiken! Zou ik het proberen vast te leggen? Ik pakte mijn telefoon, klik klik klik. Ik vond het resultaat aardig, hoewel het in het echt mooier was. Gauw stopte ik mijn mobieltje weer in m’n zak, want ik zag al wat mensen naar me kijken wat er te zien was in de struiken.

In de avond wandelde ik naar een vriendin. En alweer viel mijn oog op iets waar ik anders minder op let: de lucht. Vol met uitgewaaierde vliegtuigstrepen die weet- ik-waar heen vlogen. Ik vond het prachtig! En alweer werd ik aangestaard door voorbijgangers, wat er toch te zien was. Kennelijk vind ik het toch best belangrijk wat andere mensen van mij denken, zelfs als ik iets heel mooi vind.

Als het lente is, is het niet zo moeilijk om je zintuigen te gebruiken. Kijk maar naar buiten, de natuur explodeert zo ongeveer. De struiken lopen uit, de kastanjebomen vormen blaadjes, grote populieren staan vol bloesem. Overal bloeiende narcissen, hyacinten, blauwe druifjes en tulpen. Vroeg in de morgen hoor je de vogels al fluiten. Voordat de wekker gaat, maken ganzen in de sloot bij ons achter me al wakker met een hoop gesnater. En dan die zachte wind, heerlijk na alle kilte van de afgelopen maanden!

Toch is dat genieten van al het schoons om ons heen niet voor iedereen weggelegd. Ik las in een onderzoek van het Trimbos dat een kwart van alle volwassenen wel een keer een depressie doormaakt. Inclusief ondergetekende dus. En van de jongeren is drie op de tien geregeld depressief. Zeven van de tien niet, maar bij elkaar toch een behoorlijk aantal. Je zult er maar last van hebben. Of… je zult maar net je vader of moeder hebben verloren, of binnen afzienbare tijd gaan verliezen. Of je klasgenoot die het leven niet meer aan kon… wat een tragedie en een verdriet! Daar helpen die schattige Blauwe Druifjes toch niet bij?

Nee. Bloemen, planten en mooie luchten kunnen het gat in je ziel niet dichten. Was het maar waar. Soms lijkt het zelfs wrang dat alles maar uitloopt, terwijl het in jezelf zo donker is.

Maar toch ook ja. Mij helpt het in elk geval wel om opmerkzaam te zijn. Met aandacht kijken, luisteren en voelen, maakt me ontvankelijker voor wat mooi is om me heen. Zachter, en ook stiller. Dat past dan weer goed bij de Stille Week, de week voor Pasen. En dat moois hebben we hard nodig in deze wereld vol onrust, geweld en dood.

Afgelopen week werden we getrakteerd op mooie wolkenluchten en kleurrijke zonsondergangen. Ik kreeg er geen genoeg van, wat een feest voor de zintuigen! Zou de dominee dit bedoeld hebben, of niet? In elk geval geef ik er gewoon deze draai aan. En bij deze goede Paasdagen toegewenst!

Moeder zijn, wat is dat?

Afgelopen week barstte er ineens discussie los over het woord moeder. Volgens sommigen in het kabinet zou dat beter uitgedrukt kunnen worden door de omschrijving: ‘Ouder uit wie het kind geboren is’. Dit om bepaalde groepen mensen niet te kwetsen. In eerste instantie dacht ik: wat een onzin! Maar al verder lezend begreep ik dat er meer achter zat. Okay, er zijn blijkbaar mensen die zich gepasseerd voelen door het woord moeder. Of die wel moeder zijn, maar zich niet in de omschrijving herkennen, of nog weer wat anders. Wat is het toch ingewikkeld om het iedereen naar de zin te maken! Ik ben blij dat ik in een land woon waar bijna overal serieus aandacht aan besteed wordt. Maar ook erg blij dat ze het woord moeder hebben laten staan. Over één ding kunnen we het in elk geval allemaal eens zijn: we hebben allemaal een moeder, anders zouden we nooit geboren zijn. Maar de vader dan, zou die ook niet anders omschreven kunnen worden? Bijvoorbeeld als degene door wie een kind mede ontstaan is? Of met behulp van wie het kind geboren is? Ach nee, dat roept weer verwarring op met verloskundigen of gynaecologen, die misschien ook meegeholpen hebben bij het ontstaan en de geboorte van het kind.

