Voor je kind doe je alles, toch?!

‘Nog een klein stukje… Nee, even wachten. Okay, even volhouden nu, nog een paar centimeter naar voren en dan duwen!!!’
Ik zweette me kapot en hield de trapleuning stevig vast. Hoe lang ging dit nog duren? ‘Ik hou het bijna niet meer vol, Gerard!’, klaagde ik. Het leek wel een bevalling!

Voor alle duidelijkheid, hier werd geen kind geboren. Gerard en ik waren bezig om de spullen van Willemijn te verhuizen en nu waren we bij het zwaarste stuk beland: de diepvries. De diepvries moest naar beneden door een smal trapgat en dat was ongelofelijk zwaar. Helemaal geen werk voor iemand met een niet al te stevig lijf zoals ik… vraag ook niet hoe we het voor elkaar hebben gekregen! Ik vertrouwde blindelings op de aanwijzingen van Gerard, anders had ik ‘m zeker uit m’n handen laten vallen of na de eerste mislukte poging al opgegeven. Wonder boven wonder kregen we hem heelhuids de trap af. Daarna moest ‘ie nog naar de boedelbak getild worden, maar dat was een stuk makkelijker.

‘Waar haal ik de energie toch vandaan?’, heb ik me herhaaldelijk afgevraagd. Het was zonnig en warm, binnenshuis 25 graden. We hadden koffie mee en water en heel veel broodjes. Maar het was zo warm, dat we alleen maar dorst hadden en ijsjes uit de diepvries aten. Dochterlief kon zelf niet bij de verhuizing helpen. Gelukkig had ze wel een briefje geschreven met duidelijke instructies. En – ook gelukkig – had ik al eerder die week geholpen met inpakken en haar nieuwe kamer gezien. Een tijdelijke kamer wel te verstaan, voor één of twee maanden. Maar in elk geval wist ik de weg van huis A (in L.) naar huis B (in O.) Dat was maar goed ook, want we reden er alsnog zo voorbij. En draaien en keren met een beladen boedelbak is ook een kunst.

We werkten als paarden met z’n tweeën. Na vier en een half uur sjouwen stond alles ingepakt. Nog weer drie uur later stond alles in haar nieuwe kamer. Pfffff! Ondertussen stroomden er appjes binnen van de jongste twee die thuis waren. De één ging zwemmen bij de Rijn, of dat goed was (‘Nou okay, maar alleen binnen de paaltjes). De ander was naar de stad gegaan en niet lekker geworden… Of we haar misschien op konden halen? Nou nee, we zaten 120 kilometer bij haar vandaan… Gelukkig is ook dat opgelost. Grote broer sprong bij – maar was nog onderweg – en onze buurman was bereid om haar op te halen met de fiets. Zij hielden een oogje in het zeil, wat voldoende geruststelling was voor Janine om weer op te knappen. Heerlijk om terug te kunnen vallen op goede buren en familie!

Toen ik die dag bezig was met sjouwen, kon ik nauwelijks geloven dat ik dit allemaal aankon. Ik had me toch maanden moe door de dagen gesleept vanwege corona?! Ik was me pas beter gaan voelen sinds ik bij een fysiotherapeut ging ‘revalideren’. Stap voor stap ging het vooruit, met de nodige terugvallen. Naar m’n lichaam luisteren was het allerbelangrijkste wat ik moest doen. En dat lichaam was ongelofelijk moe en had heel vaak spierpijn. Ik heb nog nooit zoveel geslapen als de laatste tijd. Maar het hielp.
Die les hoop ik nu mijn leven lang onder de knie te hebben (heb ik me weleens eerder voorgenomen…)

Wat me ook veel energie gaf, was voor WIE ik het deed. Voor mijn kind! En voor je kind doe je toch alles?! Je draagt haar negen maanden onder je hart, je zet haar op de wereld door een oerkracht die je niet achter jezelf gezocht had. Je geeft haar borstvoeding, papjes, fruit. Je doorstaat slapeloze nachten. Je zorgt voor haar en je koestert haar alsof je leven ervan af hangt. En op een dag is ze 24, moet ze alweer een studentenhuis uit (omdat ook deze verhuurder het gaat renoveren), is ze zelf zo druk en gestrest en kan er niemand anders helpen. Dat was precies wat ons kracht gaf om die verhuizing te doen.

De dagen erna was ik gesloopt… overal spierpijn en heel erg moe. Toch was ik voldaan over de klus die we toch maar even hadden geklaard. Gerard was ook moe, evengoed moest hij de dag daarna om vier over vijf z’n bed uit. En drie dagen later hadden we een jarige dochter ver weg én een jarige dochter in huis, volgende programmaonderdeel. Maar eind goed al goed; Willemijn zit er lekker bij in haar tijdelijke kamer en de verjaardagen zijn inmiddels weer achter de rug.
We hopen snel bericht te krijgen van een definitieve kamer voor Willemijn en dan gaan we gewoon weer verhuizen! Maar met een diepvries, stoelen en loodzware dozen sjouwen, dat doe ik niet meer, daar moet ze maar sterkere mensen voor regelen. Laat eventueel maar horen als je je aangesproken voelt 🙂

Duiven kuren

Vandaag heb ik geen grootse thema’s. Integendeel, je kunt deze blog in een paar minuten lezen. Misschien val je er wel bij in slaap! Mijn eigen man in elk geval wel, al ligt dat meer aan het feit dat hij om vijf uur op moest voor zijn werk.

Ik had vanmorgen weinig energie. Iedereen was de deur uit en ik kon doen en laten wat ik wilde. Toch wist ik niet waarmee ik moest beginnen. De afwasmachine leegruimen? Nee. Glas bij de glasbak brengen en dan meteen een lekker ommetje maken? Nee. De was aanzetten? Okay, dat kon ik nog wel opbrengen, maar daarna liep ik alweer gapend door het huis. Nou kom op, zei ik tegen mezelf, oud papier naar de bak bij de schuur brengen dan maar. Toen ik dat gedaan had, keek ik omhoog. De lucht was prachtig; heel blauw maar ook heel veel schapenwolkjes. Terwijl ik zo stond te kijken, keek een verdwaalde postduif mij nieuwsgierig aan. Het beestje zat op de rand van onze schuur. Hij of zij was afgelopen vrijdag zomaar aan komen vliegen, misschien wel door de hitte bevangen. Aangezien Gerard een stel duiven heeft, valt er op de schuur altijd wel wat voer te pikken. Er staat ook altijd een bakje water.

