Kampeerlief en -leed

We waren eindelijk klaar met inpakken, op naar onze vakantiebestemming! Ik was doodmoe van de dagen ervoor, maar nu ging het de goede kant op. Hoe verder naar het zuiden, hoe vriendelijker het weer werd. Het zonnetje scheen en de blauwe lucht was versierd met plukken wolken. Mooi!
We passeerden de Waal en zagen er weinig bijzonders aan, na alle wateroverlast van de week ervoor. Ik werd een beetje slaperig en zakte weg.
Met een schok werd ik wakker, er was me iets vervelends te binnen geschoten… we waren de handleiding van de vouwwagen vergeten! Stom, want zo handig waren we nog steeds niet met het opzetten van dat ding.
Gerard keek niet blij toen ik hem dat vertelde, maar zei: ‘Ze hebben toch Wifi op die camping? Dan zoeken we het wel op op internet’.

Aan het eind van de middag arriveerden we bij onze camping: een boerencamping ergens in Zuid-Limburg. Weinig toeters en bellen maar wel een prachtig uitzicht! De camping-eigenaar gaf ons een rondleiding over het terrein en legde het systeem van de toiletten uit. Als je naar de wc moest of wilde douchen, moest je een geel kaartje vóór bij de wasgelegenheid ophangen. Dit om drukte bij de toiletten te voorkomen in verband met corona. Klonk logisch, maar bleek niet praktisch. Want wat als je met z’n tweeën tegelijk naar de wc moest, met dat ene kaartje? De helft van de campinggasten vergat het kaartje sowieso, bleek later. Of je liep terug naar je tent en ontdekte daar dat je je kaartje had laten hangen, moest je weer terug de heuvel op.

Hoe dan ook, we kregen een plaatsje aangewezen waar we de vouwwagen konden opzetten. Niet boven met dat weidse uitzicht, maar onderaan, waar we tegen perenbomen aankeken. ‘Mmm’, dacht ik, ‘leuk, maar thuis kijk ik ook tegen struiken in de tuin aan’. Maar goed, niet zeuren. We hadden de Wifi-code gekregen en ja hoor, internet! Die deed het het beste bij de wasgelegenheid boven, was ons verteld. Inderdaad, totaal geen ontvangst op onze plek beneden. Ofwel: geen aanwijzingen downloaden hoe we ook alweer die vouwwagen op moesten zetten. Ik had geen idee hoe te beginnen, maar Gerard gelukkig wel. Ondertussen was de lucht dichtgetrokken en begon het te spetteren. Nee he! Zo vlug als we konden probeerden we verder te werken. De buurman achter ons – die een uur eerder aangekomen waren en dus nog wel een plek met uitzicht had – maakte een grapje, ‘Nou, als dat alles is met de regen?!’
Helaas, het was nog niet alles. Tien minuten later barstte er een onweersbui boven ons los en in no time plensde het van de regen. In no time begon onze plek aan één kant onder te lopen, en de voortent stond nog niet eens vast!
De stress bij de van Eijken liep flink op. Gerard deed zijn uiterste best om de tentstokken op de goede plek te krijgen. Maarten en ik deden ons best om de tent niet in de lucht te laten vliegen en Janine keek kauwgum kauwend toe. ‘Ik had toch geen idee wat ik moest doen’, verklaarde ze later. ‘Die #*@vouwwagen!’ riep Gerard intussen kwaad. ‘Dit is de laatste keer dat ik hem opzet, bekijk het maar!’ ‘Ja, volgend jaar kopen we een caravan,’ reageerde Maarten hoopvol. Ik zei niks.
Toen de onweersbui voorbij was, kwam de camping-eigenaar een rondje doen. Bij elke tent maakte hij een praatje. ‘Lukt het hier? ‘vroeg hij met z’n zangerige Limburgse accent, toen hij tenslotte bij ons aangekomen was. ‘Niet echt, ‘zei ik, wijzend op de waterpoeltjes pal naast de voortent. Maar Gerard zei glimlachend: ‘Het was een flinke klus, maar de tent staat!’
Ongelofelijk die man van mij. Hoe snel kan hij van gedachten veranderen? ‘Nou, net praatte je wel anders!’ kon ik niet nalaten te klagen. Ach ja, in de hitte van de strijd zeg je weleens rare dingen, vond Gerard.

De eerste nacht sliep ik ronduit slecht. De onrust zat in m’n lijf, daarbij klonk er een constant geraas in de verte. Wat was dat toch? Het bleek een drukke snelweg te zijn, die je niet hoorde als het flink regende, maar wel als het stil was. Thuis was het nog een stuk stiller. ‘Je hoort hier nog geen vogels,’ zei Gerard de volgende morgen. ‘Alleen maar vliegtuigen’. We bleken niet ver van een vliegveld te zitten, zagen we later op de kaart. Maar gelukkig scheen de zon en stond er een lekker briesje. Zo kon de tent flink doorwapperen en konden wij lekker bijkomen. Maar ik ergerde me toch nog aan het uitzicht dat er niet was.

‘Zeg Gerard’, begon ik. ‘Hoe vind jij de tent staan?’
‘Best’, zei hij.
Ik vond het helemaal niet best. Als we de tent nou een kwartslag zouden draaien, keken we wel mooi de diepte in. Die perenbomen was ik al zat. Nu was alles in de tent toch nog een rommel, en hoe lang kon het nou duren voor we dat gefikst zouden hebben? Ik kreeg er helemaal zin in. Zuchtend gaf Gerard uiteindelijk mijn zin, met de ervaring dat ik er anders toch niet over op zou houden. We waren weer uren bezig die dag, maar uiteindelijk stond de hele mikmak op z’n plek. Ik was superblij!

Inmiddels is het alweer een week verder. Het is hier heerlijk! Ik voelde me vanaf dag 2 al relaxed. Dat uitzicht krijg je sowieso wel mee, aangezien je voor elk flesje water of wasbeurt ‘naar boven’ moet lopen. Het internet doet het het beste in de schuur, hebben we ontdekt, waar boven je hoofd een mama en papa zwaluw hun hongerige jonkies af en aan voer. En verder… dat schrijf ik in de volgende blog.

Ik ga op reis en neem mee

Als ik dit zeg, weten onze kinderen meteen van wie die uitspraak komt. Deze gevleugelde uitspraak is van… hun vader. Die roept dat al jaren te pas en te onpas. Bezorgd als hij is dat hij zelf iets vergeet, prentte hij onze kinderen in, dat ze altijd heel goed na moesten denken of ze alles wel bij zich hadden wat belangrijk was. Zoals: hun huissleutel, fietssleutel, reservelampje voor het geval hun lamp het begaf, flesje water, geld of pinpas, mondkapje… Dat laatste natuurlijk pas sinds corona in den lande is.

Zelf kende ik het vooral als spelletje, dat wij als gezin vroeger in de auto deden of in de bus op schoolreisje. Iedereen nam iets in gedachten wat hij of zij mee zou nemen op vakantie. Dat mocht iets nuttigs zijn zoals regenlaarzen, maar iets geks was natuurlijk veel leuker: spruitjes!!! En dan zei je om de beurt wat je mee wilde nemen, waarna je geacht werd dat te onthouden. Want als je daarna de beurt kreeg, moest je de hele serie op zien te noemen van wat degenen vóór jou mee wilden nemen en dat kon weleens een hele rij zijn als je met veel mensen was. “Ik ga op reis en ik neem mee: een koffer, kleren, snoep, de poes, mijn ouders…” enzovoorts.

Over veel meenemen gesproken; wij gaan bijna op vakantie en wat moet een mens dan toch veel meenemen! Helemaal als je gaat kamperen; dat doen wij dus. Met een vouwwagen weliswaar, maar dan nog. Kleren voor alle soorten weer, slippers, wandelschoenen, regenkleding, petjes. Dat is allemaal nog niet zo moeilijk. Maar iedereen jaar moet ik weer bedenken wat er ook alweer in die vouwwagen zit… een blikopener bijvoorbeeld of een zakmes? Zaten er nou wel of geen mokken in? En hadden we een afwaskwast voor in de vakantie of pak ik die van thuis?

