Ziek in de vakantie

Het is een stralende dag in mei. Heel de dag hoor ik al vogels fluiten. Het is best rustig in de buurt, geen kinderen of scholieren die met een hoop kabaal naar school fietsen door onze straat. Het is meivakantie, de tweede week alweer, en ik lig ziek op bed. Na een week keelpijn en een schorre stem, werd ik vannacht echt ziek. Koorts, hoofdpijn, misselijk… Stom, en dat in de vakantie! Het weer nodigt nou net uit om een eind te gaan wandelen of te fietsen of een leuke stad bezoeken. Maar helaas, dat zit er niet in.

Ik zal me niet in zelfmedelijden wentelen. Ik ben de enige niet, weet ik inmiddels. Daarbij zijn er best wel wat kennissen zodanig ziek, dat ze in het ziekenhuis liggen. Dat is veel erger dan een tijdelijke keelontsteking! Maar ik vind het wel jammer om zo weinig te kunnen doen. Ik had nog wel wat plannen voor deze week.

Toch ontdek ik vandaag dat het ook z’n voordelen heeft om op bed te liggen. Ik hoor de hele dag al een soort fluitconcert vanuit de bomen, klinkt heel gezellig! Het is net alsof ik op vakantie ben in een huisje in het bos. Als ik naar buiten kijk, wordt dat beeld bevestigd. De kastanjebomen voor ons huis zijn op z’n mooist nu; frisgroene blaadjes en witte toortsen. Ze steken prachtig af tegen de helderblauwe lucht.

Wat ook fijn was, dat ik thee op bed kreeg en zelfs een bak koffie. Jammer genoeg voor Gerard had mijn maag daar geen zin in, in koffie dus, maar wel heel lief van hem. Eten was ook niet aan mij besteed vandaag, voordelig dagje zogezegd. Morgen haal ik de schade wel weer in. Ik drink wel veel, want ik hoor m’n moeder dat nog tegen me zeggen: ‘Een mens kan wel een week zonder eten, maar nog geen dag zonder vocht!’.

Ik heb inmiddels al zoveel geslapen vandaag! Niet normaal, maar mijn lijf vraagt erom. Dus geef ik maar toe. Gelukkig heb ik vorige week al het nodige aan gezelligheid afgewerkt: oppassen, Gerard z’n verjaardag gevierd met familie, naar mijn schoonmoeder, naar mijn vader, naar onze dochter in Leiden met onze jongste dochter.

Het mooie is eigenlijk wel dat ik even op hou met rennen en dingen uit handen geef. Eigenlijk best fijn. Lag ik vannacht nog te tobben wie nou de boodschappen moest doen als ik het niet kon…kwam daar vandaag zomaar een oplossing voor. Ik vroeg het aan Gerard en Janine, en ze zeiden allebei ja! Op hun tijd en op hun manier, maar ze deden het. Gewapend met een lange boodschappenlijst en de nodige tassen, vertrokken ze samen gezellig naar de supermarkt. Zie je wel, ze kunnen het best! Kon ik weer even liggen en weer een dutje doen.

Ik ben ook dankbaar voor iets simpels als paracetamol, het dempte de ergste hoofdpijn en ik knapte er van op. Gerard had het voor me opgelost in een glas water, bah. Zo neem ik het nooit in, maar hij stond erop dat ik het opdronk, en dat heb ik dus maar braaf gedaan. Hij geniet er op zijn beurt trouwens van dat hij heel de dag tv kan kijken, zonder dat ik me eraan stoor of me bemoei met met wat hij doet. Er is genoeg te zien, zegt hij altijd, daar hoef je de deur niet voor uit.

Inmiddels lig ik weer rillerig in bed. Echt ideaal is het niet, ziek zijn in de vakantie. Ziek zijn is nooit ideaal, maar het brengt me weer even terug naar de basis: rust, rust, rust, en verder de dag maar nemen zoals die komt.

Koningsdag

Hollen of stilstaan; niet voor niets heb ik ooit voor deze titel gekozen, want ik wist dat het bij mij altijd zo zou gaan. Er zijn tijden dat ik overal inspiratie in zie en makkelijk een verhaal uit mijn mouw schud, en er zijn tijden dat dat gevoel compleet wegzakt. In zo’n tijd bevind ik me nu. Het is niet zo dat ik in de lappenmand zit of depressief ben, of niets meemaak. Maar ik loop over iets te broeden, en dat komt er nog niet uit.

Ondertussen tikt de tijd door. April is alweer bijna voorbij. De lente komt dit jaar maar aarzelend op gang, althans wat betreft de temperatuur. Maar vandaag was het heerlijk! En dat uitgerekend op Koningsdag, echt een kadootje. De jaren dat we met vier zenuwachtige kinderen ’s morgens vroeg naar de stad fietsten om ballonnen op te laten voor de koningin, liggen ver achter ons. Die kinderen zijn al volwassen, Koninginnedag werd Koningsdag en ballonnen oplaten mag niet meer vanwege de milieuvervuiling. Daar zit ook wel wat in. Ik ben er nooit goed in geweest om met een kleedje op de vrijmarkt te gaan zitten. De enkele keer dat ik het wel deed, viel de opbrengst me zwaar tegen.. . Maar ik heb dit jaar toch de zolder opgeruimd en de nodige spullen aan een dochter gegeven. Zij zet zich samen met een team in voor de bouw van een school in Afrika, en zij zouden een kraam bemannen op een vrijmarkt in Ede.

Samen met m’n jongste dochter fietste ik daarheen vanochtend. Het was heerlijk weer, helemaal niet zo koud als ik dacht. Toegegeven: we waren niet zo vroeg. Maar ik heb zelf rommel zat in huis, dus waarom zou ik voor dag en dauw naar een rommelmarkt gaan? Elf uur was een prima tijd. Even dachten we dat er meteen al narigheid was, omdat er een brandweerwagen met luide sirene de straat in kwam rijden. Maar dat bleek bij de vrijmarkt te horen; kennismaken met de vrijwillige brandweer, en rondjes rijden in een brandweerwagen. Janine ergerde zich verschrikkelijk aan de sirenes.