Normaal verzorgt Gerard de duiven, maar vanmorgen was hij te vroeg weg om dat te doen. Dus besloot ik het trapje uit de schuur te pakken en de hokjes te openen. De duiven gaan dan eerst lekker wat rondjes vliegen en daarna pas eten. Al ben ik geen fan van duiven, het was eigenlijk best een grappig klusje. Bij het eerste hok zat een witte duif met vooruitgestoken borst mij gebiedend aan te kijken, zo van: ‘Ik dacht dat ik er nooit uitgelaten werd vandaag!’ In het tweede hok zat een duivinnetje op haar nest, met de rug naar mij toe. Ze draaide haar kop even om en keek vervolgens snel weer de andere kant uit. Ze deed me denken aan mijn dochter… die kijkt ook altijd verstoord op als ik – zelfs na een paar keer netjes kloppen- in haar kamer kom… Het bijbehorende mannetje hipte onrustig heen en weer, niet wetend wat hij moest doen. ‘Ik doe jullie niks hoor!’ probeerde ik hen gerust te stellen, maar het leek weinig indruk te maken.

In het derde hokje zaten nog twee duiven. Een mooie lichtbruine die nog maar een paar maandjes oud was, en zijn witte moeder. De jonge duif zat ongeduldig te wachten, en vloog meteen weg zodra ik het hokje opende. De moeder keek mij argwanend aan, en verliet het hok pas toen ik uit beeld was.

Nadat ik het trapje in de schuur gezet had, keek ik nog eens omhoog. De vreemde postduif zat bescheiden tussen twee hokjes in. De dikke duif die me als eerste wat hooghartig aangekeken had, tripte heen en weer over de dakrand. Hij pronkte met z’n veren alsof er een heel publiek naar hem stond te kijken. Ineens stond ‘ie stil. Hij draaide wat met zijn achterkant… en liet poep vallen. Wat een onbeleefd beest, dacht ik, die heeft er letterlijk schijt aan ! De duif in kwestie wandelde weer even statig als daarvoor naar het drinkbakje toe. Maar niet om te drinken, nee hij sprong er middenin! Er moest gebadderd worden blijkbaar. Twee andere duiven keken van een afstandje toe. ‘Wanneer is die uitslover nou eens klaar?!’ koerde de ene duif. De postduif zweeg, allang blij dat hij water had gedronken voor die dikzak er in sprong.

En ik maar denken dat duiven zulke lieve beestjes waren! Eerlijk gezegd leken het net kleine kinderen of een stel volwassenen die elkaar de ruimte niet gunnen. Alhoewel kippen nog erger zijn. Kippen hebben letterlijk een pikorde; dat weet ik toevallig omdat we jaren kippen in de achtertuin hebben gehad. Eén kip was de baas, een aantal daaronder werd getolereerd, maar de kleinste of zwakste kip was altijd de pineut. Regelmatig schrokken we van gekrijs en gekakel, als die zwakste weer eens gepikt werd door ‘het baasje’. Soms tot bloedens toe, als wij er niet op tijd bij waren! Nee kippen zijn ook niet zo schattig, als ze geen donzige kuikentjes meer zijn.

Hoe dan ook, mijn taak bij de duiven zat erop. Ik had koffie verdiend, en ik voelde me alweer een stuk vrolijker. Om met een uitspraak van Gerard te eindigen: ‘Vraag niet hoe het kan, maar profiteer ervan!’

Zero Waste

Twee weken geleden liep ik mee met een ‘Zero Waste Tour’ door ons eigen stadje. Dit was geen protestwandeling tegen verspilling in het algemeen. Daar zou ik me niet voor opgegeven hebben trouwens, want wie trekt zich daar nou wat van aan? De meest vervuilende producenten in elk geval niet… Maar in het klein wil ik best leren hoe ik minder verspillend kan leven met ons gezin. Wij scheiden ons afval netjes en gooien zo min mogelijk eten weg. Maar het is ongelooflijk hoe snel die PMD-zak elke keer weer vol zit met plastic afval!

Gewapend met grote tassen en een stel plastic bakjes (werd aangeraden door de organisatie), meldde ik me die aan dag bij ‘de Tour’. Ik had veel opkomst verwacht, maar er zaten maar vijf mensen aan het tafeltje, waarvan twee van de organisatie. De tafel stond vol met herbruikbare dingen, zoals bamboe bekers, stoffen boterhamzakjes, menstruatiecups, boeken en folders. Eerlijk gezegd wist ik niet waar ik mee moest beginnen. Gelukkig dronken we eerst een kop thee. Na een kort rondje: ‘Wat doe jij al aan het verminderen van plastic afval?’ gingen we naar buiten. De gids, Marijke, zou ons meenemen langs marktkramen en winkels die ook meedoen aan Zero Waste. Ik was benieuwd!

Eerst gingen we naar de markt. Niet zo verrassend, volgens mij vindt elke groenteboer het prima als je je eigen tassen bij je hebt. Maar Marijke liet ons ook een brood-en banketkraam zien, waar je losse broodjes in je eigen een stoffen zak kon laten doen. ‘Deze kraam heeft daar helemaal geen moeite mee’, zei ze. Volgens mij hadden ze ook helemaal geen moeite met voorverpakte cake en koekjes! Het rook er zo heerlijk, dat ik er bijna wat van kocht. Maar ik hield me in.
De volgende stop was bij de biologische markt. Dat leek mij meer het echte werk. Bij één kraam stonden een heleboel streekproducten. Eigenlijk ook niet nieuw voor mij. We drinken al jaren melk van koeien uit de streek, kopen daar ook boter, kaas, aardappelen en zelfs appelsap van bomen uit de regio. Maar tussen het aanbod verse groenten zag ik ook een bak gemengde sla. ‘Gisteren vers geplukt van het land. Na een week bewaren in de koelkast nog steeds lekker!’ zei de verkoper. Dat leek me wel wat, want hoe vaak had ik al halve zakjes ijsbergsla weggegooid, omdat die na een paar dagen verrot waren?!

Foto door cottonbro op Pexels.com

We liepen verder naar een snoepwinkel. ‘Kijk, hier kun je niet alleen zelf snoep scheppen, maar het ook in je eigen zak doen.’ zei Marijke. Dat kun je op twee manieren uitleggen, peinsde ik. Maar ze bedoelde natuurlijk weer in zo’n stoffen zak. De dames aan de kassa keken een beetje vreemd naar het vale katoenen zakje, maar ze rekenden gewoon af. Ik kocht niets. Eigenlijk vind ik dat ik sowieso te veel drop eet. Laat ik het dus maar niet aantrekkelijker maken voor mezelf, met zo’n verantwoorde verpakking.
Marijke wees een kruidenwinkel aan, liep met ons een overvolle drogisterij binnen waar ze rechtstreeks naar het schap liep met flesjes tandpasta tabletjes. Ondertussen babbelde ze over hoe zij boodschappen deed. Kleren alleen tweedehands, brood van 4 euro alleen bij die en die winkel, op zaterdag voorraden groenten inslaan die ze dan later ging verwerken en invriezen (‘Moet je vooral heel vroeg gaan of woensdag tussen 9 en 10’). Enzovoorts.