Dan nog allerlei andere zaken als rijbewijs, autopapieren, EHBOspullen, slaapzakken, vuilniszakken, zaklampen, een vergiet voor de groenten. Etenswaren natuurlijk, anders moet je na een lange vermoeiende reis ook nog meteen achter eten aan ook. Last but not least nog de nodige dingen om te ontspannen! Want daar komen we uiteindelijk voor… Badmintonsetje, jeu de boules, veel leesboeken, zwemspullen. En voor de hele familie gaan de mobieltjes mee, dus iedereen z’n eigen oplader. Misschien een laptop of toch maar niet?

Het inpakken verloopt hier altijd volgens hetzelfde patroon. Ik ben er dagen van tevoren al een beetje onrustig van, Gerard niet. Ik leg stapeltjes kleding en schone was klaar, Gerard gaat een kast opruimen of tv kijken. Meestal presteert hij het om op de dag zelf pas zijn tas in te pakken, maar dat heb ik hem verboden dit jaar. Hij regelt de zakelijke dingen en zoekt spullen op zolder op waarvan ik niet eens meer wist dat we die hadden. Als ik denk dat we alles hebben, komen altijd de vragen waar ik geen antwoord weet…’Waar is de eurostekker? Waar liggen de vliegenmeppers?’ En zo tobben we lekker door.

De katten moeten verzorgd worden, de duiven ook, de plantjes moeten zo nu en dan water, de containers moeten door anderen aan de weg gezet worden, enzovoorts enzovoorts. Ik regel me weer rot!

Als ik Gerard opjaag, trekt hij zich daar niets van aan. Hij vraagt hooguit of ik een keer rustig wil ademhalen. Als mijn energie plotseling op is, blijft hij rustig zitten. Ga ik uitgeput naar bed, is hij nog dingen aan het zoeken of gewoon iets leuks op Twitter aan het lezen. De bijdrage van onze tieners in dit proces is ook voorspelbaar: op hun kamer zitten, hun tas inpakken en zich eraan ergeren dat het allemaal zo lang duurt. ‘Hoe laat gaan we weg?’ vragen ze tien keer. ‘Ik weet het niet!!’ roep ik tien keer terug. Maar uiteindelijk komt alles goed. Ik heb geleerd om me er niet al te druk meer over te maken, niet te klagen of te ruziën (okay, behalve als we twee uur later dan gepland nóg niet weg zijn).

Ik kijk er elk jaar naar uit, die vakantie, maar ik geniet er pas van als we op de camping staan. Totdat ik ook daar rusteloos word en vind dat we wat moeten gaan doen. En het komt nogal eens voor dat niet iedereen daarop zit te wachten 😦

Weet je wat ik ga doen? Ik ga gewoon veel lezen, wandelen en leuke dingen voor mezelf doen daar. En dan zie ik wel wie mee wil. We gaan er met elkaar een relaxte tijd van maken deze zomer!

Hoogwater

Ik koester me vandaag in de warmte van de zon. Mijn dochter van 11 zit bij de kapper en ik zit lekker buiten op een bankje. Heerlijk! Mensen lopen af en aan naar het centrum van ons stadje en iedereen kijkt vrolijk. Het lijkt wel een maand geleden dat het mooi weer was! Het was zo somber de laatste tijd. Somber weer en sombere gebeurtenissen… met als toppunt – of beter gezegd dieptepunt – afgelopen donderdag. Wat gebeurde er toch allemaal?

Met ingehouden adem kijk ik naar het water dat onder de brug doorraast. Wat een snelheid! En wat ziet het er vies uit! Het heeft hard geregend en dan stroomt de boel, stort het riool, over. Een meisje van een jaar of 15 maakt er foto’s van. ‘Ik zag net nog een waterhoen en ineens is ‘ie weg. Zou die het wel overleven?’ vraagt ze zich bezorgd af. Ik denk het wel, het is tenslotte een watervogel. Ik maak ook foto’s en hoop dat het niet weer zo gaat stinken als de vorige keer, enkele weken geleden. Toen had het ook zo geregend, met als gevolg dagenlang stinkend water in de sloot achter ons huis. De riooloverstort treedt dan in werking (zodat het water uit het riool niet via alle WC’s de huizen binnenstroomt…).
Nee, ik heb het niet over de wateroverlast in Limburg. Dit mini-waterleed speelt zich af in mijn eigen straat. Wageningen nog wel, waar een groen en schoon milieu toch hoog in het vaandel staan! Maar net de sloot die achter onze tuin loopt, is zo ongeveer het afvoerputje van de stad. Een niet zo makkelijk op te lossen probleem, aldus het Waterschap. Zolang we hier wonen (25 jaar) is het niet opgelost.

Met verbijstering kijk ik later naar de beelden op tv: Zuid-Limburg is half overstroomd, en in Duitsland en België zijn doden gevallen door kolkende watermassa’s. Wat?? Gebeurt dit echt zo vlakbij? Dat is nog wel even erger dan die stinksloot van ons!
Een paar dagen geleden had familie van me in Duitsland al geappt over de bakken met regen die daar naar beneden kwamen. Gerard volgde de weersberichten op de voet en zag dat er nog meer regen werd verwacht. Ik luister altijd maar half naar die voorspellingen. Eerst zien, dan geloven. Maar hij had gelijk, het werd waarvoor ‘Kachelmannwetter’ gewaarschuwd had en nog veel erger ook! Ik kijk naar foto’s van het district Ahrweiler, dat zo zwaar getroffen is. Een foto van een dorpscentrum vóór de overstroming en hetzelfde centrum na de overstroming. Ongelofelijk. En dan de ravage in de straten nadat het water is gaan zakken, ook ongelofelijk.
Wij zouden gaan kamperen in Zuid-Limburg, dat leek ons leuk. Nou sorry, ik heb het afgezegd. Ik kan daar, in een rampgebied, toch niet gezellig gaan zitten recreëren, ook al bestaat de kans, dat de campings weer droog zijn over een week?

‘Heb je het al gehoord?’ vraagt Gerard dezelfde middag. ‘Wat, nog meer overstromingen?’ zeg ik. ‘Nee dat niet, maar Peter R. de Vries is overleden…’
Oh nee! Hij vocht hij al dagen voor zijn leven. Juist omdat we er zo weinig over hoorden, hoopte ik dat hij het ging overleven. En nu toch dood…Ik had het niet verwacht. Sowieso niet verwacht dat hij ineens neergeschoten zou worden! Zo’n bijzondere man, die zich als een terriër vastbeet in zaken waar anderen geen brood van lustten. Ik volgde niet alles, maar had echt bewondering voor wat hij deed. Hij pepte mij met zijn stem ooit persoonlijk op. Dat was in een tijd dat ik zwaar werk deed en niet wist hoe ik de uren door moest komen. Maar als de tv daar aan stond op RTL en ik hoorde zijn enigszins nasale stem, dan voelde ik me weer een stuk beter. Heel apart, net de toon die ik blijkbaar nodig had, me het gevoel gaf van: ‘Het komt wel weer goed’. Ongelofelijk dat we die stem nu nooit meer gaan horen, ik werd er droevig van. Mistroostig staar ik naar buiten door het zolderraam, naar de miezerregen die alles klets- en kletsnat maakt.

‘God, heeft U een hekel aan ons?’ denk ik opstandig. ‘Moeten we als rijke westerlingen ook maar weer eens rampen meemaken, net als de rest van de wereld? Was of is Corona nog niet genoeg?’
Nee, zo moet je niet denken, zeg ik tegen mezelf. Overal zijn ziekten en rampen, ook bij ons. Het regent zogezegd over goeden en kwaden. Maar dat zegt niets over de Eeuwige, dat Hij een hekel aan mensen heeft. Is het trouwens niet eerder andersom?

