Vreemde vogels

Het leven is niet altijd leuk. Een oude tante van mij, inmiddels al 7 jaar geleden overleden, vond dat ook. ‘De mensen worden steeds gekker’, zei ze vaak tegen me door de telefoon. ‘Ik vind er niks meer an’.
Ik vind er ook niet altijd wat an, soms denk ik zelfs dat ik gek word. Iedereen heeft maar een mening, er is geen enkel taboe meer, de één voelt zich gekwetst door de ander en de ander voelt zich niet gehoord, dus ook gekwetst.
En dan het weer! Eerst is het te warm, dan weer te koud. ‘Aprilletje zoet heeft nog weleens een witte hoed’… Mijn kinderen kenden die uitdrukking niet, maar dankzij april dit jaar wel. En nu is het meivakantie en lijkt het wel herfst!

Om te voorkomen dat ik gek word, ga ik regelmatig met iemand praten. Het is heerlijk om even mijn hart te luchten en ook fijn om hier en daar wat tegengas te krijgen. Ik leer anders naar mezelf te kijken en daardoor anders op gebeurtenissen te reageren. Dat is een mooi proces, maar het is ook pijnlijk en confronterend. Hoe langer je verkeerd aangeleerde patronen hebt gebruikt, hoe langer je erover doet om die weer af te leren. Maar goed, het vordert gestaag.

Evengoed ga ik er vaak een beetje gespannen heen. Zo ook vorige week. Ik was van te voren al moe en ik wist dat het weer pittig zou gaan worden. Toch fietste ik maar weer dapper naar het station en ging op een bankje zitten. De trein zou over 12 minuten komen. Het was gelukkig rustig, kon ik lekker wat voor me uitstaren en denken.
Die rust werd echter snel verstoord. Er kwam een jongen het perron op die, zonder afstand te houden, iedereen luid begroette. ‘Hallo!’ zei hij ook enthousiast tegen mij. Ik groette hem terug en dacht na of ik hem ergens van kende. Nee, geen idee. Hij liep alweer door naar het meisje vlakbij me, dat ook op de trein stond te wachten. Blijkbaar was zij voor hem de juiste persoon om een verhaal tegen te beginnen. Ik was stiekem blij dat hij mij voorbij was gelopen. Vroeger kreeg ik dat soort jongens ook altijd op me af. Ik hoorde van anderen dat dat kwam omdat ik er zo naïef uitzag… nou ja.
Het meisje naast me leek net zo’n type als ik vroeger; vriendelijk, bereid om te luisteren en niet veroordelend. Mooie eigenschappen, maar sommige mensen maken daar graag gebruik van. Ik kreeg zo het gevoel dat deze jongen – zonder mondkapje- er ook zo eentje was.

Hij begon met een vaag verhaal, ik zou niet eens kunnen zeggen waarover. Ik pakte een appel en deed mijn best om niet te luisteren. In plaats daarvan probeerde ik een foto te maken van een kauwtje. Dat beestje zat hooguit anderhalve meter van me vandaan op de rand van het perron. Het keek me brutaal aan met een blik van ‘Eet eens even door! Ik ga echt niet zomaar weg, hoor!’ Hij trok zich ook niets aan van de jongen naast hem met de harde stem. Die stelde het meisje allerlei vragen, en elk antwoord van haar bracht weer een nieuwe vraag op gang. Wat ze van homofilie vond bijvoorbeeld, wat het verschil was met homosexualiteit en wat er eigenlijk slecht aan was. Het meisje gaf geduldig antwoord, maar echt interesse in die antwoorden was er niet bij. Ik kreeg medelijden met haar en keek hun kant op.
‘Storen wij u, mevrouw?’ richtte de jongen zich nu tot mij. ‘Nee hoor’, zei ik. ‘Maar wel een moeilijk onderwerp zo ineens’.
De jongen nam een flinke slok uit een flesje oranje limonade met héél veel suiker. En hij was al zo hyper… zou hij gebruikt hebben? Ook merkwaardig dat hij alleen maar een trui en een trainingsbroek droeg; het was behoorlijk koud.
‘De wereld is maar een zooitje’, zei hij tegen mij. ‘Nou, zeg dat wel’, beaamde ik. ‘Ik maak er ook niks van.’ Dat antwoord leek hij niet verwacht te hebben van zo’n vijftigplusser, maar hij bleef ad rem. ‘Ach ja, iedereen pist weleens naast het potje.’