Ik werd er een beetje moe van. Ik wilde best mijn steentje bijdragen aan het verminderen van de afvalberg, maar hoe dan? Ik zag mezelf al door de stad lopen met zo’n rieten mand als Roodkapje, op zoek naar dat ene stevige brood, potjes kruiden, dure biologische groenten in plaats van goedkope aanbiedingen uit de supermarkt… niet dus.
Ik zei heel eerlijk dat ik hoofdpijn begon te krijgen van alle informatie. Dat hielp. ‘Nog één winkel, die is zo leuk! Als je daar eenmaal geweest bent, dan ben je verkocht!’ zei onze gids vrolijk. Ik had geen idee wat er zo geweldig aan die winkel kon zijn, maar vooruit.

Foto door Polina Tankilevitch op Pexels.com

Zal ik de afloop maar vast verklappen? Ze kreeg gelijk! Ik keek m’n ogen uit. Zo groot was het winkeltje niet en aan de buitenkant zou je er zo langs lopen. Maar elk schap was het bekijken waard. Hier kon je olie tappen uit grote flessen, hier stonden tankjes waspoeder en schoonmaakmiddelen die je kon vullen in je eigen flessen. Ze hadden tig losse theesoorten, koffie die je kon malen en in eigen zakjes kon doen, zelfgegoten kaarsen, thee-eieren in soorten en maten. Het mooiste vond ik echter een stoffen koffiefilterzakje. Of nee, het ecologische schuursponsje! Wat een vondst! Gemaakt van gedroogd gras uit het Middellandse Zeegebied en 100 % composteerbaar. De anderen van m’n groepje stonden inmiddels al lang buiten, terwijl ik nog liep te snuffelen naar andere leuke koopjes.

Eenmaal thuis ben ik gauw mijn kastjes gaan inspecteren. Tot mijn schande vond ik zes zakjes losse thee, ver weggestopt achter de vele kant- en klaar doosjes die ik altijd koop. Ik ben ze gauw weer gaan gebruiken, alhoewel ik de kant -en klare thee ook nog opmaak natuurlijk. En wat hadden we toch een voorraad schoonmaakmiddelen!

Mijn conclusie na de Zero Waste Tour, hoe ik minder afval kan achterlaten? Door daar dingen te kopen waar ik er plezier in heb! En ook door dingen te gebruiken die ik al in huis heb. Niet precies nadoen wat anderen doen, maar zelf kleine stapjes zetten. Met een pluim naar de organisatie van de Zero Waste Tour! En nu maar volhouden met mijn losse thee, katoenen koffiefilters en ecologische schuursponsje.

Een spagaat heeft ook z’n voordelen

Hoogste tijd voor een nieuwe blog. Ik ben tot een verrassende conclusie gekomen, namelijk dat leven in een spagaat helemaal niet erg is. Sterker nog, het levert wat op!
In mijn vorige blog kon je lezen hoe druk ik het had met al die zorgtaken (zie https://Hollenofstilstaan.blog/spagaat ). Een hoogbejaarde vader, twee pubers, een echtgenoot met onregelmatige werktijden etc. Het is nog steeds druk en ik schat in dat daar voorlopig weinig aan zal veranderen. Maar mijn leven is echt niet alleen kommer en kwel. Er gaat een heleboel goed en ik leer weer nieuwe dingen!

Eén ontdekking is dat een beetje afwisseling eigenlijk best wel leuk is. Ik reis meer dan ik jaren gedaan heb, zie dus meer van Nederland en ontmoet ook weer nieuwe mensen. Ik bouw zo’n beetje een nieuw netwerk op in Sassenheim. Vroeger vond ik het maar een duf dorp, tegenwoordig geniet ik ervan. Ik zocht pas een bepaalde bloemist waar ik vroeger al bloemen kocht. Had ik die eindelijk gevonden, waren ze gesloten. Maar de eigenaresse zag me lopen en deed gewoon de deur open. Ik mocht kopen wat ik wilde en zelfs het geld later overmaken, omdat er iets met het pinapparaatje was! Waar maak je dat nog mee?
Verder heb ik meer buren van mijn vader leren kennen dan jaren het geval was. En ontdekt dat ze allemaal op hun manier een oogje houden op mijn vader. Dat is een geruststellend idee. Hij heeft dan wel een alarmhorloge om, maar volgens mij is hij allang vergeten hoe die werkt. Dan heb je toch meer aan een buurman en buurvrouw, die opletten of de gordijnen wel open zijn.

Ik prijs mezelf ook gelukkig dat ik geen drukke baan heb, waarbij ik elke dag met de auto de weg op zou moeten. Autorijden is leuk hoor, maar wat een gestress op de snelweg! Okay, als ik in m’n eentje ben, kan ik mijn lievelingscd’s luisteren, zonder geklaag over mijn smaak. Geen commentaar van Gerard over mijn manier van rijden of waarom ik mijn zonnebril nou weer kwijt ben. Maar intussen kan ik die A12, A2, A9, A4 en A44 wel dromen; het wordt bijna saai. En wat een idioten heb je toch op de weg! Met een rotvaart halen ze je in en dan nemen ze vlak voor je neus toch nog de afslag naar rechts. Of ze blijven stug 110 rijden op een stuk waar je geacht wordt 90 of 70 te rijden. Ontzettend irritant.

Nou en dan kom je thuis, en dan zijn ze daar blij om je weer te zien. Dat is ook mooi meegenomen. Weer eens wat anders dan ‘Nee!!!’ te horen krijgen, als ik op de deur van de kinderen klop. Ze stellen zelfs andere vragen dan die van het soort: ‘Waar zijn mijn sportschoenen?’ of ‘Mam, kun je even drinken inschenken?’ Maarten informeert uit zichzelf hoe het met opa was. En Janine is altijd erg blij als ik haar nog even in bed kom stoppen. Zo groot als ze is, ze slaapt beter met mij in de buurt. En dat snap ik wel, ik slaap ook liever in mijn bed hier bij Gerard dan alleen in mijn oude slaapkamertje, in mijn ouderlijk huis.