Vandaag bereikte het water zijn hoogste punt in Roermond. Ook meer in het zuiden is het gevaar van overstromingen nog niet geweken. In Duitsland en België worden nog steeds mensen vermist. En ik zat daar op het bankje in de zon, koesterde me in de warmte en genoot er met volle teugen van. Even rust, al is er zoveel wat me onrustig maakt. Ik zou niet weten hoe ik het anders aan zou kunnen, als ik die geluksmomentjes niet had.

De tweede prik

Even ter geruststelling, dit is geen blog over wel of niet laten inenten tegen Covid. Dat moet je zelf beslissen. En in tegenstelling tot onze regering, vind ik het niet asociaal als je het niet doet. Mijn eigen man bijvoorbeeld begint er voorlopig niet aan, en genoeg andere verstandig denkende mensen in mijn omgeving ook niet. Dus… relax! Maar ik heb me wel laten prikken. Dus als de hele familie hier ziek wordt, kan ik vast goed voor ze zorgen.

De eerste prik viel me al tegen. Ik ben helemaal niet zo kleinzerig of bang voor een ‘prikje’. Maar ik werd spontaan zenuwachtig van de hele entourage daar. Het prikken vond plaats in een grote hal met een waardeloze akoestiek. Het was er warm, mensen die moeilijk deden, druk heen en weer lopende medewerkers van de GGD met mobilofoons in hun handen. Na een poosje was ik dan aan de beurt. Gewapend met de woorden van mijn vader en broer in het achterhoofd: ‘Het stelt niks voor, je voelt er niks van’ stak ik dapper mijn arm uit. Auw! Het deed toch wel even zeer. Na afloop moest je een kwartier rustig zitten. Ik voelde me naar en begon zomaar te huilen… waarop een lieve medewerkster van de GGD me meenam naar een aparte ruimte. Daar kon ik rustig bijkomen en even mijn verhaal kwijt. Ik mocht net zolang liggen tot ik me weer lekker voelde. Ze vond het maar niks dat ik alleen de auto in moest, maar ik kon haar overtuigen dat het echt weer ging.

Thuis deed ik rustig aan. Dezelfde dag kreeg ik verhoging, mijn arm was erg pijnlijk en stijf en ik was een paar dagen ontzettend moe. Maar daarna ging het wel weer.

Ik ging er opgewekt heen, nu wist ik tenminste wat me te wachten stond.

Afgelopen week reed ik naar dezelfde locatie voor mijn tweede prik. Ik ging er opgewekt heen, nu wist ik tenminste wat me te wachten stond. Inmiddels had ik veel verhalen gehoord van anderen, hoe die zich na afloop voelden. De één had bij de eerste prik nergens last van en werd na de tweede beroerd, de ander kreeg beide keren hoofdpijn en weer anderen hadden nergens last van. Nou ja, een beetje stijve arm. En als ik artikelen lees over de bijwerkingen, zijn die niet eens een bewijs of je immuunsysteem het beter of slechter doet. Gewoon anders.

Er werd me voorgesteld om me liggend te laten vaccineren, wat me wel een goed plan leek. Evengoed deed die prik weer zeer, au! ‘Au?’ vroeg de medewerkster van de GGD verbaasd. ‘En ik doe het heel zachtjes!’ Dat deed ze ook en ik geneerde me, maar het deed domweg pijn.

Even later zat ik net als de eerste keer in de bijkomruimte. Deze keer stonden er gelukkig wat ventilatoren aan. Ik keek naar de mensen tegenover me die stoïcijns op hun mobiel bezig waren. Ik voelde me erg moe en deed m’n ogen even dicht. Al snel kwam er een medewerker van de GGD kijken. ‘Gaat het wel goed, mevrouw?’ ‘Ja hoor, ik ben alleen maar een beetje moe’, zei ik. En dat was ook zo. Maar een paar minuten later stond een tweede medewerkster van de GGD voor me. ‘Hee, ik zie een bekend gezicht!’ zei ze vrolijk. Het was dezelfde die me de vorige keer huilend aantrof. ‘Gaat het wel? Kom je weer even liggen…?’

Ik heb me maar mee laten nemen, gammel en wel. Mopperend dat ik niet flinker was, had ik nou zes bevallingen doorstaan? Daar stelde dit toch niets bij voor?! Maar dat was iets heel anders, stelde een verpleegkundige die even binnenkwam, me gerust. Een bevalling had iets met oerkracht te maken enzo, niet iets om te vergelijken. Bovendien vielen zelfs bomen van kerels flauw, en ik voelde het tenminste nog aankomen!

De GGD-medewerkster liet me lekker liggen, ook toen ik onrustig werd en vond dat het maar over moest zijn. ‘Ben je weer alleen?’ vroeg ze terloops. Eh ja. Ik wilde het Gerard niet aandoen om niet te weten hoe lang het allemaal ging duren, en liever ook niet toegeven wat een zenuwpees ik was… Alsof hij dat niet allang weet! Maar de vrouw begreep het wel en voerde me druivensuiker. Uiteindelijk liep ze tot de uitgang met me mee. Ze wenste me succes. ‘Gauw de frisse lucht in!’ Dat deed ik, dankbaar voor de goede zorg die ik daar gekregen had.

‘Het ergste heb ik nu wel achter de rug’.

Opgelucht kwam ik een tijdje later thuis, waar Gerard me vrolijk begroette. ‘Zo, leef je nog? zei hij. ‘Ja hoor, zei ik, ‘het ergste heb ik nu wel achter de rug’. Ik had wel een pijnlijke arm en was moe, maar geen verhoging. Dus ging ik ’s avonds nog even gezellig naar een verjaardag van een vriendin (buiten en op veilige afstand onderling). En zowaar voelde ik me daar beter! Het viel me wel op dat ik ontzettend zware armen en benen had, maar de gezelligheid deed me goed. Totdat ik ’s nachts wakker werd met zware hoofdpijn en koorts…

De volgende ochtend voelde ik me zo ellendig, dat ik bijna flauw viel tijdens het tafeldekken. Net op tijd bereikte ik de bank, waar ik een hele poos zwetend en rillerig heb gelegen. De rest van de dag bracht ik slapend en ziek door. Helemaal niet gezellig voor de kinderen, dacht ik tussen mijn slaapjes door. Gerard nachtdienst en ik ziek. Gelukkig konden Maarten en Janine het wel aan.

Inmiddels weer een dag verder heb ik het ergste nu wel gehad, hoop ik. Al zit ik om 4 uur ’s middags nog in pyama en probeer ik al de hele dag energie te verzamelen om te douchen… om maar niet te spreken over m’n verdwenen eetlust. Ik pieker er niet over om ook nog een derde prik te laten zetten! Maar goed, deze hobbel is genomen. En nu heeft Gerard hoofdpijn, door zijn verstoorde dag-nachtritme… Ook niet fijn. Lang leve de paracetamol bij familie Van Eijk. Maar ook: lang leve de rust die ik durf te nemen! Dat is jaren wel anders geweest. Dus ik ga maar weer slapen, na de krachtsinspanning van een blog schrijven.

Santé!

P.S. Ik zat bij 1,3 miljoen mensen die het Moderna-vaccin kreeg. Vraag me toch wel af of het met een ander vaccin anders was gegaan.

Pubers in de badkamer

Op de dag voordat Oranje door Tsjechië werd verslagen op het EK (snik snik) kreeg Gerard een boek van onze oudste dochter. Het was nog een verlaat kadootje voor Vaderdag, en het kwam met de post.
‘Handboek voor beginnende puberouders’, las Gerard voor. Hij was er blij mee, al leest hij volgens mij gemiddeld meer tweets dan boeken. Zelf was ik verrast over de titel. Schat Irene ons -ervaren ouders- nog in als beginnende puberouders?? Maar het boek zag er leuk uit. Bovendien valt er natuurlijk altijd wat nieuws te leren, ook als je puber nummer 5 en 6 in huis hebt.