Zelf ergerde ik me vooral aan de schuifelende massa mensen voor me, achter me en naast me. We zochten snel de ruimte op en die was er gelukkig ook. Eigenlijk kwam ik vooral om dochter Hanna met haar vrienden te ontmoeten, maar we konden hen niet makkelijk vinden. Janine wilde dingen kopen. Dat werd dus toch slenteren langs de vele kleedjes en kraampjes. Ik zag echt niks liggen van iets wat ik nodig had, behalve stapels verpakte luxaflexen. Gauw Gerard gebeld of hij de maten kon doorgeven van de luxaflexen thuis die al tijden kapot zijn. Helaas lagen die er natuurlijk net niet tussen. Janine had meer succes, ze vond een paar interessante cd’s, dvd’s, en oude LP’s. En we vonden de kraam van Hanna! Enthousiast stonden die hun koopwaar aan te prijzen aan het langs lopende publiek. Grappig om verschillende spullen van ons thuis daartussen te zien. Bij het kledingrek herkende ik de kleren van Hanna. Zelf vond ik een leuk bloesje in hun kraam en een mooi boek. En zo werden onze tassen langzaam steeds voller.

Af en toe probeerden we aan de drukte te ontsnappen. De zon scheen en het was zacht. Je kon heerlijk in het gras zitten onder mooie wit-bloesemende bomen. Ik keek naar al die mensen die daar liepen met hun kinderen naast hen, in buggy’s en kinderwagens. Oudere mensen in scootmobielen probeerden er doorheen te komen, moeders liepen druk te bellen (waar hadden ze het toch allemaal over?), opa’s en oma’s hielpen met de verkoop of pasten op een kleinkind. Het was gezellig druk zoals dat heet. Maar zelf werd ik er vooral moe van, net als vroeger. Ik vind het leuk om bekenden tegen te komen en gewoon een beetje te kijken, maar veel bekenden zag ik niet onder de Edenaren. Nou ja, na een paar uurtjes vonden we het tijd om lekker terug te fietsen, langs weilanden met geitjes en lammetjes. We zagen zelfs een moeder Alpaca met haar kleintjes lekker grazen in de wei.

Eenmaal thuis overwoog ik om ook nog naar het centrum van Wageningen te gaan, om daar bekenden te zien en misschien nog wat leuks te kopen. Maar ik was moe en hongerig en ach, thuis was het ook prima. Tevreden zat ik in de tuin, in gezelschap van Gerard en één van de poezen. Wat een rust! Ik las bij de nieuwsberichten op mijn telefoon dat de koninklijke familie het goed had gehad in Rotterdam, gelukkig! Maar ook dat er ergens in Nederland een prikkelarme Koningsdag werd georganiseerd, speciaal voor kinderen die niet tegen zoveel prikkels kunnen. Dat lijkt me ook nog weleens wat, ook al ben ik geen kind meer. Maar nu kon ik nagenieten, en dat was me na alle drukte ook wat waard. En ik kreeg zin om een blog te schrijven, maar dat hadden jullie als lezer ondertussen ook allang gemerkt…

Bloemen op het asfalt

Ik zit tegenwoordig vaker in de auto dan me lief is. Vroeger fietste ik overal heen, weer of geen weer, ook met de kinderen. De auto gebruikten we alleen als het echt niet anders kon. Maar ja, met ver-weg wonende kinderen en familieleden, ontkomen we er niet aan. De trein is een leuk alternatief, maar geen haalbare kaart als ik bijvoorbeeld op ga passen. Alhoewel in de file staan ook niet fijn is… Wat is het toch druk onderweg! Om van A naar B te komen in de vroege morgen, moet je flink wat tijd uittrekken. En als je terug wilt van B naar A, is het vaak nog erger! Had ik maar een paard en wagen, peinsde ik pas. Zo’n huifkar bijvoorbeeld als Pipo de Clown, dat lijkt me leuk. Lekker relaxed, stapvoets over rustige wegen, en als het paard moe is, dan zet je de huifkar gewoon stil. Of misschien moet ik eens een poosje bij de Amish gaan wonen! Daar rijdt iedereen nog met paard en wagen, geen files dus en geen stress. Alleen moet je daar ook je eigen brood en koekjes bakken en je eigen kleding naaien. Plus geen tv, geen internet. Nee, dat gaat me toch te ver.

Op één van mijn tochten, belandde ik weer eens in de drukte. Het was tweede Paasdag en er waren veel mensen onderweg, net als ik. Op een bepaalde plek op de A12 loopt het altijd vast, daar wordt al maanden aan de weg gewerkt. Om het verkeer nog enigszins te stroomlijnen, moet je een heel stuk 70 rijden. Dat doe ik dan maar braaf, hoewel een hoop auto’s me met hoge snelheid inhalen. Om vervolgens vlak vóór me in te voegen en dan heel hard op de rem te gaan staan… Tja, ook een manier. Ik sukkelde langzaam verder, allang geen 70 meer. Twintig of dertig kilometer, en soms stonden we stil. Ik werd er een beetje slaperig van en zocht naar kauwgom. Ik deed een raam open, dronk wat water, maar het hielp weinig. Ik was behoorlijk moe van alles de afgelopen dagen. Maar ineens werd ik weer wakker. Ik zag namelijk een heleboel

bloemblaadjes langs de weg liggen. Van die wit roze bloemblaadjes., allemaal op de vluchtstrook. Wat gek, dacht ik. Sinds wanneer staan hier Magnoliaboompjes langs de weg die bloesem verliezen? Ik keek eens goed in m’n achteruitkijkspiegel, maar zag niets wat op een boom leek. Eigenaardig. Ondertussen schoven we met z’n allen iets vooruit in de file. Ik keek nog een keer opzij en zag nog meer bloemblaadjes liggen. Huh?

En toen kwam het; schuin voor me op het asfalt lag een heel groot boeket. Plastic folie er nog omheen, sliertjes ernaast. Nóg een paar meter verder lag er een witte kaart. Half nat geregend inmiddels en vreemd dubbelgevouwen. Nou ja zeg, wat was hier gebeurd? Wat zonde van die bos bloemen! Ik wilde het liefst de auto in de berm parkeren en dan die bos oprapen. Zou ik het doen? We stonden toch in de file… Ik overwoog het even serieus, maar voorzag dat ik daarmee problemen ging krijgen. Nee, heel erg jammer, maar ik liet ze liggen en reed verder. Ik keek nog wel een paar keer achterom. Ik zag de mensen in de auto achter me ook verbaasd kijken en wijzen. Maar ook zij reden door.