Gerard is ook goed bezig. Hij hangt tegenwoordig de was netjes op als ik weg ben, zonder dat ik daar een briefje voor klaar moet leggen. Hij zorgt voor het eten met de kinderen (ze lusten tosti’s) en kijkt samen met hen leuke muziekprogramma’s op tv. Hij pakt klusjes op waar ik niet eens aan toe kom.
Afgelopen week had hij helemaal iets geweldigs gedaan. Iets wat hij voor zover ik me kan herinneren, nooit eerder heeft gedaan. Hij heeft spontaan het raam bij de keuken gezeemd! Ik wist niet wat me overkwam. Ik wist sowieso al niet wat me overkwam, want je kon er weer door naar buiten kijken. Het raam was zo vies dat zelfs hij zich eraan ergerde… En zo kan ik wel even doorgaan. Het is gewoon een win-win situatie. De kinderen kunnen zelf brood smeren als ik weg ben. Gerard heeft mij niet nodig om te weten hoe laat de kinderen thuis komen, want dat ziet hij vanzelf wel. En de katten lopen niet de halve dag om mijn benen heen te draaien in de keuken. Als ik bij mijn vader in de keuken sta, lijkt het soms of daar een poes van ons rondloopt, maar dat is pure zinsbegoocheling.

In een goede blog moet je cliché’s vermijden, leerde ik pas bij een cursus Blogs schrijven. Dat is nou jammer, anders zou ik daarmee eindigen. ‘Elk nadeel heb zijn voordeel’, bijvoorbeeld. Of met deze: ‘Het is in het leven zo gelegen, de één die komt de ander tegen’. Nou ja, wordt vervolgd zullen we dan maar zeggen. En een mooi, inspirerend Pinksterweekend gewenst!

Spagaat

De eerste stofwolken van de klap ‘onze pap heeft dementie’ zijn opgetrokken. Het is inmiddels zes weken geleden dat de diagnose werd gesteld. Dat lijkt niet veel, maar er is al aardig wat in gang gezet. Hij wordt nu geholpen met badderen en schone kleren uitzoeken, met boodschappen doen en met het huishouden. Verschillende buren houden een oogje in het zeil. Wat we nog niet hebben, is een casemanager. Ik heb al een paar keer tegen de Thuiszorg gezegd dat we graag kennis met haar maken, maar dat is nog niet gelukt. ‘Ze is heel druk,’ zei de telefoniste. Dat geloof ik! Maar ik heb het ook druk, en sommige dingen lopen nog niet helemaal.

Eigenlijk zit ik in een soort spagaat, alsof er aan alle kanten aan me getrokken wordt. Ik heb namelijk nog meer te doen dan mantelzorgen. Thuis lopen er een paar pubers rond die ook graag aandacht willen. ‘Ga je nou alweer naar opa?’ vraagt Janine. Het is al de vierde keer in korte tijd. ‘Opa heeft nu hulp nodig’, leg ik uit, er is veel te doen. Maar eigenlijk is er thuis ook veel te doen. De was, de boodschappen, de administratie… het meeste blijft liggen als ik er niet ben.

Gerard heeft een drukke baan met onregelmatige diensten, dus begrijpelijk dat hij niet aan klussen toe komt. Opruimen is niet zijn sterkste kant en onze pubers kunnen het ook niet (sorry jongens). Dus mopper ik vaak als ik weer thuis ben: ‘Wat een zooitje hier, het huis van mijn vader is een stuk opgeruimder dan het onze!’ Hij mag dan veel vergeten, maar de afwas wordt altijd direct na het eten gedaan. Altijd een leeg blinkend aanrecht daar. Verder raapt m’n pa elk pluisje of blaadje dat toevallig naar binnen is gewaaid, meteen op. Daar kunnen we hier nog wat van leren!

Aan de andere kant is het bij hem ook niet perfect. Als ik de was op wil hangen, valt zijn wasrek van ellende bijna uit elkaar. Verder kan ik nergens knijpers vinden. Mijn vader rommelt wat in de garage en komt met een stokoud huishoudschort terug. Volgens mij is dat nog van mijn moeder geweest! (zij is overleden in 1988)
In het muf ruikende schort vind ik een stel schimmelige knijpers. Daar kan ik de schone was toch niet aan hangen… Ik borstel ze eerst maar eens flink af onder stromend water, en leg ze de hele dag in de zon te drogen. Dit tot verbazing van mijn vader; wassen is duidelijk niet zijn hobby. De wasmachine lekt trouwens, constateer ik. Er is nog een andere kraan die lekt en wat ligt er een stapel oud papier in de garage!

Als ik niet oppas, ben ik de hele tijd aan het rennen bij mijn vader, terwijl ik me ondertussen bezorgd maak of mijn pubers thuis nog ìets aan hun huiswerk doen. Wacht eens, ik moest rustig aan doen van mijn fysiotherapeut. Ik heb nog steeds een restje corona in mijn lijf; ben nog steeds sneller moe dan normaal.

Dan zijn daar nog onze volwassen kinderen, die ook zo hun eigen problemen hebben. Bij de één is de wasmachine kapot, dus de was komt tijdelijk weer bij mams. De ander zoekt een betere baan, de derde moet andere woonruimte hebben eind juni. Bovendien moet ze nog een stageplaats vinden, en dat blijkt moeilijker dan gedacht.

Maar wacht even, ik kan meer dan zorgen of me zorgen maken! Over een maand is het feest bij onze oudste dochter en haar vriend. Zij worden allebei dertig, een prachtige leeftijd. Daarbij kunnen ze nu eindelijk een house warming party geven, dat was door corona steeds uitgesteld. Last but not least is er bij hen een kleintje op komst 🙂 🙂 🙂 Wij worden dus opa en oma, wat een super nieuws! Of dat nog meer spagaat wordt of niet, ik wacht het rustig af. Op naar een nieuwe fase.

Thuiszorg

‘Dit is helemaal geen goed nieuws!’. Mijn vader leest de brief die de dokter uit het ziekenhuis hem mee heeft gegeven nog eens door. Zo gaat dat tegenwoordig; geen onleesbaar krabbeltje voor de huisarts, maar zwart op wit een samenvatting van wat je mankeert en wat de adviezen zijn. Best duidelijk allemaal, maar ook confronterend. Zeker voor een oude man die steeds goed door de APK van bejaarden heen kwam, zoals hij dat zelf altijd noemde.
Het advies om geen auto meer te rijden, slaat in als een bom. ‘Wie heeft dit onderzoek eigenlijk aangevraagd?’ vraagt mijn vader achterdochtig. Ik blij dat we de huisarts de schuld kunnen geven, die heeft hem tenslotte doorgestuurd naar het ziekenhuis. En al ben ik het eens met het advies, het is zielig om m’n vader zo te zien tobben. Het is ineens gedaan met al zijn zelfstandigheid.

Als het vuil is, pak ik zelf de stofzuiger wel!