Maarten is nu bijna 14 en Janine bijna 11. Ze kunnen goed met elkaar opschieten, dat is heel fijn voor ons als ouders. Maar over één ding in huis hebben ze toch wel vaak ruzie. En dan gaat het over: de badkamer. Om precies te zijn: wie zit er in.

We hebben hier ooit met z’n achten in huis gewoond toen Janine net geboren was. Met een baby, peuter, twee schoolkinderen, één middelbare scholier en een aankomend studente, zou je denken dat de badkamer toen non-stop bezet was. Ik kan me dat echter helemaal niet herinneren. En nu zijn we nog maar met z’n viertjes, en nu is er elke dag discussie over die badkamer!

Ochtendritueel

Zoals de meeste huishoudens, hebben wij zo ons ochtendritueel. Gerard staat meestal als eerste op. Hij dekt de tafel, zet een pot thee en gaat de krant lezen. Ondertussen check ik of Maarten wakker is. Die gaat erg efficiënt met zijn tijd om. Ofwel zo lang mogelijk in bed, zo kort mogelijk aan tafel, gauw naar de badkamer en dan snel naar school. En intussen kijkt hij voetbal op zijn mobieltje… Ik smeer zijn brood dat mee naar school moet en vul zijn fles met water. Belachelijk eigenlijk, daar had ik bij de oudste vier niet eens tijd voor! Dan kreeg Janine net borstvoeding, of moest ik Maarten helpen aankleden.
Maar goed. Op X moment elke ochtend moet Maarten de badkamer in. Om zijn tanden (met beugel) te poetsen, gel in zijn haar te doen en…naar de wc te gaan. Wij vragen de kinderen dat laatste liever beneden te doen, zodat het voor de volgende die in de badkamer komt dan frisser ruikt. Maar Maarten vergeet dat weleens. Dat leidt tot klacht nummer 1 van Janine: ‘Getver, wat stinkt het hier! Maarten zeker weer!’
Andersom ergert Maarten zich groen en geel aan zijn zus die helemaal niet efficiënt met haar tijd om gaat. Althans niet met de tijd in de badkamer. Ze zit daar rustig twintig minuten van alles en niets te doen. Meestal met koptelefoon op, zodat ze ook niet hoort dat Maarten in de badkamer wil.

‘Schiet eens op, ik moet zo naar school!’ roept hij bijna elke morgen in de gang. ‘Wat?’ roept Janine terug, niet erg geïnteresseerd. ‘Schiet eens o-hop, ik moet naar school!’ ‘Dat is jouw probleem’, moppert ze, ‘Moet je maar eerder opstaan!’ Maar als Maarten op de deur gaat bonzen of wij ons ermee gaan bemoeien, doet ze -langzaam- de deur open. Maarten klaagde er pas over tegen mij aan het ontbijt. ‘Kan dat kind nou nooit eens opschieten? Ze zit er altijd net in als ik naar school moet’. Onnadenkend gaf ik hem eerst nog gelijk ook. ‘Ja Janine, hou eens rekening met je broer’. Totdat ik bedacht dat Maarten het zelf ook wel op kon lossen, bijvoorbeeld door zijn tandenborstel alvast uit de badkamer te pakken vóór het ontbijt. Er is tenslotte nog een wastafel in huis. Dat idee werkte een paar dagen, totdat hij het vergat en voor het gemak heel dat tanden poetsen maar oversloeg. Geen tijd!

Ergernissen

Mijn ergernis punt is dat mijn pubers altijd handdoeken op de grond gooien. Fijn op zich dat ze hun handen wassen, maar dan hoeft die doek toch niet steeds op de grond ?! Net als hun kleren trouwens. Die liggen binnenstebuiten overal en nergens in hun kamer, of op de vloer van de badkamer. Hoe moeilijk is het om die vuile kleren in de wasmand te gooien?! Onze badkamer is niet zo groot, dat je de wasmand nergens kunt vinden…
Gerard heeft weer een ander punt van ergernis. De deur van de badkamer klemt, wat op zich niet aan onze kinderen ligt. Maar voor elk wissewasje daar wordt die deur hermetisch afgesloten, met veel gebonk dus. ‘Doe eens wat zachter met die deur!’ roept hij vaak. ‘Eerst de deur naar je toe trekken, dan de klink omlaag en dan pas op slot draaien!’ Helaas, dat advies is aan dovemansoren gericht.

Nou ja, genoeg hierover. Over een paar jaar zijn ze het huis uit, en verlang ik misschien wel terug naar die badkamerperikelen. Voorlopig doen we het er maar mee. Met pubers in huis is het nooit saai, zeker niet met die leuke twee van ons!

De boekenkast

Een jaar geleden stonden we voor een groot project: de benedenverdieping moest leeg. Dit vanwege een nieuwe vloer plus keuken. Dat was een enorm karwei (zie ook eerdere blogs, zoals “Weggooien is zonde“, en “Opruimen in coronatijd“).

Inmiddels zijn we een jaar verder. Beneden is het picobello, maar boven zijn we nog steeds niet klaar! Er is al veel weggedaan, maar sommige dozen blijven maar staan. En wat zit daar allemaal in? Boeken, cd’s en foto’s. En dan heb ik het niet over een paar, nee honderden boeken, honderden cd’s en nog een paar duizend losse foto’s. Plus dertig fotoalbums.

De oplossing van Gerard is eenvoudig: gewoon in dozen laten staan. Maar dat vind ik heel ongezellig. Ik moest maar eens achter een boekenkast aan, dacht ik, en misschien ook wat cd-rekken zoeken. En eigenlijk ook nog een bureau, want die hadden we ook hard nodig. Ik ben niet zo van Marktplaats, dus ik stapte op de fiets naar een tweedehandswinkel in de buurt. Wie weet wat ik daar aan zou treffen.

Bij de eerste winkel verdwaalde ik bijna, zo’n grote zaak. Boekenkastjes zag ik er niet, helaas ook maar één bureau. En heet dat het daar was! Ik viel zowat flauw van de hitte, hoe hielden die mensen het hier uit met alleen een plafondventilator? Gerard zou er onmiddellijk een groen dak van maken…

Bij de tweede winkel zag ik welgeteld ook maar één bureautje, en die was niks. Er stonden gigantisch veel hoge boekenkasten, allemaal tot de nok vol met boeken. Dat schoot ook niet op. Ik besloot naar huis te gaan, het was die dag veel te warm om verder te zoeken naar meubilair.

Een dag later was het een stuk aangenamer, dus pakte ik m’n fiets weer en ging naar tweedehands winkel nummer 3. De keuze was hier reuze; nou ja, er stonden in elk geval ontzettend veel kasten. Een gammel uitziend boekenkastje voor 5 euro trok mijn aandacht. Vijf euro, dat was goedkoop! Maar het ding zag er wel erg gebruikt uit. Ik twijfelde. Voor het geld hoefde ik het niet te laten, maar het oog wil ook wat. Tja, eerst nog maar even koffie drinken thuis.

’s Middags ging ik nog eens kijken. Dit keer met meetlint (tip van Gerard). Het kastje van 5 euro was al verkocht. ‘Wat dacht u dan mevrouw?’, zei de verkoper. ‘Zulke dingen zijn zo weg! Maar ik heb nog wel een paar andere mooie houten kasten voor u staan.’ Hij liet me die ‘mooie kasten’ zien. Best aardig, vrij groot en praktisch, maar veel butsen en verkleuringen. ‘Ik doe hem weg voor 75 euro’, zei de verkoper alsof het niks was. ‘Ik denk er nog even over na’, antwoordde ik diplomatiek.