Foto door Stan op Pexels.com

Die bloemen op de weg hielden me een hele tijd bezig. Ik kon me niet voorstellen dat ze daar per ongeluk beland waren. In theorie was het mogelijk dat iemand z’n autoraam open had staan, en dat een plotselinge windvlaag die bos zo naar buiten had geblazen. Maar het waaide niet en het regende al een uur, dus dat leek me niet waarschijnlijk. Zou iemand ze achterop de motor hebben gehad op zijn bagagedrager, en heel de bos ineens verloren hebben? Zou eventueel kunnen. Maar het meest waarschijnlijk leek mij iets anders: ruzie!

‘Ga jij maar naar die stomme ouders van je, ik stap hier uit! En die bloemen krijgen ze ook niet, weg ermee!’ Of nog erger… ‘Wat??? Jij zit hier naast me doodleuk te vertellen dat je niet meer van me houdt?! Terwijl je me vanmorgen nog een bos bloemen hebt gegeven? Bekijk het maar met die bloemen, ik haat je!’ En hup, het raam open en de bloemen werden er met kracht uitgesmeten. De kaart waar nog lieve woorden opstonden er direct achteraan. Geen fraai eind van de Paasdagen in elk geval voor de personen die het betrof. En het regende maar en het regende maar en de files hielden maar niet op. Zou het zo zijn gegaan? Het zou zomaar kunnen, ik zou het nooit te weten komen.

De volgende dag scheen de zon gelukkig weer. Ik hoefde nergens heen met de auto en kon lekker naar buiten. Onderweg naar de glasbak zag ik iets frommeligs op de stoep liggen. Iets van rood en groen papier en een blauw hengseltje. Ach, was er nu weer iemand iets kwijtgeraakt, net als die bloemen?! Maar nu kon ik het tenminste wel oprapen. Het frommelige ding bleek een gevouwen mandje te zijn. Een knutselwerkje van een kind waar vast paaseitjes in hadden gezeten. Er stond zelfs een naam op de onderkant : Rosanna. Nou, wie je ook bent Rosanna; ik heb je mandje meegenomen en een mooi plekje gegeven op de kast. Misschien wel een beetje gek, maar ik vind het zo jammer als er mooie dingen op straat belanden. Mij heb je er in elk geval blij mee gemaakt. En weet je: wie het kleine niet eert, is het grote niet weert.

De hijskraan

Maart roert zijn staart, en april doet wat hij wil. Drie dagen geleden lag ons pleintje nog vol hagelstenen, vanmorgen schijnt de zon. Er staat een straffe wind die giert langs het huis. ’s Morgens weet je niet wat je aan moet trekken, vandaag was het voor de verandering ineens verrassend zacht. Vandaag is het weer mijn oppasdag, fijn! Als het droog blijft, wil ik een eind gaan wandelen met Bobbie in de kinderwagen. Maar het waait erg hard, het zal toch wel een keer echt lente worden?

Er is meer wat me bezighoudt dan het weer en de lente die nog op zich laat wachten. Ik ben ziek geweest en voel me sindsdien gauw moe. Noodgedwongen doe ik zuinig met m’n energie. Ik lees de krant, probeer me te concentreren, maar leg hem al gauw weer weg. Veel wijzer word ik er niet van. Hetzelfde merk ik met de tv. Ik kijk een poosje mee als Gerard ‘m aan heeft staan, maar al snel haak ik af. De één roept dit en de ander roept dat. Er is zoveel herhaling, zoveel variatie op een thema. Er is gewoon niets wat me vreselijk boeit, er kijkt wel niets nieuws te gebeuren… Hee, die woorden doen me ergens aan denken. Ik ken ze uit de bijbel, vanuit het boek Prediker. Een boek dat waarschijnlijk geschreven is door Salomo, de enige en bovendien zeer wijze zoon van David. “Wat geweest is, dat zal er zijn, en wat gedaan is, dat zal gedaan worden; er is niets nieuws onder de zon.” Als ik de hoofdstukken eens doorblader, lees ik zijn zoektocht naar wat wijsheid en wat dwaasheid is. Ook zijn constatering dat ons allemaal eenzelfde lot treft (we zullen allemaal sterven). Maar ook dat we het leven mogen vieren en dus genieten van wat mooi en goed is.

Nou, dat geeft te denken. Ik ben niet depressief aan het worden, maar ik krijg meer inzicht. Misschien word ik nog weleens wijs!

Vroeger dacht ik dat ik alles beter zou begrijpen naarmate ik ouder werd. Als ik mijn vwo-diploma zou hebben; als ik afgestudeerd zou zijn; als ik een vriendje zou hebben; als ik moeder zou zijn… Dan begon het leven pas echt. Dan was ik echt volwassen en wist ik hoe het leven in elkaar zou zitten. Niets is minder waar. Ik begrijp steeds minder van de wereld om me heen en begrijp nog het minste waarom mensen elkaar zoveel pijn doen. Dat is wat me zo moe maakt tijdens het lezen van de krant of het kijken naar het journaal. Waarom zijn we gewoon niet wat liever tegen elkaar? Is dat dan echt zo moeilijk?

Met Bobbie om me heen, valt er weinig te peinzen. Hij is het spelen op de grond zat en ik til hem op. ‘Kom, we gaan naar buiten kijken.’ Mijn blik wordt plots getrokken naar een hijskraan in de verte, die daar anders nooit staat. ‘Kijk eens, een hijskraan!’ zeg ik. Ik wijs in de richting van het gele gevaarte, al weet Bobbie natuurlijk helemaal niet wat een hijskraan is. Het geel contrasteert mooi tegen de helderblauwe lucht. Het groene gras oogt vredig, tot de wind er hard doorheen waait. Ik volg de blik van Bobbie naar bewegende takjes en grassprietjes. En naar een koolmeesje dat het ene moment vrolijk kwettert op een tak, en even later is verdwenen. ‘Mooi he?’, zeg ik tegen de kleine jongen. Hij lacht en ik geniet van het moment met hem samen. Soms is het genoeg om alleen maar te kijken, en te genieten, net als een kind. Vol verwondering, en vanuit de rust dat ik het niet allemaal hoef te begrijpen.