Een week later zit ik weer bij m’n vader. Dit keer voor een intake met de thuiszorg. Vroeger dan afgesproken wordt er aangebeld, en staan er twee dames op de stoep. ‘Wie zijn dat?’ vraagt mijn vader. Maar de dames introduceren zichzelf al en komen binnen. De oudste neemt het voortouw en stelt een heleboel vragen. Ze praat met een volume alsof mijn vader stokdoof is, wat hij helemaal niet is. ‘Heeft u maar 2 uur huishoudelijk hulp? Dat is niet veel!’ roept ze door de kamer. Mijn vader verdedigend: ‘Nou, ik vind het genoeg hoor. En als het vuil is, pak ik zelf de stofzuiger wel!’ Op de vraag hoe het met wassen en aankleden gaat, is het antwoord: ‘Prima’. Maar dan kom ik tussenbeide, want zo prima gaat het niet. Hij loopt wel heel vaak met dezelfde kleren rond en douchen is er al tijden niet meer bij. ‘Maar ik vervuil heus niet hoor!’ zei m’n vader pas nog. De thuiszorg weet dat al, maar ze doen alsof ze het voor het eerst horen. ‘Lijkt het u niet lekker om wekelijks te douchen? Dan komen wij daarbij helpen!’ Hulpzoekend kijkt m’n vader mij aan, wat moet hij daar nou op antwoorden?
‘Nou eh, als dat nodig is, dan moet het maar’, geeft hij aarzelend toe.
Als ze weg zijn, raakt hij er niet over uitgepraat. ‘Wie waren dat nou?’ Dat waren mensen van de thuiszorg pap, die komen je voortaan helpen douchen. ‘Oh. Dat is raar, dat mensen me gaan helpen douchen! Ik ben toch niet ziek? Nou ja, het zal de leeftijd wel zijn. Vort maar’. Hij praat meer tegen zichzelf dan tegen mij.

Geen shampoo

De week daarna komen ze al voor het eerst. Ik ben benieuwd. Ik hoorde van een vriendin dat haar moeder beslist niet gedouchd wilde worden, en heel kwaad werd als de thuiszorg kwam. Stel je voor dat mijn vader ook boos wordt, wat moeten we daar dan op verzinnen? Zodoende zette ik me schrap toen er een telefoontje kwam van de thuiszorg, op de ochtend dat ze geweest waren.
‘Het is gelukt hoor!’ zegt een jonge stem. Iedereen lijkt wel jong tegenwoordig, maar dat terzijde. ‘Uw vader had alleen geen shampoo’. Oeps, daar had ik helemaal niet aan gedacht om naar te kijken. Waar wast hij zijn haar dan eigenlijk mee de laatst tijd?
Maar er is meer. ‘En dan nog wat, ik heb uw vader gewogen en hij weegt nu maar…kilo.’ Ze noemt een getal.
Daar schrik ik echt van! Het leek me pas al niet zoveel in het ziekenhuis, en nu weer een paar kilo eraf? ‘Misschien moeten we de huisarts maar bellen’, stelt ze voor. Dat lijkt me een goed plan, huisartsen weten meestal wel raad. Nu maar hopen dat die snel wat regelt.

Diëtiste

Een paar dagen later heb ik nog niets gehoord, en mijn broer ook niet. Ik zoek het verslag van de thuiszorg erbij. Daar lees ik tot mijn verbazing: ‘Dochter gaat contact opnemen met de huisarts’. Oh, ik dacht dat zij dat gingen doen? Gauw bellen dan maar naar die huisarts! Die is er niet, maar zijn assistente wel. Zij doet niet moeilijk en schrijft een verwijzing voor een diëtiste. Daar moet ik contact mee opnemen om de kennismaking in gang te zetten. Wéér iets erbij! Het houdt voorlopig niet op met zorgen en regelen…Gelukkig hoef ik het niet alleen te doen. Met twee broers en een zus, en buren die een handje meehelpen, komen we voorlopig nog een heel eind.

Welke dag is het vandaag?

‘Wat moeten we ook alweer meenemen?’ Zenuwachtig pakt mijn vader voor de zoveelste keer de brief die hij van het ziekenhuis gekregen heeft. Voor de zoveelste keer zeg ik wat we mee moeten nemen, die brief en zijn rijbewijs. Er ligt nog een stapel enveloppen op tafel. De meesten hebben niets met de afspraak morgen te maken, daarom leg ik ze aan de kant.
‘Maar hoe komen we dan in het ziekenhuis?’ vraagt mijn vader. ‘De buurvrouw brengt ons weg. Om acht uur morgenochtend haalt ze ons op.’ zeg ik.
Verbaasd kijkt m’n vader me aan, hoewel ik dit al voor de derde keer vertel.
‘Ik ben nog niet zo fit door corona, daarom rijdt zij met de auto,’ leg ik uit. ‘Zij weet de weg daar beter dan ik’.
‘Heb je corona gehad dan?’, vraagt m’n vader, alsof ik iets nieuws meedeel. Dat herinnert hem er ineens aan dat er een brief was van de GGD en weer pakt hij de stapel met brieven. Hij moet een afspraak maken voor een booster, maar dat lukt hem niet. Of ik dat ook nog even wil doen… natuurlijk!

De volgende ochtend vroeg lopen we het ziekenhuis binnen. De buurvrouw was stipt op tijd, en ondanks de ochtendspits hebben we het gered. Eerst naar het lab om bloed te laten prikken, dan een ziekenhuispasje maken bij de balie en dan naar de afdeling Geriatrie. Daar zijn we zelfs nog te vroeg; we moeten terug naar de wachtruimte.
‘Waar wachten we nou eigenlijk op?’ vraagt m’n vader. Goeie vraag, papa. Er staan hem vandaag een hele rits onderzoeken te wachten, omdat hij zo vergeetachtig wordt. Natuurlijk, mag je op je 90e wel wat vergeten. Maar de laatste tijd loopt het toch de spuigaten uit en zowel de huisarts als wij kinderen, vragen ons af of er niet meer aan de hand is.

Gelukkig, daar komt een verpleegkundige. Zij gaat zijn lengte en gewicht noteren. De lengte opmeten gaat goed, maar de weegschaal weigert dienst. ‘Zul je net zien,’ moppert ze tegen zichzelf. ‘Kom maar even mee naar een ander kamertje, meneer.’ Ook de andere weegschaal weigert dienst, maar na een paar tikken er tegenaan lukt het toch. ‘62,5’. Lijkt mij niet veel, mijn vader ziet er ook smaller uit de laatste tijd. Eet hij wel genoeg?