Buiten had ik binnen een paar minuten mijn beslissing al genomen: nee, die kast werd het niet. Op naar kringloopwinkel nummer 4. En geloof het of niet, ik kwam daar binnen en zag meteen een kast staan die me beviel! De prijs beviel me ook, dus ik kocht hem. Er stond ook nog een grappig cd-rek voor een paar euro, hup die er ook maar bij. De enige uitdaging was nu nog de spullen thuis te krijgen. Vrolijk fietste ik naar huis en vertelde Gerard wat ik gekocht had. Ik was helemaal enthousiast. Of hij meteen maar even mee wilde met de auto naar die winkel, samen was het vast zo gedaan…

‘NU?’ zei Gerard, ‘daar heb ik helemaal geen zin in. En hoe groot is die kast precies?’

Eh nou… helemaal vergeten daarop te letten. ‘Wat, heb je niet eens gemeten hoe hoog en breed dat ding is?? Hoe weet je dan of die in de auto past?!’ ‘Dat past heus wel’, zei ik met enige bluf. We kunnen de achterklep toch open laten en de boel goed vastbinden?’ Gerard keek moeilijk. ‘Ga jij eerst maar eens in de auto meten hoe hoog die van binnen is.’ Dat ging ik dus maar doen, ondertussen mopperend op Gerard waarom hij altijd zo moeilijk deed. En ook een beetje op mezelf, dat ik vergeten was de maten op te nemen… Maar ik was vastbesloten om die kast die dag in huis te hebben, dus klapte ik alle stoelen naar beneden (behalve de voorste), zocht even in de schuur naar touwen of elastiek, vond een tas met bruikbare touwen en ging Gerard halen. ‘Ga je mee?’

Doodse stilte in de huiskamer… hij was in slaap gevallen (nachtdienst). ‘Nou,’ dacht ik, ‘laat ook maar. Ik los het net zo makkelijk zelf op.’ En zo reed ik naar de tweedehandswinkel in de stad en parkeerde de auto op de stoep. Toevallig zag ik een kennis lopen die bij die winkel bleek te werken. Kwam dat even goed uit! Ik had geen idee hoe zwaar die kast was, maar hij wilde wel helpen om de kast in onze auto te krijgen. Ik hoefde niet eens te sjouwen, dat deden twee mannen voor me. Ideaal.

‘Nu moet ‘ie nog vastgebonden worden,’ zei de ene man. ‘Heb je touwen of fietsbanden bij je?’ Ik had genoeg touwen, dat dacht ik althans. ‘Nee dit is een trekkabel’ zei mijn kennis droog. Maar daaronder zaten ook nog wat touwen die wel bruikbaar waren. Ik had ook bedacht twee dekens mee te nemen tegen het schuiven en stoten. Anders kreeg ik daar weer ruzie over met Gerard, dat er krasjes op de lak zaten of zo. Ik was trots op mezelf, het leek er echt op dat mijn spontane actie ging slagen!

‘Zo kun je niet rijden hoor, de deken hangt voor de nummerplaat”, waarschuwde de man van de winkel gelukkig. O ja. Ik propte de deken goed vast en bond de kast nog extra vast in de auto. Volgens beide heren moest het prima lukken. Maar toen pas kreeg ik de zenuwen…

Stel dat die kast ging schuiven en er een auto tegenaan botste? Dan werd het een hoop ellende. Of stel dat er net een fietser achter me zou rijden en dat die bedolven zou worden onder mijn kast? Helemaal doffe ellende! Of stel dat… ik durfde ineens niet meer te rijden. Twijfelend keek ik nog eens naar het geheel. Zou ik Gerard opbellen? Nee dat had weinig zin, die zou de telefoon waarschijnlijk niet eens horen. ‘Nou kom op’, sprak ik mezelf toe, ‘gewoon maar proberen!’

Ik deed een schietgebedje en reed heel zacht het straatje uit. Nog steeds niet helemaal overtuigd stopte ik even en vroeg aan een stelletje of de kast echt nog vast zat tussen de achterklep. ‘Volgens mij zit ie zo vast als een huis,’ zei de man. Nou, doorrijden dan maar, maande ik mezelf aan. In slakkengangetje reed ik door de binnenstad, ondertussen angstig in de spiegels kijkend of de kast echt niet ging schuiven. Er zat wel wat speling bij de achterklep, merkte ik toen ik over verkeersdrempels moest. Toch niet zo vast als een huis. Auto’s achter me bleven op veilige afstand gelukkig, maar voor de zekerheid hield ik de kast toch met één hand vast. Oef…

Met kramp in m’n armen en bibberende benen kwam ik zonder brokken thuis. Yes, het was gelukt! Snel de auto uit en Gerard halen. Die had niet eens gemerkt dat ik weg was… ‘Waar kom jij vandaan?’ vroeg hij slaperig. ‘Nou, ik ging toch een boekenkast halen!’ zei ik. ‘Kom maar mee, hij moet de auto uit.’

Met grote ogen van verbazing liep Gerard mee naar buiten. ‘Hoe krijg je het voor elkaar?!’ zei hij. Gelukkig kon hij mijn actie toch wel waarderen. Maar niet zonder plagend te zeggen: ‘Heb je wel gemeten of die kast door het trapgat kan? Ik denk het niet hoor…’

90 – deel 2

Er was een tijd dat mijn vriendinnetjes en ik onze ouders hopeloos oud vonden. Eén noemde haar vader geringschattend ‘die ouwe’, een ander had het altijd over ‘de ouwelui’ als het over haar ouders ging. Per definitie vonden we hen dom. En dan die leraren van ons, die waren helemaal suf en bejaard! Terwijl ze misschien 30 waren, of 40. Maar ja, zo kijk je naar volwassenen als je tiener bent. Mijn eigen tieners doen hetzelfde, die vinden ons ook VERSCHRIKKELIJK oud. En zo voel ik me ook weleens, eerlijk gezegd. Maar we zijn nog lang geen 90, dan heb je pas echt recht van spreken! Aldus mijn vader, 90 jaar is pas echt oud.

Hoe verliep zijn verjaardag verder ’s middags? Het begon met een middagdutje, mijn vader binnen op een stoel en Gerard buiten. Net toen ik de afwas had gedaan en ook slaperig werd, schrok mijn vader wakker. ‘Wat, is het al zo laat?’ mompelde hij. ‘Snel de zonneschermen boven laten zakken!’ En voor ik hulp aan kon bieden, was hij alweer naar boven.

Gelukkig kon ik mijn hulp al snel op ander vlak aanbieden. Om drie uur stond de middagvisite namelijk al op de stoep, en die wilden graag thee. ‘Thee?’ herhaalde mijn vader verbaasd, terwijl hij op zijn horloge keek. ‘Ja wat dacht jij dan, dat we nu al aan de wijn wilden?’ grapte er eentje. ‘Nee nee’, haastte mijn vader zich te zeggen, ‘maar ik drink zelf nooit wat om deze tijd. Soms vergeet ik heel de middag wat te drinken.’ Hoofdschuddend hoorden ze het aan. ‘Je moet veel drinken, dat weet je toch wel?’ ‘Ik drink genoeg’, zei mijn vader. ‘ Anders was ik toch geen 90 geworden!’ En hij weigerde dan ook consequent thee te drinken, al boden we het diverse keren aan.

De middagvisite bestond slechts uit twee oude dames, die zolang ik me kan herinneren al op de verjaardag van mijn ouders kwamen. Vroeger zat heel de kamer dan vol met vrienden, buren en familie. Nu was daar nog maar een klein clubje van over. Mijn moeder leefde allang niet meer, mijn stiefmoeder was anderhalf jaar geleden overleden, de vroegere buren waren overleden, en een paar tantes en een oom en de mannen van deze dames waren ook gestorven.

Evengoed zat de sfeer er direct in. De één (89) met haar arm in een mitella, gaf mijn vader een cadeautje. ‘Hier, een doosje chocola. Daar hou jij toch zo van? ‘ Aan haar vrolijke grijns was te zien dat ze hem beetnam, maar mijn vader deed of zijn neus bloedde. ‘Nee maar, dat had je toch niet hoeven te doen!’ zei hij even later verrast, terwijl hij een doosje aftershave in zijn handen hield. ‘Heerlijk!’ Mijn vader houdt helemaal niet van chocola, en dat wist die vrouw natuurlijk best.