PS Drie uur later was de hijskraan verdwenen, alsof hij er nooit had gestaan. Zo snel kan je uitzicht weer veranderen, letterlijk en figuurlijk.

32 jaar

’t Is wel een beetje raar, 32 jaar,
trillend op m’n benen,
als ze is verdwenen,
ze is ze is van mij

Als je enigszins van popmuziek houdt en ouder dan 12 bent, ken je dit liedje vast wel. (En zo niet, ook geen probleem. Mijn blog gaat inhoudelijk verder niet over de groep Doe Maar).

Vandaag zijn Gerard en ik 32 jaar getrouwd. Ik kan het zelf bijna niet geloven, zo lang al! Als je zou zeggen dat het 10 of 15 jaar was, zou ik het ook geloven. Zo voelt het dus, alsof het helemaal nog niet zo lang geleden is. Helemaal niet logisch natuurlijk als je oudste dochter de 30 al is gepasseerd. Tijd is een vreemd begrip. Je drukt het uit in getallen, maar je ervaart het heel anders; als gisteren, pas geleden of ontzettend lang geleden.

32 jaar geleden – in 1991 dus – hadden we een dag lang feest. Ik snap achteraf wel waarom ze in andere culturen daar een week voor uittrekken. Wat wij allemaal in één dag propten! Zo zouden we het nu niet meer doen dus, maar inzicht komt met de jaren. En toch leuk om terug te kijken, bladerend in ons trouwalbum. Wat zagen we er nog jong uit! Kinderlijk bijna, terwijl we toch echt afgestudeerd waren. Wat een geweldige jurk en schoenen had ik! Ze kostten een hoop geld, maar ik heb er geen spijt van. Ik heb ze bewaard en heel soms trek ik mijn trouwjurk weer aan. Irritant veel knoopjes aan de achterkant, dus je hebt er altijd hulp bij nodig. Maar de zijden stof is na 32 jaar nog altijd mooi.

Toen Gerard en ik trouwden, kenden we elkaar nog niet zo lang. Maar we waren verliefd, en we zouden elkaar voor altijd gelukkig maken. We bereidden ons goed voor op ons huwelijk door boeken te lezen over relaties. We hadden ook gesprekken met de voorganger van de kerk, we praatten veel (dacht ik) en we schreven veel brieven. Ik herinner me de waarschuwingen uit de boekjes: irritaties ten aanzien van de dop van de tube tandpasta of nieuwe wc rollen verkeerd ophangen… Dat soort dingen zouden wij elkaar in elk geval nooit aandoen!

Foto door Iu015fu0131l Agc op Pexels.com

Wat wisten we er eigenlijk van… In de praktijk van ons leven kwam er zoveel op ons af. Werkloosheid meteen in het begin, zoeken naar een baan, zoeken naar een groter huis. Onze eerste gezellige tweekamerflat was al snel te klein om met 2 kindjes te wonen. We verhuisden naar een oudere, slecht geïsoleerde flat, onze rolverdeling werd steeds klassieker, we maakten ruzie… Als we van tevoren geweten hadden hoe het allemaal zou lopen, zouden we dan ook zo uitbundig feest hebben gevierd? Ik weet het niet, maar dat is ook de vraag niet. Niemand weet van tevoren hoe zijn leven gaat lopen, en dat is maar goed ook. We zouden het niet eens aankunnen. Wat werden we ondertussen gezegend met kinderen! Vier meisjes en twee jongens, die ons heel blij maakten, en dat maken ze ons nog steeds. Gerard was wel een paar keer werkloos, mij lukte het überhaupt niet om het moederschap met een baan te combineren. Maar we hebben het gered, met de zeer nodige goede hulp. We moesten leren van onszelf te houden én van de ander, we kunnen elkaar niet altijd gelukkig maken, maar we houden elkaar wel vast, door alles heen.

Afgelopen dagen waren we allebei geveld door het coronavirus. Sloom hingen we op de bank of in bed. Toch moest ik Gerard wat vragen. ‘ Als je nu zou mogen kiezen, zou je dan weer met mij trouwen?’ Hij dacht even na over deze plotselinge vraag. ‘Ja hoor,’ zei hij, ‘Met wie anders?’ Tja, typisch zo’n Gerard-antwoord. ‘En jij dan? Zou jij ook weer met mij trouwen?’ stelde hij de vraag terug. Ik hoefde er niet eens over na te denken. ‘Ja, dat zou ik zeker doen’, zei ik. Geen erg diepgaand gesprek, maar genoeg voor het moment. Ik liep alweer te trillen op m’n benen en Gerard was ook moe. Heerlijk om met mijn bibberige lijf straks tegen dat koortsige van hem aan te liggen!

In better and worse

In ziekte en gezondheid

De Liefde zal nooit vergaan (1 Cor.13:8)

Foto door Jasmine Carter op Pexels.com

Luisteren naar je lichaam

Het zou vandaag mijn oppasdag zijn op kleine Bobbie. Ik keek er al naar uit! Een dag op een baby passen is zo’n heerlijke onderbreking van alle sleur hier. Flesjes geven, luiers verschonen en ondertussen een praatje maken, samen naar buiten kijken, het muziekdoosje van de mobiel boven de box tig keer opwinden, speentjes geven en natuurlijk lekker naar buiten met Bobbie in de kinderwagen. Heel wat beter dan in de file staan tussen Ede en Wageningen om je zoon naar school te brengen, om maar wat te noemen. Van de twee doorgaande wegen naar Ede, is er eentje een jaar afgesloten. Een jaar! Heel vervelend als je bedenkt hoeveel verkeer daar dagelijks overheen moet.

Terwijl de kranten en andere media bol staan van de verkiezingen, ben ik geveld door een griepje. Met een duf hoofd kijk ik naar de uitslagen. Ik probeer er een beeld bij te krijgen wat het gaat betekenen. Maar het lukt me niet. Sloom zap ik door naar NPO3: Calimero, Boll en Smik… Nee, dat kan me ook niet boeien. Ik kan maar beter terug naar bed. Voor ik het weet val ik weer een poos in slaap.