De verpleegkundige brengt ons naar een eigen kamer. Als je naar buiten kijkt, zie je bijna de middelbare school waar ik 40 jaar geleden gezeten heb. Grappig idee.
We gaan aan het tafeltje zitten dat voor het raam staat. Maar al snel komen er twee andere verpleegkundigen. ‘Even de bloeddruk meten meneer en een hartfilmpje maken.’
De jongste van de twee vindt het hartfilmpje niet mooi en maakt er nog één. ‘Zie je wat een lange halen?’ praat ze zacht tegen de andere verpleegkundige. Ik spits mijn oren, is er wat mis met het hart van mijn vader? Maar ik kom er niet achter; de zusters vertrekken weer. M’n vader trekt zijn overhemd weer aan en prutst met de knoopjes. In de brief stond dat je makkelijke kleding aan moest doen vanwege het aan- en uitkleden, maar ja, naar de dokter trek je natuurlijk fatsoenlijke kleren aan! Ik help hem maar even met die kleine knoopjes. Veters strikken gaat ook al niet. ‘Rustig aan pap, ik maak ze wel vast ‘. Hij is duidelijk van z’n à propos.
Daar staan de volgende mensen al in de deuropening. Dit keer een echte dokter met nog iemand erbij. Ze stellen zich netjes voor aan mijn vader en leggen uit wat ze komen doen. Ondertussen worden we voorzien van koffie met warme melk en koekjes. Heerlijk hoor, het lijkt bijna wel een hotel.

De dokter vraagt mijn vader het hemd van het lijf. ‘Wat voor dag is het vandaag?’ Eh… dat weet ik niet.’ ‘Wie regeert ons land?’ ‘Willem de Derde natuurlijk!’ ‘Heeft u vroeger gerookt?’ ‘O ja, wel 46 jaar lang. Maar zes jaar geleden ben ik ermee gestopt.’ Ik rol bijna van mijn stoel van verbazing, ik kan me niet heugen dat ik mijn vader ooit heb zien roken! Maar dan moet ik mee de andere onderzoeker, terwijl de arts nog wat testjes bij mijn vader gaat doen. Deze meneer vraagt op zijn beurt mij het hemd van mijn lijf. Sommige vragen weet ik niet eens, zoals welke opleiding heeft uw vader precies gedaan? Eh tja, wie was er hier nou vergeetachtig…?

Weer terug bij mijn vader zit de dokter er nog. ‘Het is klaar hoor. We gaan alle resultaten bespreken en dan komen we gauw weer terug’, belooft hij. Het is kwart over 11. Mijn vader gaat voor de zoveelste keer naar de wc (zenuwen), en dan begint het wachten.
‘Sneeuwt het nou?’ vraagt hij als hij naar buiten kijkt. Nee, gelukkig niet. Er staan een paar bomen in bloei en daar vliegt de bloesem van in het rond. Op het groene dakje aan de overkant scharrelen wat meeuwen en kraaien, op zoek naar eten.
Over eten gesproken, wij krijgen ook wel trek. Ik vis een paar krentenbollen uit m’n tas en die gaan er zo in. Daarna vermaken we ons met een tijdschrift dat ik meegenomen had, en een fotoboekje. Er zitten foto’s in van heel vroeger, toen ik baby was, tot en met de afgelopen kerst. De eerste reeks foto’s herkent mijn vader zonder enige moeite, maar met de laatsten kan hij weinig.
‘Wat is dit, één of andere schoolfoto?’ zegt hij. Schoolfoto? Het zijn Gerard en onze kinderen! ‘Maar er staat een jongen naast jou die ik niet ken…’ probeert m’n vader nog.
Arme papa, er vallen echt gaten in zijn geheugen. Wat de dokter ook komt vertellen, voor mij is het duidelijk dat hij niet meer de papa is van 10 jaar geleden die alles nog wist en kon.

Na bijna twee uur (!) wachten komt de dokter eindelijk weer, met de geriater die alles beoordeeld heeft. Zij ziet er vriendelijk uit. ‘Hoe gaat het met u?’ vraagt ze mijn vader op de man af. ‘Prima hoor, ik kan alles nog!’ glimlacht hij. ‘Nou ja, soms vergeet ik even wat, maar meestal niet hoor’.
Ik zie aan de gezichten al dat zij daar anders over denken. De geriater neemt het voortouw, en vertelt hem dat ze helaas denken aan dementie.
‘Dementie?!’ Ik zie mijn vaders onthutste blik. De dokter legt hem uit waarom ze daaraan denken. Mijn vader schrikt, hij wordt ter plekke bijna kleiner… Wat zeggen ze allemaal, zie je hem denken, ik red me toch? En wat nou dan, mag ik geen auto meer rijden? ‘Maar dat kan ik best, het is maar een klein eindje naar de winkel’ sputtert hij tegen. Toch zijn de artsen op dit punt onverbiddelijk.
Op de vraag van de dokters hoe dit voor hem is, komt nog een aardig antwoord. Maar ondertussen… zijn houding en blik vertellen een heel ander verhaal. Op deze uitslag had hij duidelijk niet gerekend! Verslagen loopt hij even later het ziekenhuis weer uit. Dementie. Er zal een hoop gaan veranderen voor hem de komende tijd.

1 april

Net toen ik dacht dat ik nooit meer beter zou worden, begon ik me een beetje beter te voelen. Dat was ongeveer drie weken nadat ik besmet was met het coronavirus. Nu hoor ik mensen met een chronische ziekte al zeggen: Wat is nou drie weken op een mensenleven?!
Tja, niet veel misschien, maar wel lang als je erin zit. Vroeger heb ik wel vaker periodes gehad waarin ik zo moe was, en ik was bang dat het weer die kant op zou gaan. Ik voelde me bijna net zo uitgeput als na een zware bevalling.

Maar toen werd het 1 april. Ik trok de gordijnen open en zag dat er sneeuw lag! Voor de tweede dag achter elkaar, ongelofelijk. Nu moest ik toch maar eens naar buiten om wat foto’s te maken.
Na het ontbijt kleedde ik me warm aan, en ging op stap. Het was echt koud, wat een verschil met de week ervoor! Toen zaten we achterin de tuin in het zonnetje, genietend van de eerste voorjaarsbloemen. Diezelfde voorjaarsbloemen waren nu bedekt met een witte muts van sneeuw. De paar hyacinten die we in de voortuin hebben, bezweken bijna onder hun last. Ze lagen plat op de grond en zagen er zielig uit. Verderop was een deel van een struik geknakt, en dat door die paar sneeuwvlokken?!