Toen ik weer naar hem keek, begon hij zich ineens te verdedigen. ‘Zeg, ik draag geen mondkapje, maar ik ben al ingeënt hoor!’
‘O ja?’ zei ik verbaasd. ‘Maar je bent nog zo jong! Jullie zijn toch nog helemaal niet aan de beurt?’
‘Ja maar ik woon in een soort leefgroep, daar loop je sneller kans om besmet te raken dus zijn wij allemaal al ingeënt”, zei hij.
Waar bemoei ik me eigenlijk mee, vroeg ik mezelf beschaamd af. Die jongen was duidelijk niet 100 %, laat ‘m toch kletsen.
Ondertussen had hij zijn pijlen alweer op het meisje gericht. Hij wilde niet vrouwonvriendelijk zijn, maar daar werd hij soms wel van beschuldigd. Maar hij had wel een vriendin, dus zo vrouwonvriendelijk was hij ook weer niet. Het meisje lachte, had er verder weinig op te zeggen. De jongen begon steeds sneller te praten, iets over borsten en verschillende formaten daarvan enzovoorts. Geërgerd keek ik naar de kauw, die inmiddels verderop zat. ‘Maar mijn vriendin is heel rijk’, kletste de jongen door. Naïef als ik was – net als vroeger- dacht ik dat hij het over geld had. Tot hij gebaren begon te maken hoe groot de cup van zijn vriendin zo ongeveer was.
Ineens kon ik er niet meer tegen. ‘Zo praat je toch niet over je vriendin!’, zei ik berispend. ‘Stel je voor dat zij het zou horen!’ Ik voelde me beledigd voor haar, en voor mezelf, en had ook helemaal genoeg van zijn praatjes.

In de verte kwam de trein eraan. De jongen liep snel weg, op zoek naar ander publiek waarschijnlijk. Het meisje en ik keken elkaar zuchtend aan, met een blik van ‘Die is weg! Wat een vreemde vogel.’

Toch dacht ik er onderweg nog over na. Had ik anders moeten reageren, had ik hem moeten vragen wat zijn verhaal eigenlijk was? Had ik moeten zeggen dat hij okay is en dat God van hem houdt?
Eerlijk gezegd wist ik het niet. Ik ben niet zo goed in dit soort gesprekken. Als ik onderweg ben, wil ik niet praten met vage figuren. En zeker niet van gedachten wisselen over onderwerpen die hij aansneed! Maar ja, we leven in een vrij land. Al ben je een vreemde vogel, je mag zeggen wat je wil. Trouwens, wat is normaal en wat is vreemd? Ik was zelf ook op weg naar iemand, die naar mijn verhalen ging luisteren. En die krijgt daar nog voor betaald ook… ook een beetje vreemd toch?

We hebben allemaal wat, we zijn allemaal raar en toch zijn we broertjes en zusjes“. Met deze regel uit een oud liedje van Elly en Rikkert, stop ik ermee. “We hebben allemaal wat, we zijn allemaal raar en toch houden we van elkaar“. Laten we het daar dan maar op houden.

Overal is er een tijd voor

Vandaag is het precies 1 jaar geleden dat ik aan het bloggen sloeg. Dat zag ik in mijn agenda van vorig jaar, die ik vanmorgen doorbladerde. Nou, gefeliciteerd dan maar voor mezelf met deze mijlpaal! Ik kan me haast niet voorstellen dat er alweer een jaar voorbij is, ik kom voor mijn gevoel nog maar net om de hoek kijken. Het maakt me ook een beetje filosofisch.