Afgelopen maanden had ik nogal last van m’n rug. Niet de eerste keer in m’n leven en waarschijnlijk ook niet de laatste keer. Wat moet je daarmee? Rustig aan doen, even niet hardlopen? Of pijnstillers nemen en juist wel hardlopen? Vroeger naar bed gaan, geen suiker eten, oefeningen doen? Ik vind het mijn hele leven al lastig om de signalen van m’n lichaam te begrijpen. In mijn jeugd bestond het idee van luisteren naar je lichaam nog niet eens. Niet aanstellen, flink zijn, kom op! Of nog erger: van hard werken is er nog niemand doodgegaan. Waar die laatste waarheid op gebaseerd was, is me nog steeds een raadsel… Maar gevoelig als ik was, pikte ik dit soort ideeën wel op. Tijdens m’n eetstoornisperiode gooide ik er zelf nog een paar scheppen bovenop: Kom op, negeer die lege maag, negeer die trillende benen en koude handen. Doorgaan tot je er desnoods bij neervalt.

Als ik het zo opschrijf, klinkt het ongelofelijk hard. Dat was het ook, en dat was ook precies de bedoeling. Negeer de behoeften van je lichaam en dat zal je gelukkig maken… Nee hoor, integendeel! Het heeft me heel wat jaren in m’n leven gekost om te leren dat dat juist nìet nodig was. Dat gevoelens wegduwen niet sterk is, niet helpend, niet gezond. Ik heb mogen ontdekken dat m’n lichaam ertoe doet. Alleen begrijp ik de signalen nog steeds niet (meteen).

De fysiotherapeut waar ik heen ging, legde me uit dat een rug gemaakt is om te bewegen. Ik kon best weer gaan sporten, maar dan niet zo fanatiek. Wat hem betreft hoefde ik niets te laten vanwege lage rugpijn. Dat hoef je mij geen twee keer te zeggen! Ik pakte alles dus weer op. Moe of niet moe, hup naar sport, want dat was goed voor m’n rug. Het ging zo goed dat ik overmoedig werd. Hardlopen, jazzdance, wandelen, nog een keer hardlopen… Ik moest toch zoveel mogelijk bewegen? Vervelend dat ik vervolgens zo moe was, buikpijn kreeg, beetje misselijk zelfs en hoofdpijn. Wilde mijn lichaam me toch iets vertellen wat ik over het hoofd had gezien? Ik snapte ik het pas toen ik koorts kreeg. Oh, m’n lichaam had rust nodig! Dat was ik bijna vergeten… Niet te fanatiek, had de fysiotherapeut gezegd. Voor sommige mensen werkt zo’n advies prima, maar voor mij was dat te vaag. Als je jezelf van nature al opjut, heb je duidelijker richtlijnen nodig.

Weet je naar wie je ook moet luisteren? Ten eerste naar je gezonde verstand: dus niet fanatiek hardlopen als je heel de dag al niet lekker bent. En ten tweede: naar je vriendinnen! Er waren er al een paar die zeiden dat ik rustig aan moest doen. Er waren er ook een paar die opperden of ik toevallig geen corona had. Leek mij zeer onwaarschijnlijk, maar goed, toch maar een testje dan. Binnen een paar minuten kleurde het tweede streepje rood… Nee hè! Vorig jaar was ik er maanden mee zoet om op te krabbelen van dat coronavirus.

Nee, ik ben geen snelle leerling in het leren luisteren naar m’n lichaam. Maar ja, ik probeer het in elk geval. Voor iedereen die dit gedoe herkent: een relaxed en gezond weekend gewenst. Nog even en het is lente!

Muizenissen

Terwijl ik dit schrijf, dwarrelt de sneeuw naar beneden. Sneeuw…maar de voorjaarsvakantie was toch net afgelopen? Waar is dat voorjaar dan? De bollen zijn al een eind boven de grond en verschillende struiken lopen al uit. Gelukkig heeft de natuur enige reserve ingebouwd, en kunnen die prille voorjaarsbloeiers er tegen. Ik heb er meer moeite mee…ik heb het zo koud! Met een wollen trui, wollen omslagdoek, twee paar sokken en hete koffie, word ik pas weer warm. De thermostaat staat op 18 graden en dat proberen we nog even vol te houden. Het leven is al duur genoeg.

Ik heb m’n zoon net naar school gebracht met de auto. Hij heeft geen gips meer maar een zogeheten Walker (alternatief voor loopgips, ziet eruit als een moonboot). Fietsen is er nog niet bij. Maar het leuke van wegbrengen is dat je even een moment met z’n tweetjes hebt. ‘Je mist het fietsen zeker wel’ zei ik tegen Maarten vanmorgen. ‘Helemaal niet,’ antwoordde hij. ‘Ik zit liever in de auto’. Liever lui dan moe… Alhoewel het punt vooral is dat hij school niets aan vindt. Dat is begrijpelijk. ‘En wat vind je ervan dat het sneeuwt?’ vroeg ik verder. ‘Nutteloos’, zei hij.

Nutteloos, daar moest ik even over nadenken. ‘Het is maart, wat heb je er nou aan? En het blijft niet eens liggen, dus je kan er niets mee,’ lichtte hij toe. Heel logisch natuurlijk, zo is hij ook wel. Met zijn vijftien jaar al hard op weg om een jongeman te worden. Hij is al een kop groter dan zijn moedertje.

Over nutteloos gesproken; ik vind het einde van de winter ook een beetje nutteloos. Veel mensen hebben dat in januari, als alle feestdagen voorbij zijn. Daar heb ik helemaal geen moeite mee, maar het einde van de wintermaanden valt me zwaar. Vooral als het dan weer zo koud wordt, zoals nu. Het hoeft echt geen hoogzomer te zijn ineens, maar ik kan de thermometer wel omhoog kijken! Helaas, dat lukt niet. De enige thermostaat die ik hoger kan zetten is die van onze eigen verwarming. Maar dat willen we niet, om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Intussen rijden Gerard en ik elke dag naar Ede op en neer met onze hinkepoot. Ook niet goed voor het milieu, kan die jongen niet gewoon met de bus gaan? Nee, want die bus rijdt tegenwoordig vaker niet dan wel door de stakingen, dus dat werkt ook weer niet. En zo blijven we maar bezig. Eerst was ik druk met mijn vader, nu met onze jongste zoon, en vanaf morgen ga ik op onze kleinzoon passen. Al die mannen die me nodig hebben…niet te vergeten mijn eigen man…Niet dat het erg is hoor, maar soms bekruipt me de gedachte: wanneer doen ze nou eens wat voor mij?