Ik liep verder met mijn bibberige benen. Ik leek wel een oud omaatje, maar ik genoot ervan dat het weer lukte. Er was heel wat te zien en te fotograferen, hoewel de sneeuwlaag niet eens zo dik was. Voorbij ons blok huizen liep ik over een grasveldje naar beneden, naar een vijver. Een groep ganzen zat luid te snateren op een eilandje, middenin de vijver. Maar hoe dichter ik bij het water kwam, hoe stiller ze werden. ‘Ik doe niks hoor!’ zei ik. Maar dat leek geen indruk te maken, want vijf van de zes plonsden in het water en zwommen hard weg. Eentje hield de wacht en bleef mij aankijken. Zijn (of haar) nek gestrekt en de kop schuin omhoog, zo van ‘Ik hou je in de gaten!’ Net op dat moment kwam er vanaf de andere kant een ander groepje ganzen aanvliegen. Met een hoop getetter en lawaai landden ze in het water, eentje maakte er een hele show van. Alle ganzen leken elkaar van een veilige afstand in te schatten, dreigde er gevaar of was het vertrouwd? Het leken wel mensen…


Ik liet de ganzen voor wat ze waren, en liep verder. Sneeuw op de auto’s, sneeuw op de bomen. Eigenlijk vooral tegen te bomen, want aan één kant waren ze wit en aan de andere kant waren ze groen. Blijkbaar had het hard gewaaid ’s nacht tijdens de sneeuwbui. Nu dwarrelden er alleen nog maar wat vlokjes door de lucht, heel rustig. Ik haalde diep adem en genoot nogmaals van mijn ‘tochtje’. Ook al kreeg ik koude vingers en koude voeten, ik liep door. Pas toen ik last van m’n rug begon te krijgen, ging ik weer naar huis. Blijkbaar vonden m’n spieren het weer genoeg.

Luisteren naar je lichaam is een hele kunst. Ik vind het vervelend om moe te zijn, ik ben liever bezig. Vroeger mochten we niet lui zijn. ‘Ledigheid is des duivels oorkussen!’ zei een oude meester in onze klas. Je kreeg zelfs een rapportcijfer voor ijver en vlijt. In die tijd werd je bepaald niet opgevoed met het idee dat je lichaam signalen geeft. ‘Kom op, even doorzetten. Flink zijn, je bent toch geen watje! Niet huilen, stel je niet aan.’
Allemaal goedbedoelde adviezen om niet in de put te blijven zitten. Hier en daar heb ik ze iets te letterlijk opgevat, want ik vind het nog steeds lastig om moe te zijn. Maar tegenwoordig krijg ik van alle kanten te horen dat ik NIET flink moet doorzetten, dat m’n lichaam bepaalt wat het aan kan. Trouwens, sinds corona hoeven anderen me daar niet eens meer van te overtuigen. Ik voel zelf ook wel dat m’n spieren trillen, en dat ik meer slaap nodig heb. Zal ik ooit weer drie keer in de week kunnen sporten, waar haalde ik de energie toch vandaan? ‘Jullie hebben toch geen long-covid!’ vragen onze tieners af en toe bezorgd. Gerard is namelijk ook nog niet superfit.

De tijd zal het leren, ook een oud gezegde. Intussen doen we rustig aan en gaat het iedere dag wat beter. Ik geniet van ‘normale’ dingen, ik heb zelfs met plezier weer eens gestoft en gedweild! Dat was dan ook wel hard nodig. Vanmiddag hang ik weer op de bank met een moe lijf. Spierpijn in m’n armen, spierpijn in m’n benen. De regen klettert tegen de ramen, en ik heb het koud…Gelukkig hebben we de foto’s nog van 1 april, en dat is geen grap!

Hollen of stilstaan?

De aanwezigheid van ongelijkheden binnen een proces heet Mura. Een voorbeeld hiervan is grote tempowisselingen. Mura is te vergelijken met de uitspraak “hollen of stilstaan”. Mura kan voorkomen worden door in te springen op productietijden en daar de capaciteiten op af te stemmen. Er is sprake van Muri wanneer er boven de capaciteit van een machine of persoon geproduceerd moet worden, ofwel overbelasting.

Deze informatie vond ik op Wikipedia, op zoek naar de precieze betekenis van de uitdrukking Hollen of stilstaan. Die is niet zo moeilijk, namelijk “van het ene uiterste in het andere belanden”. Dat er een heel gedachtegoed bestaat over productieprocessen vanuit de Japanse industrie, Lean manufacturing geheten, die in hun werkwijze ook nog dezelfde woorden gebruiken als ik voor mijn blog… dat was nieuw voor mij!

Goed, na deze interessante uiteenzetting terug naar de praktijk. Mijn leven bestond de laatste tijd veel uit hollen, letterlijk en figuurlijk. Ik deed vrijwilligerswerk, had m’n eigen gezin hier en m’n grote kinderen verderweg, zorgde geregeld voor m’n vader, en ik deed aan hardlopen en jazzgym. Maar ineens werd ik stil gezet. Ten eerste hield het vrijwilligerswerk op, en ten tweede kreeg ik corona…Dat zat er wel aan te komen met drie zieken om me heen, al hoopte ik de sterkste te zijn. Maar helaas, de positieve test van de GGD riep me letterlijk een halt toe. Nu moest ik ook in isolatie, net als Gerard en de kinderen. Gelukkig had ik de wc’s net geboend, en met vooruitziende blik flink wat boodschappen ingeslagen. Ik kon dus wel even ziek zijn.

Het viel me best mee in het begin. Ik had wel het rijtje klachten dat bij corona hoort, en ook rare spierpijn in m’n benen, maar geen koorts. Ik was dus het minst ziek. Was dit het nou waardoor de hele samenleving plat was komen te liggen, vroeg ik me zelfs even af. Na een paar dagen had ik m’n vader aan de telefoon. ‘Lig je nog op bed?’ vroeg hij. ‘Nee hoor’ zei ik, ‘Ik voel me lamlendig, maar verder gaat het wel.’ Als je ziek bent, hoor je op bed te liggen, hoorde ik hem denken. Dus dan zou het bij mij wel meevallen. Zo dacht ik er zelf ook over. Het punt was echter dat iedereen al op bed of op de bank lag, en dat ik me overal aan liep te ergeren. Hoe kon ik nou uitrusten? De wasmand was weer vol en de vloeren waren vies. De anderen konden toch ook wel een keer eten klaarmaken, of de afwas wegruimen? Hoe kun je als moeder ooit fatsoenlijk uitzieken als de rest ook ziek is?