De andere vrouw (84, nog jong dus) was op de fiets, zodat ze niet met een zware tas hoefde te sjouwen. Zolang ik haar ken, heeft ze al een zwakke rug. Haar man, een beer van een vent, was twee jaar geleden overleden. Ze mist hem nog dagelijks, en niet alleen vanwege het sjouwen wat hij altijd van haar overnam… ‘Meid, wat heb je allemaal meegenomen?’ vroeg mijn vader aan haar. Ik geloof dat het twee flessen wijn waren. Er stonden er al zes bij zijn cadeaus, maar ook deze werden er dankbaar bij gezet. Vroeg of laat kwam het allemaal wel op. Mijn vader drinkt al jaren een glaasje wijn bij het eten. Hij heeft ooit zelfs een wijnproefcursus gedaan, samen met mijn moeder.

De gewoonte van een wijntje drinken, was ontstaan in een zomervakantie in Frankrijk. Onze auto was kapot gegaan onderweg en stond zo’n beetje drie weken in een garage. Desondanks was het een heerlijke vakantie. Mijn ouders kwamen toevallig andere Sassemers tegen, en daarmee zaten ze middagen- en avonden voor de tent. Ook andere Nederlanders haakten aan, en er ging aardig wat wijn doorheen. Wijnglazen hadden ze natuurlijk niet, maar uit lege potjes jam of Nutella kun je ook prima wijn drinken! Ze waren erg vrolijk (en lui) die vakantie. Waar ze normaal allerlei tochtjes planden, konden we nu nergens heen. En ik genoot ervan! Kon ik tenminste lekker zwemmen en een beetje rondzwerven rondom de camping met andere kinderen. Pa en ma letten toch niet op. Oh die goeie oude tijd…

Terwijl de dames en mijn vader door keuvelden, ging de telefoon een paar keer. Er staan twee telefoons in de huiskamer. Een draadloze in de voorkamer en een vast toestel in de achterkamer. M’n vader liep elke keer RUSTIG naar die vaste telefoon, die het verste weg stond dus. ‘ Anders versta ik er niks van, ‘zei hij later toen wij vroegen waarom hij die andere niet pakte. Ondertussen kwam er nog meer bezoek via de achterdeur; mijn broer met zijn twee kinderen.

‘Nou nou, wat is het hier druk!’ reageerde broerlief verbaasd. Zijn dochter (23) feliciteerde opa en stoof toen spontaan op mij af. ‘Ha tante Rineke, lang niet gezien!!! Ben je al ingeënt?’ vroeg ze. ‘Nee, morgen’, antwoordde ik. ‘Nou, ik ben tig keer negatief getest, dus ik geef je een knuffel hoor!’ zei ze vrolijk. ‘Ik ook’, zei mijn neef (18) droog. ‘Die anderhalve dag maakt toch niks meer uit.’ Hij gaf me ook een hug. Heerlijk, wat had ik dat gemist!

Mijn broer telde ondertussen het aantal hoofden in de kamer. ‘Best wel druk hier’, zei hij nogmaals. Inderdaad waren we al ver over het door de overheid geadviseerde aantal gasten. Maar mijn vader maalde er niet om. ‘Dat telt vandaag niet’, zei hij met een ondeugende lach. ‘Ik ben 90 en wie weet is dit wel mijn laatste verjaardag’. Daar moest ik even niet aan denken…

Vlak voordat Gerard en ik weg wilden, ging de telefoon weer. Het was mijn zus die in Amerika woont. Ze vroeg mijn vader snel de laptop op te starten, zodat we een conference call konden houden met elkaar. M’n broer uit Duitsland was ook al digitaal aanwezig. Maar helaas, het lukte niet. M’n vader was niet snel, en zijn laptop ook niet. Terwijl m’n zus aanwijzingen gaf (‘Kijk dan in de Inbox, daar staat de uitnodiging!’) gaf mijn vader het op. Ik kon het ook niet vinden. Broer Peter nam de telefoon over. ‘Dit werkt niet’, zei hij kort en bondig’. ‘Bel anders via Whatsapp, dan kunnen jullie ons toch ook zien?’ En zo geschiedde.

Hoogste tijd om op te stappen, ik was erg moe en het werd laat. Mijn vader was ook wel een beetje moe, zei hij de dag erna aan de telefoon. Maar wat een fijne en bijzondere dag, we kijken alweer uit naar zijn volgende verjaardag!

90

Mijn vader is afgelopen week 90 geworden. N-e-g-e-n-t-i-g! Niet te geloven. Alhoewel, hij komt uit een sterk geslacht. Zijn opa is 97 jaar oud geworden en zijn moeder 93. Als hij die lijn volgt -en daar begint het al aardig op te lijken- is hij nog wel even bij ons. Wat een verschil met mijn moeder die maar 54 werd.

Gerard en ik gingen naar hem toe, rond koffietijd. Het was een stralende dag, het leek wel hoogzomer! Wij verwachtten mijn vader dan ook lekker in de tuin aan te treffen met zijn bezoek. Maar nee, ze zaten binnen. ‘Veel te warm buiten’, vond mijn vader. Ach wat jammer nou, dacht ik. Maar goed, het was zijn verjaardag, híj mocht beslissen.

Het ochtendbezoek bestond uit de hulp van mijn vader, die hij vandaag tot gastvrouw had gebombardeerd, een krasse dame die al 87 bleek te zijn, en een hoogbejaard echtpaar. De man daarvan leed aan Parkinson, dus alles ging vrij traag. Toch was hij nog helder genoeg om me te vertellen dat wij in de verre verte familie waren, via neven van mijn moeders kant. Driehonderd jaar geleden om precies te zijn, had stamboomonderzoek uitgewezen. Interessant!

De hulp van mijn vader zag er verhit uit, dus ik ging maar gauw helpen met koffie, thee en stukjes taart uitdelen. We konden kiezen tussen een lekker vruchtentaartje of appelkruimeltaart. Mijn vader verontschuldigde zich dat de vruchtentaart er wat rommelig uitzag. ‘Vanmorgen op de fiets nog bij de Hema gehaald,’ zei hij. ‘Beetje door elkaar gerammeld achterop de bagagedrager…’ De gedachte alleen al dat hij die ochtend op de fiets zelf ook nog taart had gehaald, wat stoer! Ik hoop ook zo fit te zijn tegen de tijd dat ik zo oud ben. Ik kan het me nu bijna niet voorstellen, maar wie weet.

Het is leuk om met oudere mensen koffie te drinken. De gesprekken gaan over heel andere dingen dan hier thuis, vijftigers met pubers. Mijn vader vertelde bijvoorbeeld dat hij de tuin afgelopen dagen netjes had gemaakt voor zijn verjaardag. In zijn blote bast had hij het gras gemaaid, en omdat hij geen zonnebrand in huis had (ach onzin, ik ben toch al oud), was hij flink verbrand. Verder had hij een lumineus apparaat aangeschaft waarmee je onkruid en gras tussen de tegels weg kon branden. Het was een goedkope aanbieding natuurlijk. Maar het ergste was dat hij drie dagen later hetzelfde apparaat bij een andere winkel voor 20 euro minder had kunnen kopen…dat had hij weer! De ouwetjes moesten erom lachen maar waren erg geïnteresseerd in dat apparaat.

Met een schuin oog keek ik naar Gerard. Het idee om gras tussen je tegels vandaan te branden, dat moest hij wel gruwelijk vinden! Zelfs ik vond het al ver gaan. Maar Gerard vertrok geen spier en at rustig zijn taart op. Grappig dat je je tuin mooi maakt voor je verjaardag, en er vervolgens niet in gaat zitten. Zo is mijn vader, en velen uit zijn generatie: netjes opruimen en alles overzichtelijk houden. Daar zouden wij hier nog wat van kunnen leren.