Als ik mezelf zo’n vraag stel, is het tijd om er bij stil te staan. Doe ik dat niet, dan gaat het een eigen leven leiden. Zijn het muizenissen? Gepieker over niets zogezegd? Of word ik daadwerkelijk tekort gedaan?

Een antwoord hierop kwam uit onverwachte hoek. Ik moest weg en Gerard pakte mijn fiets uit de schuur. Toen ik erheen liep, stond hij vreemd naar m’n fiets te kijken. ‘Pas op, er zit een muis in je fietstas!’ zei hij. ‘Pak jij de voorkant van de fiets, dan probeer ik de tas ondersteboven keren’. Een muis?! Ik keek in de tas en zag een bruin muisje angstig naar boven kijken. Ach wat een lief beestje, ging het door me heen. Samen sjorden we wat aan mijn fiets en gelukkig, de muis sprong eruit. Zo snel als hij kan schoot ‘ie achter de containers.

Wat was ik blij met die hulp van m’n man! Vaak zeg ik dat ik die fiets zelf ook wel kan pakken. Maar stel je voor dat ik onderweg gepiep had gehoord of nog erger, een muis aan mijn jas! Vreselijk toch? En nog wat, Gerard had die morgen ook al mijn fit-horloge weer aan de praat gekregen, wat mij minstens een half jaar niet gelukt was. Vraag niet hoe het kan, maar profiteer ervan- dat zegt hij vaak. Ik profiteer er zeker van, al vind ik dat met die muis wel meer dan toevallig. Morgen ga ik op kleine Bobbie passen. Zijn grote ogen, zijn verbaasde blik van wie ben jij ook weer? en stralende glimlachjes zijn al een beloning op zich.

In de lappenmand

Hij had er zo’n zin in, na de lange winterstop. De laatste voetbalwedstrijd had in december plaats gevonden. Twee maanden geen trainingen en geen wedstrijden, supersaai voor die jongens. Gelukkig werd de draad nu weer opgepakt. Meteen een echte wedstrijd, dus er was publiek nodig om het team van Maarten aan te moedigen. Ik had net een weekendje opruimen bij mijn vader gepland, dus ik kon niet, maar Gerard had wel tijd.

Ik was die middag druk bezig oude vazen uit kastjes te halen, en bedenken wat we ermee gingen doen. Er waren boodschappen nodig, mijn zus zou komen logeren en we zouden natuurlijk bij vader langs gaan. Genoeg te doen in elk geval. Pas in de avond vroeg ik me af hoe de wedstrijd eigenlijk gegaan was. Maarten gaf geen antwoord op mijn appjes. Gerard wel: ‘Hij is door z’n enkel gegaan en ligt nu met hoofdpijn op bed.’ Hè, dat was nou niet direct het antwoord wat ik had gehoopt!

De dag erna was ik pas eind van de middag thuis. Ik was benieuwd hoe het ging met de anderen en vooral met de enkel van Maarten. Hoofdpijn had hij niet meer, maar ik schrok ervan toen ik zijn onderbeen zag. Bont en blauw en behoorlijk dik. ‘Moeten we niet naar de dokter?’ vroeg ik aan Gerard. Die dacht van niet. ‘Hij heeft weleens vaker zoiets gehad, en dan zeggen ze toch dat het met rust moet genezen.’ Dat was waar. Ik zocht wat websites op over verzwikkingen en verstuikingen, en wat je eraan moest doen. Been omhoog leggen, stevig verband eromheen en weinig belasten. Daar was Maarten al mee begonnen en dat werkte redelijk. Overal stond nadrukkelijk bij dat als het gebroken was, je er geen stap op kon zetten.

We brachten hem met de auto naar school, de eerste dagen. Op een gegeven moment wilde Maarten wel weer fietsen, hij had minder pijn en hij durfde het weer aan. Het leek mee te vallen al met al, hoewel hij nog maar niet mee deed met gym of voetballen. In het weekend keken we nog eens goed naar zijn been. Het zag er een stuk beter uit, maar nog steeds een rare zwelling rondom de enkel. Ik vertrouwde het niet. ‘Maandag bel ik de dokter’, besloot ik. We konden zowaar dezelfde dag terecht. Daarvoor ging het nog even helemaal mis met Maarten op school. ‘Ik heb vlekken voor m’n ogen… ‘appte hij me. Door ervaring weten we dat hij dan maar beter zo snel mogelijk naar huis kan komen, voor de migraine toeslaat. En inderdaad… lijkbleek kwam hij thuis en hij verdween direct naar bed. Nog een reden om de huisarts te raadplegen, dit was ook niet echt de eerste keer.

Onze huisarts nam rustig de tijd die middag. Hij was vooral verbaasd dat Maarten zo ontzettend lang was geworden! Hij vermoedde dat de enkelbanden gescheurd waren, dat kost altijd tijd om te herstellen. Maar voor de zekerheid stuurde hij ons toch naar het ziekenhuis om een foto te laten maken. Om het een en ander uit te sluiten, zei hij. We konden daar de volgende ochtend onder schooltijd terecht. Het was druk die dag in het ziekenhuis. Voor we aan de beurt waren, was het een half uurtje verder. De foto’s zelf waren snel genoeg gemaakt. ‘We hebben zo eerst lunchpauze’, zei een verpleegkundig medewerkster. ‘Even geduld dus aub’. We zochten weer een plek in de wachtkamer. Maar tot mijn verbazing stond de verpleegkundige na vijf minuten alweer voor ons. ‘Eh ja’, zei ze, ‘Ik kom het meteen maar even melden, ik heb gezien dat die enkel is gebroken!’