Afgelopen week heeft deze moeder niet zoveel bijzonders meegemaakt. Althans, geen opsluitingen, ongelukken of andere rampen. Wat niet wil zeggen dat het een rimpelloze week was, maar we begonnen in elk geval gezellig met een feestje van een jarige dochter. De zon scheen heerlijk en onze dochter straalde tussen alle vriendinnen, vriend en familie. Ik genoot er ook van. Maar de rest van de week was ronduit vol en stressig. Ik had een indrukwekkend aantal afspraken met hulpverleners rondom onze jongste dochter. Als je niet binnen de lijntjes past op school en je bent puber, dan komen daar een heleboel deskundigen bij kijken!

Terug naar dat moeder-zijn. Uit mij zijn er dus zes kinderen kinderen geboren, zes pijnlijke bevallingen. Bevallen is niet iets waar je beter in wordt naarmate je er meer aan gedaan hebt, zoals met hardlopen. Maar had ik het willen missen? Nee, want anders was ik nooit moeder geworden! Beetje het kip- en- ei verhaal, maar zo is het voor mij. Moeder worden is geen vanzelfsprekendheid en zeker geen verdienste, maar wel een groot geschenk. Tegelijk is het een hele klus om die kinderen groot te brengen. Vroeger dacht ik dat alles makkelijker werd, als ze boven de 12 waren. Inmiddels weet ik beter, het wordt alleen maar anders. Je hoeft geen luiers meer te verschonen of naar zwemles te fietsen, maar je krijgt andere dingen. Andere zorgen, en andere vreugden. Ik heb geen huilende kinderen meer ’s nachts, maar lig wel geregeld te tobben waar onze 16-jarige zoon toch uithangt! En als hij dan eens gewoon thuis is ’s avonds, lig ik eerder in bed dan hij. Omdat ik veel moeier ben.

Een grote vreugde van moeder zijn, is vervolgens ook nog grootmoeder worden. Ook geen vanzelfsprekendheid, dus nog iets om dankbaar voor te zijn. Dat leuke kleinzoontje van ons is intussen alweer 16 maanden. Ik geniet elke dag als ik weer eens op mag passen. Hij lacht als ik binnenkom en huilt als ik de deur uit ga, al is het alleen maar even naar de wc… We spelen vaak met de bal of blokjes, of ik kruip achter hem aan tot ik hem te pakken heb en dan schatert hij het uit. Ik zet hem in de kinderwagen en dan wandelen we langs het Amsterdam Rijnkanaal. ‘Bo!’ zegt hij, wijzend naar de vele boten die daar langskomen. Niets ontgaat hem, elke trein die langsrijdt en elk vliegtuig in de lucht ziet hij gaan. Veel woordjes kent hij nog niet, maar eentje beslist wel. En dat is… mama! Dat roept hij dan ook de hele dag door. En ook ‘ Ama! ‘, wat ik maar opvat als oma. Mama is voor hem de belangrijkste persoon, dat is duidelijk. Hoe goed papa ook zijn best doet -en dat doet hij al vanaf de eerste dag- mama is degene die onmiddellijk een lach tevoorschijn tovert.

Je hoeft echt geen moeder te zijn om leuke dingen met kleine kinderen mee te maken. Pas deed ik in de hal van de kerk mijn jas uit. Een klein jongetje stond naar mij te kijken, half verscholen achter het been van zijn papa. Ineens liep hij stralend op me af en riep: ‘Mama!’ “Hee, ik ben jouw mama toch niet,’ zei ik glimlachend tegen hem. Beteuterd waggelde hij terug naar het been van zijn vader. ‘Ach ja,’ zei zijn moeder die in de buurt stond, ‘Jij hebt ook een maillot en bruine schoenen aan.’

En nu denk ik : Stel je voor dat dát de definitie van moeder zou zijn volgens het kabinet, een ouder met een maillot en bruine schoenen. Daar zou je helemaal discussies over krijgen!