Wat een verschil in de één of de andere bejaarde, mijmerde ik verder. De één ging snel naar huis om 12 uur, omdat ze die middag nog 5 kilometer ‘moest’ wandelen met een vriendin. De anderen moesten uit hetzelfde dorp met de taxi gehaald worden, en zelfs dat was al een vermoeiende onderneming. En dan mijn eigen schoonmoeder, die kan bijna niets meer zelf, terwijl ze 10 jaar jonger is. Het lukt haar amper om te bellen, omdat ze soms niet meer weet hoe de telefoon werkt. Over één ding waren mijn vader en zijn bezoek het roerend eens: oud en gezond zijn is iets wat je gegeven wordt, en daar waren ze maar wat dankbaar voor. Een mooie gedachte.

Nadat het bezoek en de hulp weg was, werd het tijd voor de lunch. We overtuigden mijn vader dat het echt heel lekker was om in de tuin te eten. Nou, vooruit dan maar. Terwijl Gerard nog foto’s stond te maken van mijn vaders mooie tuin, liep die alweer energiek naar de garage om stoelen te pakken. Denk maar niet dat hij om hulp vroeg… ‘Schiet op Gerard, help even mee sjouwen!’ gebaarde ik zijn kant op. Net op tijd gelukkig om ook een handje te helpen.

Het was heerlijk in de tuin. Half in de zon en half in de schaduw keek ik genietend om me heen. Hoe bijzonder om hier te zitten met die gezonde 90-jarige papa, en mijn eigen man. Nu nog onze kinderen erbij en corona ons land uit, dan was het nog beter! Maar ja, dit was ook al fijn. Onze kinderen hadden kaarten en bloemen gestuurd en en eentje belde net na het eten op. ‘Ja het was heel gezellig’, hoorde ik mijn vader praten. ‘Maar je ouders hebben me gedwongen buiten te eten… Nou, ik ga zo lekker weer naar binnen hoor! Veel te warm daar’.

Terwijl mijn vader een dutje deed in zijn stoel, bleven wij nog een poosje. Hoe dat verder ging, schrijf ik in een volgende blog.

Zo moe

Moe, moeier, moeist. Ik ben moe. Ik was moe. Ik zal morgen waarschijnlijk ook moe zijn. Ik ga slapen, ik ben moe…

Afgelopen tijd was ik zo ontzettend moe. Ik had geen zin om op te staan, geen trek ’s morgens, ik viel overdag geregeld in slaap, of anders op de bank ’s avonds terwijl ik nog iets aan het doen was. Er waren avonden dat ik eerder dan mijn dochter van 10 een pyama aan had! Ik had geen zin meer in hardlopen of een eind fietsen. Ik was te moe om een blog te schrijven. Nou, dat zegt wel wat. Schrijven is mijn uitlaatklep, dus als ik dat amper doe, is er iets mis. De grote vraag was echter: wat was er dan mis?

Wist ik het maar. Als er pilletjes bestonden tegen moeheid, was ik grootverbruiker. Want ik irriteer me behoorlijk aan die moeheid. Kom op zeg, ik ben toch nog geen bejaarde? Waar kan ik nou moe van zijn? Ik ben niet zwanger, ik heb geen klein kind meer die me uit de slaap haalt, ik woon in een leuk huis met dito man en kinderen, ik ben gezond voor zover ik weet, ik heb geen corona (gehad), ik ben niet ondervoed, ik heb geen drukke baan. Ons leven is door de corona-maatregelen redelijk voorspelbaar geworden, we hoeven niet meer van hot naar her te rennen enzovoorts. En toch…zelfs terwijl ik dit schrijf zit ik alweer te gapen en zou ik het liefst een dutje gaan doen.


Het weer werkte de laatste tijd natuurlijk ook niet mee. Ik hou geen statistieken bij, maar zo koud en regenachtig schijnt het jaren niet geweest te zijn in mei. Volgens mij was het zelfs afgelopen herfst niet zo nat.
Eén voordeel van al die regen; alles is prachtig groen geworden en de planten in de tuin groeiden als een tierelier. Het onkruid ook. Af en toe trok ik er lamlendig wat uit, tot grote ergernis van Gerard, die onze tuin gewoon een biodivers geheel wil laten zijn. Ik vind dat tot op zekere hoogte prima, maar geef toch de voorkeur aan iets minder distels en brandnetels. ‘Wie bepaalt wat onkruid is, laat toch staan!’. Een eeuwig terugkerende discussie tussen ons. ‘Dat mocht zeker niet vroeger in Sassenheim’, zegt hij er soms hatelijk bij. Waarop ik natuurlijk ook met modder ga gooien, zo gaat dat dan. Heel vermoeiend.

Sinds anderhalf jaar ie gebleken dat drie van mijn gezinsleden een vorm van ASS (autisme) hebben. Eentje daarvan is ook nog eens een luie puber. Geloof me, dat vraagt wat van mij als moeder en vrouw. Zelf ben ik behoorlijk flexibel, zeg maar niet zo gestructureerd. Dat zou ik wel moeten zijn voor hen, maar helaas… Ik houd al 30 jaar ons huis bij zonder schema’s. Ofwel, ik doe bijna alles. Dat is heerlijk voor mijn lieverds hier, maar niet handig aangepakt van mij. Het wordt tijd om die kinderen zelfredzamer te maken, zei onze ASS-coach pas. En Gerard kan toch ook wel boodschappen halen? Jij sjouwt je een breuk!
Wéér iets wat ik moet aanpakken, dacht ik vermoeid. En ik kroop maar weer onder een dekentje op de bank. Laat me met rust, ik ben moe!

‘Lekker zeg dat je zo lang uitslaapt!’ zei een vriendin, ‘Je zult het nodig hebben’. Een ander zei: ‘Wat goed dat je naar je lichaam luistert!’ Maar ik vond ik mezelf ontzettend lui, toen ik voor de derde dag achter elkaar rond tien uur wakker werd. En lui zijn, dat mag niet! Een meester van mij op de basisschool zei vaak plechtig: ‘Ledigheid is des duivels oorkussen’. Dat zei hij tegen kinderen, die om wat voor reden dan ook hun werk niet af hadden. Daar hoorde ik niet bij, want ik was overijverig en zorgde altijd voor goede cijfers. Maar ik nam het wel heel serieus. Ledigheid, ofwel luiheid was iets van de duivel. Wat dat precies inhield wist ik niet, maar het was niet best. Niet lui zijn dus, hup aan het werk!
Een andere zin die geciteerd werd was deze: ‘Ga tot de mier, gij luiaard. Zie haar wegen en word wijs!’ Voor mij nogmaals een aanwijzing om niet stil te zitten en vooral niet lui te zijn. Luiheid maakte je tot een nietsnut. Zelfs die kleine kriebelbeestjes weten dat het nodig is om te werken, nou dan! Van werken is nog niemand dood gegaan. Gebruik je hersenen waarvoor ze zijn, of zit er soms zand in?

Sommige zinnetjes blijven haken in je hoofd tot in eeuwigheid. Terwijl ze, als je ze tegen het licht houdt, eigenlijk niet van toepassing zijn. Of in elk geval niet op dit moment voor mij. Maar wat wil je, als je van nature een beetje rusteloos bent en niet van stilzitten houdt? Dan blijf je lekker rennen en dan de ga je door, tot het niet meer gaat. Dat is wat er keer op keer gebeurt bij mij. En dan hebben we ook nog hoogbejaarde ouders die aandacht nodig hebben, en ik ben geen 25 meer.

Ik moet leren veel eerder aan de bel te trekken en ik moet leren naar de signalen van m’n lichaam te luisteren. Ik moet de anderen hier aansturen en óók klusjes laten doen, want die voelen het ‘van nature’ niet aan als ik op m’n tandvlees loop. Dat doen zij per definitie niet. “En waarom zouden ze?”, zei de coach, ” jij doet alles toch al voor ze en ook nog tien keer sneller?!”