Gebroken??? ‘Ik stuur je door naar de Traumapoli, maar die hebben nu net een uur lunchpauze. Om 13.00 uur kun je je melden daar. Sterkte ermee hoor!’ zei ze. Maarten en ik bleven verbijsterd achter… een gebroken enkel? En daar liep hij dus al ruim een week mee door, hoe kon dat nou? En waarom hadden ze een uur lunchpauze trouwens op die poli, dat kon toch wel korter? We besloten eerst zelf maar wat te lunchen. Ik verwende onze zielepoot met cola en een lekker broodje hamburger. Ondertussen was ik kwaad op mezelf. Waarom hadden we niet eerder aan de bel getrokken bij de huisarts, het zag er toch ook vreselijk uit? Welke ouder laat zijn kind nou een week met een gebroken enkel naar school gaan, enzovoorts enzovoorts. Ik ben heel goed in zelfverwijten op de juiste momenten…

Om een lang verhaal kort te maken: het duurde en duurde voordat we geholpen werden. Wachten in de wachtkamer, vervolgens drie kwartier wachten in een spreekkamer totdat de dokter kwam. Weer een half uur wachten, omdat ze moest overleggen met collega’s. Maar tenslotte gingen we naar de gipskamer en werd Maarten z’n voet stevig in het gips gezet. Twee weken niet belasten; niet lopen en dus zeker niet op de fiets naar huis! Oh wat baalde Maarten ervan. Ineens was hij gehandicapt! Gerard moest opgetrommeld worden om hem met de auto te halen. Hulp van je ouders… daar zit je als 15-jarige jongen natuurlijk niet op te wachten! Wij moesten verder achter van alles aan: krukken, een douche-hoes, een douche-krukje.

Inmiddels zijn we alweer even verder. Maarten heeft weinig school gevolgd afgelopen weken. Hij zat echt even in de lappenmand met zijn zere pootje. Dat krijg je ervan als je ouders je niet eens naar de dokter sturen als je geblesseerd bent! Hopelijk mag het gips er gauw af, en kan hij weer op eigen benen gaan en staan. Maar voetballen? Ik vrees dat dat er voorlopig niet in zit.

Een roze wolk

Op de dag nadat ik oma werd, moest ik met onze jongste naar de tandarts. Het liefst was ik natuurlijk onmiddellijk naar ons kleinkind gereden, maar gevoelige kiezen hebben ook zorg nodig. Normaal ben ik vol aandacht voor wat de tandarts te melden heeft (‘Vaker poetsen meisje, gebruik je wel een elektrische tandenborstel? Flos je weleens?’) enzovoorts. Maar vandaag zat ik alleen maar naar foto’s te kijken die Irene naar ons had gestuurd. ‘Ik ben oma geworden!’ zei ik vol trots tegen de tandarts en haar assistente. ‘Leuk hè!’ Natuurlijk vonden zij het leuk, maar we kregen toch nog wat poetsinstructies mee.

’s Middags was het eindelijk zover. Met z’n drietjes – Gerard, Janine en ik – reden we naar het nieuwe gezinnetje. Hoe zou ons kleinkind eruit zien en hoe zou Irene eraan toe zijn? Zodra we de straat in reden, zagen we een ooievaartje op de oprit staan met een mutsje op. Duidelijk: daar moesten we zijn! Een vrolijke kraamverzorgster deed open en liet ons binnen. Ze deed de afwas en vulde ondertussen een verslag in. We hoorden Bobbie in de verte al huilen. Ik vroeg hoe het ging. ‘Ze doen het hartstikke goed’, was het antwoord. ‘Gaan jullie maar gauw naar boven hoor!’

Als kind mocht ik weleens met mijn moeder mee op kraambezoek. ‘Rustig zijn Rineke!’ werd me van tevoren op het hart gedrukt. Op m’n tenen liep ik dan de slaapkamer binnen, waar een serene stilte hing. De moeder zat in een mooie nachtjapon op bed, de baby lag te slapen in een wiegje in een hoek, en de vader was er eigenlijk nooit. Ik vond het altijd prachtig. Maar nu zou ik de slaapkamer binnenlopen van mijn eigen dochter. Het meisje dat ik voor mijn gevoel nog maar pas gekregen had, was nu zelf moeder geworden!

Tot mijn verbazing lag niet alleen zij op bed, maar papa Simon ook. En niet Irene lag trots met de kleine Bobbie in haar armen, maar Simon! Het zag er prachtig uit maar ik was ook eventjes in de war… en ik hoop dat ze dat niet gemerkt hebben… Al snel werd me duidelijk waarom ze dit zo deden; dit was om de hechting te bevorderen. Niet de hechtingen van de bevalling, maar de hechting van vader en zoon. Bobbie was een beetje onrustig. Irene had geprobeerd hem aan de borst te laten drinken, maar dat lukte nog niet zo goed. Nu probeerde Simon hem te kalmeren, en met succes! Intussen kwam de kraamverzorgster ook nog even boven om dag te zeggen, en een heleboel instructies voor de komende nacht te geven. Onze Janine wist niet hoe ze het had, zoveel nieuwe prikkels! Het duurde dan ook niet lang, of zij vertrok naar een rustiger kamer. Gerard en ik voorzagen onszelf van koffie en beschuit met muisjes, daar had de rest het veel te druk voor. En waarom ook niet? De inzichten van hoe een kraamtijd eruit hoorde te zien, zijn flink veranderd in dertig jaar. En dat is maar goed ook! Vaders kunnen ook troosten en vaders mogen ook moe zijn. Maar uiteindelijk draait alles om de pasgeboren baby, net als vroeger.

Ondertussen was de rust weergekeerd in de kraamkamer, en mochten we Bobbie in onze armen nemen. Wat een fantastisch moment! Ik was zo ongelofelijk blij, dat ik er bijna verlegen van werd. Bobbie lag even wat te pruttelen, gaapte uitgebreid en deed toen zijn oogjes open. ‘Hallo!’ zei ik enthousiast. ‘Wat is dit nou hè? Ik ben jouw oma, één van de twee.’ Bobbie keek me ernstig aan en gaapte nog een keer. ‘Nou, je hoeft het nog niet te onthouden hoor’ zei ik. Ik wiegde hem zachtjes heen en weer terwijl hij me nog steeds geboeid aan zat te kijken. Niet te geloven toch, daar zat ik met mijn wakkere kleinzoon van nog geen 24 uur oud! Opa Gerard kreeg hem natuurlijk ook in z’n armen, en ook hij maakte rustig kennis met Bobbie. Wat een prachtig ventje! Daarna vond Bobbie alle aandacht welletjes, en mochten zijn mama en papa zich weer over hem ontfermen.