Het antwoord kwam snel daarop toen ik het huis probeerde te stofzuigen… ik werd zo misselijk en naar dat ik de rest van het stof maar liet liggen. En vanaf dat moment verklaarde ik mezelf ook echt ziek. Ik ging net als de anderen op bed liggen om uit te rusten, of ik trok me terug in een rustige kamer. Ik hing wat op de bank of in een tuinstoel, in de achtertuin. Probeerde wat te lezen of tv te kijken, maar m’n concentratie was snel op. In elk geval werd het iedereen thuis, inclusief mezelf, duidelijk dat ik ziek was. Dan werd het maar rommelig overal, we moesten het maar een beetje rooien met elkaar! Gelukkig stonden de buren klaar om boodschappen te halen, net als een vriendin en onze oudste zoon. Er staan nu zelfs 3 bosjes bloemen te prijken die ik van deze en gene kreeg.

Inmiddels zit ik ruim in de tweede week van corona. Ik sta nog steeds stil, het gaat voor geen meter. Ik word moe wakker, ga even naar beneden om brood te smeren voor de kinderen, en kruip weer terug in bed. Vaak val ik dan weer in slaap. Als ik eenmaal op ben, kost elk dingetje me energie. Ga ik te snel, dan duizelt m’n hoofd. Denk ik: ‘kom op nou!’ dan fluit m’n lijf me terug. Regelmatig vergeet ik de tijd en vergeet ik te eten. Het is een hele rare moeheid die zich in m’n lijf genesteld heeft. Als ik niet beter wist, zou ik denken aan een burn-out in plaats van corona!

Ik word nog enigszins gerustgesteld door lieve vriendinnen die het herkennen, of die collega’s hebben bij wie het precies zo is gegaan. Dat geeft enige hoop dat ik ooit weer kan hollen. M’n benen trillen nu al als ik de trap op loop! En ik denk ook aan dat Japanse Mura en Muri; wanneer er boven capaciteit geproduceerd wordt, ontstaat er overbelasting. Om dat te voorkomen moet je zorgen voor balans, niet te grote tempowisselingen en aanpassing aan je capaciteit. Vrij vertaald naar mezelf: héél rustig aan doen. Niet forceren, Genieten van de zon en onze bloemen in de achtertuin. Langzaam worden we allemaal wel beter.

Goodbye corona

Na twee jaar gedoe met lockdowns, quarantaines, avondklok en andere maatregelen, komt er eindelijk een eind aan het corona-tijdperk. Het viel nauwelijks op tussen het andere nieuws, maar minister Ernst Kuipers heeft het zelf gezegd. Over een week gaan bijna alle maatregelen vervallen. Je hoeft nu al geen mondkapje meer op in de winkels. We mogen weer knuffelen, familie en vrienden uitnodigen en overal heen zonder corona-check. Heerlijk hoor. Goodbye corona!

Wij zijn er als gezin goed doorheen gerold. Maar het venijn zit ‘m vaak in de staart… zo ook hier. Maarten kreeg als eerste een maand geleden corona. Hoewel hij 12 dagen ziek was, stak hij niemand van ons aan. Best bijzonder. Oók bijzonder was dat hij vorige week weer ziek werd en Janine snel daarna. Zij werd positief getest op corona. Maarten zou wel een gewoon griepje hebben, dachten we. Totdat hij in het weekend zieker werd en we hem voor de zekerheid ook maar lieten testen. Ja hoor, wéér corona. Dat schijnt dus te kunnen, hoor ik inmiddels vaker om me heen. De volgende hier die zich niet zo lekker voelde, was Gerard. Hij kuchte en snufte en gloeide ’s nachts van de koorts. De volgende dag dus maar weer samen naar de GGD en ook hij testte positief. De enige die tot nu toe geen corona heeft gekregen, ben ik. Last woman standing…

Ik weet niet waar ik het aan te danken heb dat ik tot nu toe gezond blijf. Heb ik een ijzeren afweersysteem, of de juiste genen? Zou dat hardlopen en wandelen meer weerstand opleveren, of heb ik gewoon geluk? Wie zal het zeggen. In elk geval is het heel praktisch als er tenminste één in huis niet ziek is. De kinderen zitten op verschillende scholen, dus moesten er twee scholen gebeld worden. Verder moest ik tig telefoontjes plegen om afspraken te verzetten met de tandarts, orthodontist, huiswerkbegeleiding en voetbaltraining. Daarnaast willen ze allemaal natuurlijk even lekker verwend worden. Ik schenk eindeloos bekers drinken in, breng kopjes thee boven, verschoon de bedden eens extra, lever natte washandjes aan tegen de hoofdpijn of zoek een doosje paracetamol. Als ze een knuffel willen hebben, krijgen ze die ook. Afstand houden van je bloedjes van kinderen is toch onmogelijk? Buiten hou ik wel afstand hoor, wees gerust. Ik vermijd drukte en groepen en wandel alleen in m’n eentje. Mijn mondkapje zit nog steeds in m’n zak als ik even een paar boodschappen moet doen.

Nu ik er bij stil sta, deze situatie was precies waar ik me al die tijd bezorgd over maakte. Een mens lijdt het meest door het kwaad dat hij vreest…En nu is het dan zo ver. Niet dat ik het leuk vind, maar tot nu toe is het te doen. Ik ben blij dat we die gevaarlijke delta-variant niet opgelopen hebben, die was nog veel gemener! Ik vind mijn gezin wel zielig hoor. De kinderen missen veel school en Gerard kan deze week niet werken, maar ja. We krabbelen er wel weer overheen.

Vanmorgen liep ik naar de teststraat van de GGD, waar we inmiddels vaste klant zijn. Toch maar even checken of ik niet toevallig positief ben. Ik werd alleen al positief van de stralende zon en het lekkere weer. Heerlijk om even buiten te zijn! Er bloeit al zoveel en het is nog niet eens lente. Crocussen, narcissen, een enkele hyacinth. Eksters zijn druk in de weer met takjes om een nestje te bouwen, duiven zitten te koeren vanaf het dak. ’s Morgens vroeg hoorde ik ook al vogels fluiten, en in de avond zingen merels hun lied, alsof er niks aan de hand is.

Over vogels gesproken, op één van mijn wandelingen zag ik mensen met grote camera’s en verrekijkers naar onze sloot turen. Eerst dacht ik dat er iemand in het water gevallen was, maar dat was het niet het geval. Er schijnt een zeldzaam vogeltje tussen het riet te zitten, de Bruine Boszanger. Het beestje komt helemaal uit Siberië! Dat geeft toch te denken! Gevlucht uit Rusland voor het oorlogsgeweld? Of deze kant op gevlogen vanwege klimaatverandering? Het is in elk geval heel bijzonder. Ik hoop dat het vogeltje zich netjes gedraagt en de anderen met rust laat… of overdrijf ik nou met vergelijkingen trekken?

PS. De dag nadat ik dit geschreven had, werd ik ziek 😉