De verhuizing van mijn vader naar een verpleeghuis was een feit. ‘Geen ontkomen meer aan,’ dacht ik, toen we voor het grote gebouw stonden. De ingang hielp ons meteen om uit de stressmodus te komen. Want: je loopt er naar binnen, de deuren achter je schuiven dicht, de deuren vóór je schuiven niet open. Eerst even kalm worden, dan op de juiste afstand voor de tweede deuren gaan staan, en dan pas gaan ze open. Hier wonen mensen die niet meer van hot naar her hollen, dat is duidelijk!
Een vriendelijke dame die ons al op stond te wachten, bracht ons naar de afdeling waar m’n vader zou gaan wonen. Een gesloten afdeling zogezegd. Bewoners komen er wel in, maar niet zomaar eruit. Wij ook niet trouwens, als je weg wil dan moet je een code intikken op een kastje dat naast de deuren hangt. Die deuren zijn mooi beschilderd, alsof het een boekenkast is. Schijn bedriegt, maar wel leuk uitgevoerd.
We werden allemaal hartelijk ontvangen met koffie en thee, en mijn vader werd op zijn gemak gesteld. Hij liet het allemaal maar gebeuren, maakte zelfs hier en daar een grapje tussendoor. Alsof hij wilde laten merken: Ik kom hier wel wonen, maar ik ben nog niet gek hoor! En dat is hij zeker niet. Hij kreeg een leuke verzorgende toegewezen, ons eerste aanspreekpunt. Zij nam hem mee naar zijn nieuwe kamer terwijl wij nog wat dingen met de arts doornamen. Ik keek het tweetal na. Een broze man leunend op een stok, en een jongedame die stevig op haar benen stond, en nog wilde mijn vader de deur voor haar open houden. Want dames gaan voor, of je nou oud bent of niet!
Er werd zoveel gevraagd en verteld, dat de informatie op den duur langs me heen begon te gaan. Maar één ding kwam wel binnen, namelijk dat de meeste mensen in het begin tot rust kwamen in het verpleeghuis, omdat ze nu niet meer op hun tenen hoefden te lopen. Doen ze dat dan? vroeg ik me af. Zo had ik er nog niet naar gekeken, maar ik vond het wel een eye opener. Een hele geruststelling dat er hier nu goed voor hem gezorgd zou gaan worden. ‘Nou…dat hoop je dan maar!’ zei een argwanend stemmetje in mezelf. Dat stemmetje ken ik, die laat zich niet zomaar geruststellen door uitspraken als: Het komt allemaal wel goed. Ik maakte me zorgen over hoe het nou echt zou zijn hier in huis. Over één ding in het bijzonder, namelijk: wat voor mensen zou mijn vader hier tegenkomen? Een medewerkster had bij een telefoongesprek achteloos gezegd dat er een paar ‘pittige dames’ in de groep woonden…
Pittige dames? Wat moest ik me daarbij voorstellen? Dames die de baas gingen spelen over mijn lieve vader? Of typetjes die hem de groep uit zouden pesten? ‘Oh, het zijn soms net kleine kinderen, die kijken tot hoever ze bij een ander kunnen gaan’, had de nieuwe verzorgster ook nog gezegd. Nou, daar kon hij het dan mooi mee doen!
Dezelfde middag toen wij even bij m’n vader in de gezamenlijke huiskamer zaten, gebeurde er al wat. De ene dame deed iets, de ander reageerde daarop, de eerste werd kwaad en ging dreigend voor de ander staan, de ander werd bang en maakte zich klein, totdat de verzorgende rustig ingreep. Ze riep de eerste dame tot de orde en troostte de tweede. Ik kreeg meteen bewondering voor deze verzorgende, die mij een kwartier geleden nog zo ontzettend jong leek! Ze kon het aan. En mijn vader? Die gaf geen commentaar, hij liet het compleet langs zich heen gaan. Hij leek meer bezig met het naderende afscheid, alsof het nu pas echt tot hem door drong.
‘Dit is het dan zeker hè,’ zei hij een beetje vragend tegen mijn broer die naast hem zat. ‘Ja pap, dit is het nu voorlopig. Hier ga je voortaan wonen.’ Mijn vaders ogen glommen verdacht. ‘Wanneer komen jullie weer?’ vroeg hij. ‘Morgen komt Peter’, zeiden we. ‘Nou, bedankt voor alles, en tot de volgende keer dan maar!’ zei hij dapper. Na een kus en een laatste knuffel liepen we weg, lang uitgezwaaid door onze vader. Hij was in goede handen, dat konden we wel merken. Toch was het best even slikken om hem daar achter te laten…