Ik had moeite om afscheid te nemen van het drietal. Gelukkig zou ik ze gauw weer zien, als ik met onze grote jongens zou komen kijken. Voordeel van een groot gezin! Als in een roze wolk reden we die middag weer naar huis. Het leek wel of ik zelf een baby had gekregen, maar dan relaxter. Geen naweeën, geen vermoeiende kraamvisite… Geen getob met nachtvoedingen en gepieker of hij wel goed groeit. Ik kon geen genoeg krijgen van alle foto’s en filmpjes die eerste dagen. Nog steeds niet trouwens. Het is zo mooi om je eigen dochter te zien veranderen in een lieve moeder, en onze sterke schoonzoon in de rol van zorgende vader.

Oma worden is voor mij naast moeder worden één van de mooiste dingen in m’n leven. Maar geluk is ook kwetsbaar, het kan zomaar veranderen. Roze wolken drijven voorbij. Dat realiseer ik me nu nog meer dan toen ik zelf kinderen kreeg. Je kind wordt ziek of je baan houdt op, je huis stort in…wat kan je allemaal wel overkomen als mens? Het is maar goed dat niemand van tevoren weet hoe zijn of haar leven zal verlopen. En toch, koester die momenten dat je gelukkig bent, koester het kind dat in je armen ligt. Of dat nu letterlijk is, of figuurlijk…

Niet thuis

Na alle verhalen over mijn vader, zou je bijna vergeten dat wij opa en oma zijn geworden van een prachtig kleinkind! Zelf zijn wij dat absoluut niet vergeten natuurlijk. De volgende paar blogs ga ik daarover schrijven, want het is ongelofelijk hoe snel dat mannetje zich ontwikkelt. Maar vandaag nog een keer de schijnwerpers op mijn vader.

Ik heb een foto waar ik op schoot zit bij een heel oude meneer. ‘Net 4 en bijna 92′, staat erbij geschreven in het fotoalbum. Die oude meneer was mijn overgrootvader die de hoge leeftijd van 97 jaar heeft bereikt. Inmiddels is mijn vader ook overgrootvader en heeft hij zijn eerste achterkleinkind ook op schoot gehad. Dat was nog voor het slechter ging met hem. Ik heb een paar prachtige foto’s van pa met kleine Bobbie op schoot. Wat een kostbare momenten om te onthouden!

Inmiddels woont m’n vader nu een paar weken in het verpleeghuis. En het gaat goed! Hij laat zich goed verzorgen, hij eet weer met smaak alle eetmomenten mee. Hij zit lekker op zijn stoel in de huiskamer een krantje te lezen of tv te kijken. Of zelfs aan de wijn, samen met ‘de dames’. De dames krijgen elke middag een glaasje wijn als ze willen, alcoholpercentage nul punt nul. Mijn vader drinkt gezellig mee, maar dan wel normale wijn uit zijn wijnvoorraad van thuis. Ik keek er van op dat dat mocht in een verpleeghuis. ‘Waarom niet?’ zeiden ze daar. Hij mag zelfs een borreltje drinken als hij wil, hij is er oud mee geworden dus wat kan het nu nog voor kwaad? Wel met mate uiteraard, maar daar letten de verzorgers wel op.

Tot mijn verbazing heeft m’n vader al een paar keer meegedaan met de spelletjesmiddag. Thuis wilde hij dat niet meer, na de dood van z’n tweede vrouw (2019). Als we als kinderen voorstelden om een spelletje te doen, zei hij dat hij daar te oud voor was. Hooguit kreeg een kleinkind hem zo ver. En nu doet hij met plezier mee, en vertelde trots dat hij gewonnen had met Rummicub! Verder doet hij ook mee met de wekelijkse gym; nog ongelofelijker. Thuis trok daar hij minachtend zijn neus over op. Bejaardengym? Hem niet gezien! En wat lees ik nu in het verslag: ‘Meneer deed fanatiek mee met sport en wil volgende week weer komen’. Hoe krijgen ze dat daar voor elkaar dat hij plotseling wel dingen meedoet?

Ik moet eigenlijk best wennen aan alle veranderingen. Eerst heb je een vader die achteruit gaat, heb je veel zorgen, is er veel hulp bij hem over de vloer. Een oude vermoeide vader die de halve dag zit te slapen in zijn stoel. En dan verhuis je hem naar een beschermde woonomgeving, en ineens leeft hij weer op! De verzorgenden zijn lief, hij schikt zich in zijn lot en oogt tevreden. Mooier kun je het niet krijgen toch?

Waarom knaagt er dan iets in me? We mogen ten allen tijden bellen en langskomen, maar de afstand maakt dat langskomen niet al te vaak kan. Dus bel ik af en toe, dat is leuk. De verzorgenden lopen dan met telefoon en al naar mijn vader. Hij weet niet meer zo goed hoe dat ding werkt, maar herkent mijn stem meteen. Laatst belde ik weer eens op, maar toen was hij niet thuis. Niet thuis? Hoe bedoelt u? De verzorgende vertelde dat m’n vader met anderen met de bus mee was voor een uitje. Ze waren op excursie naar de Waterleidingduinen. Oh, dacht ik, wat leuk! Maar waarom weten wij daar niets van? Ik voel me haast overbodig. Hetzelfde gevoel heb ik soms als kennissen vertellen hoe leuk de bezoekjes bij mijn vader zijn…

Ik snap niet helemaal waarom ik moeilijk zit te doen. Gun ik hem zijn pleziertjes niet of zo? Fijn toch dat hij nu zoveel te doen heeft! Zoveel dat hij zelfs niet thuis is, als ik opbel…En geweldig toch dat mensen naar hem omkijken en hem een plezierige ouwe dag bezorgen? Dat is het zeker en ik ben er echt blij mee! Maar het is dubbel. Ons ouderlijk huis voelt niet meer als ons thuis, nu papa er niet meer woont. We komen er nog wel, maar de ziel is eruit. En het nieuwe huis is ook wennen. Er zijn gewoonten die voor de leiding overduidelijk zijn, maar voor een nieuweling en zijn familie niet. Soms is dat een beetje zoeken.

Komt tijd, komt raad. Die pa van ons wordt nu goed verzorgd, en daar gaat het om. Wij zullen er vanzelf aan wennen dat hij niet meer helemaal ‘van ons’ is. En dat uitje naar de Waterleidingduinen vond hij zo geweldig, dat hij het nu nog weet! Is dat niet bijzonder als je zoveel vergeet?