Ingewikkeld hoor, patronen doorbreken. Niemand zit erop te wachten. Maar goed, ik ga het in elk geval proberen. Ofwel taken inzichtelijk maken en de anderen ook klusjes geven. Bruikbare ideeën op dit gebied en simpele huishoudschema’s zijn welkom! Behalve voor de tuin dan, dat is Gerard z’n terrein 🙂

Leven aan een zijden draadje

Mijn schoonmoeder woont binnenkort een jaar in een verpleeghuis. Sindsdien maken we het leven in zo’n verpleeghuis van dichtbij mee. Sindsdien ken ik nu termen als ‘valgevaarlijk’ en ‘delirant’. Het huis zelf is nieuw, prachtig gelegen op de Veluwe en ‘van alle gemakken voorzien’. Het ziet er aantrekkelijk uit op de website en dat is het ook in het echt. Maar daar moeten wonen, omdat het thuis niet meer gaat, is een ander verhaal.

Zeven jaar geleden is mijn schoonvader plotseling overleden. Als familie hadden we dat niet aan zien komen. Schoonmoeder bleef zomaar achter, zonder zelfs afscheid te hebben kunnen nemen van haar man. Die klap kwam hard aan. Lichamelijk en geestelijk ging ze steeds verder achteruit. Ze viel nogal eens en begon dingen te vergeten. De valpartijen leidden tot verschillende ziekenhuisopnames en operaties, waardoor ze ook nog eens in de war raakte (delirant). Kortom, haar gezondheid liet het niet meer toe om alleen te wonen. Dus zochten mijn zwagers een goed verpleeghuis uit, waar ze snel kon komen. Jammer genoeg niet in haar geliefde geboorteplaats, maar toch in de buurt.

Wat een overgang was dat! Allemaal vreemde mensen, een nieuw en kaal appartement in plaats van haar eigen volle huis. Een balkonnetje in plaats van een tuin voor en achter. Geen bijkeuken, geen garage. Geen straat met mensen die langsfietsten, of zus die eventjes om het hoekje kwam kijken. Wel een rustig uitzicht op een plein met zithoekjes voor de bewoners, een wandelpad en een mooie bosrand. Maar ma vond er niks aan. Ze klaagde erover dat ze niet wist wat ze moest doen. De afstandsbediening van de interactieve tv snapte ze niet en ze was steeds dingen kwijt. En… ook daar viel ze geregeld. Maar met één druk op de knop stond er een verzorgende klaar. Dat dan weer wel.

Langzaam werd dit appartementje toch gezelliger en leerde m’n schoonmoeder wat mensen kennen. Zo nu en dan ging ze koffie drinken in de zaal of speelde ze Bingo met medebewoners. Schoonmoeder is iemand die elke dag aanloop wil hebben, net als vroeger thuis. Ze boft dat er veel familie in de buurt woont: zussen, broers, schoonzussen. Er werd een schema gemaakt, zodat er bijna elke dag iemand langs kwam. Wij – de ver weg wonende kinderen – konden in het weekend komen. Eerlijk gezegd lukte dat Gerard en mij niet eens, om allerlei redenen. Maar al doende maakten we toch genoeg mee. Als we op bezoek kwamen, was er altijd thee of koffie. Tegen mij zei ze dan: ‘Wil je even naar de winkel voor me om koekjes en een halfje melk te halen?’ Gerard zette de tv aan en legde weer uit hoe de afstandsbediening uit, zonder succes… Vaste prik was ook herhalen dat ze de rollator moest pakken als ze ging lopen, want dat vergat ze vaak.

Maanden gingen voorbij. De bezoekregels in het verpleeghuis werden steeds strenger vanwege corona. In het begin namen we onze jongste kinderen nog mee. Later gingen we met z’n tweëen op bezoek, nog later mocht er maar één persoon per dag op bezoek. Een moeilijke tijd voor veel oudjes, vooral als bezoek zo ongeveer je enige verzetje is.
Op een regenachtige dag in januari kwam er telefoon: m’n schoonmoeder was erg gevallen. Ze moest met de ambulance naar het ziekenhuis en de vraag was of er snel een familielid kon komen. Wij wonen relatief nog het dichtste bij en ik had tijd, kon een auto lenen en dus ik ging erheen. Spannend, hoe zou ik haar aantreffen?
Toen ik binnenkwam in haar kamer, lag ze op bed. Ze herkende me niet en bewoog onrustig. Ze bleek uit bed gevallen te zijn, haar knieën waren bont en blauw en ze was in de war. Al gauw kwam er ambulancepersoneel. Die legden me uit dat ik niet mee mocht in de ambulance (corona-regel), maar ik zou zelf naar het ziekenhuis rijden en het makkelijk kunnen vinden. Ahum… dat viel tegen! Tegen de tijd dat ik eindelijk op de goede plek was, waren de onderzoeken al bijna klaar.
Gelukkig had ze niks gebroken dit keer, dus mocht ze weer terug naar het verpleeghuis. De rest van de dag heb ik naast haar bed gezeten. Het verzorgend personeel kwam geregeld kijken hoe het was. Gelukkig dronk ze af en toe wat, maar eten ging er nauwelijks in. En dat precies op de dag dat het huis één jaar geopend was, en elke bewoner een lekker gebakje kreeg!
Eerst sliep ze veel, en elke keer als ze wakker werd keek ze me niet-begrijpend aan. Ze kreunde in haar slaap en mompelde: ‘Ik kan niet meer!’ Maar hoe later op de dag, hoe helderder ze werd. Ik liet haar foto’s zien van haar kinderen en kleinkinderen, en gaandeweg herkende ze hen weer. Die dag naast haar bed maakte veel indruk op me. Hoe kwetsbaar kun je zijn! Hoeveel zorg heb je nodig als het niet meer gaat. Hoe zou mijn schoonmoeder hier doorheen komen? Groot was mijn verbazing dan ook toen ze drie dagen later weer aangekleed en wel in haar stoel zat! Ze dronk koffie en at koek, alsof er niets gebeurd was.

Helaas moet ze steeds meer inleveren. Na een poos tobben werd besloten dat ze naar een andere afdeling ging, met intensievere zorg. Wéér een verhuizing, van een twee-kamer appartement naar een kleine kamer. Nog meer spullen die weg moesten. Maar goed, daar kreeg ze dan meer zorg voor terug. En wat had ze voor alternatief?

Helaas is ze onlangs weer gevallen. Dit keer zag het er nog dramatischer uit dan de vorige keer. Zo slecht, dat we gewaarschuwd werden dat dit weleens het begin van het einde zou kunnen worden. Ze dronk niet meer en ze had het benauwd. Ze leek heel ver weg. Moesten we nu afscheid nemen?
Nee, toch niet! Na enig aandringen als familie, werd ze toch naar het ziekenhuis gebracht. Er mocht één persoon mee naar binnen; mijn zwager, schoonzus en ik stonden uren buiten. Maar niet voor niets, want er werd een longontsteking geconstateerd en een flink vochttekort… En al was ze zwak en zo warrig als wat, ze krabbelde weer op. Na 5 dagen mocht ze het ziekenhuis zelfs weer uit.

Mijn schoonmoeder heeft een sterk hart, maar haar leven hangt aan een zijden draadje. Dan is er weer dit, dan is er weer dat. ‘Ik ben maar een moeilijk mens…’ zuchtte ze aan de telefoon. Ze is er op dit moment minder aan toe dan voor de longontsteking, maar ze is er nog! Hoe lang nog, en wat moet ze nog meer inleveren? We weten het niet. Gelukkig maar, wat zou je moeten met die kennis? Elke dag is weer een, of je nou 80 bent, 55 of 10. Maar ik hoop dat ze nog even bij ons blijft, die oude taaie schoonmoeder van me…