Het doet me denken aan jaren geleden, toen onze oudste dochter 1 jaar werd. Die eerste verjaardag maakte veel indruk. Het begon ermee dat ik flauwviel ’s morgens. Ik was zwanger van nummer 2 en voelde me dus niet zo lekker. Maar dat mocht de pret niet drukken. Wat waren we trots op Irene, wat werd ze al groot! Ze zag er snoezig uit in haar verjaardagsjurkje. Ze vond de kadootjes leuk, maar het krakende papier eromheen vond ze minstens zo leuk. De opa’s en oma’s kwamen taart eten en het was echt feest. Irene kon bijna lopen, stap voor stap. En ze kon heel hard schommelen op een hobbelpaard, dat een oom van mij gemaakt had. Heen en weer, heen en weer. Soms was ik bang dat ze over de kop sloeg, zo hard ging ze! Maar gelukkig gebeurde dat nooit.

Tijd is een raar verschijnsel. Die eerste verjaardag weet ik nog zo goed, maar de eerste verjaardagen van de andere kinderen staan me minder bij. En van de laatste twee (bijna 10 en 13 jaar geleden) herinner ik me helemaal niets. Terwijl die in de tijd gezien dus veel minder lang geleden zijn. Sorry jongens, dat zegt niets over jullie hoor, of over de belangrijkheid van jullie verjaardagen! Misschien wel wat over mijn geheugen? En misschien is alles wat je voor het eerst meemaakt, het meest indrukwekkend? Zoals je eerste kus, je eerste vriendje, of de eerste keer op de snelweg als je net je rijbewijs hebt…. Die eerste kus staat me niet meer zo bij eigenlijk. Dat eerste vriendje wel, dat was leuk. En die eerste rit op de snelweg… het zweet brak me uit! Superspannend, maar na een tijdje wende het wel.

Vorig jaar vond ik het ook heel spannend om blogs te gaan schrijven. Wie zou daar nou op zitten te wachten? En wie zei dat ik kon schrijven? Ik heb er niet eens een diploma voor… Maar tot op heden heb ik er geen spijt van. Ook al is het eng dat ‘iedereen’ mijn blogs kan lezen, na een poosje vergeet je dat. Net zoals een kind dat leert lopen niet steeds nadenkt of hij (of zij) het wel kan. Hij doet het gewoon, met vallen en opstaan.

Nu ik toch een beetje filosofisch ben, moet ik denken aan het boek Prediker. Overal is er een tijd voor, staat daarin. Overal? Een andere vertaling zegt: alles heeft zijn tijd. Alles? Zelfs corona?

In die tekst worden er een heleboel dingen opgesomd die bij het leven horen. Zoals: Er is een tijd om te baren, en een tijd om te sterven. Een tijd om te planten, en een tijd om het geplante eruit te rukken (het staat er echt, Gerard; dus niet ‘laat elk dood plantje maar staan’). Een tijd om te huilen, en een tijd om te lachen… een tijd om te rouwen en een tijd om te dansen… een tijd om te bewaren, en een tijd om weg te gooien. Hoe actueel! We zijn er nog behoorlijk druk mee, met dat weggooien dan.
Ik kreeg ook een liedje in m’n hoofd van Herman van Veen. Voor de jongere lezers: dit lied gaat over de verbazing die je als ouders hebt als je een baby krijgt. Ze zijn allemaal mooi, maar de jouwe is de mooiste. En hoe snel gaat de tijd later, als dat kind opgroeit.

De wijzers van de klok gaan snel
dat merk je later wel
Anne
Van de pot naar de wc
Gaat 1, 2 huppekee
Anne
Je hebt net je bromtol al uit gepakt
Of bent al weer een jaar ouder
Voor ik goeiemorgen zeg
Ben jij op je brommer weg
Anne

Anne de wereld is niet mooi
Maar jij kan haar een beetje mooier kleuren
Anne je hebt nog heel veel voor de boeg
Maak je geen zorgen daarvoor is het nog te vroeg
Veel te vroeg

Nou, genoeg gemijmerd. Mijn blogkindje is vandaag één jaar geworden, yes! En overal is een tijd voor, een tijd om te lachen en een tijd om te huilen. Dat doe ik allebei en dat is blijkbaar okay. De ene blog is een succes, de ander wat minder. Ook dat is okay. Helaas, de wereld is niet mooi, maar ik probeer haar een beetje mooier te kleuren. Met blogs over ons gewone, soms stomvervelende maar meestal mooie leven. Dank je wel iedereen die de moeite neemt om ze te lezen!

Weggooien is zonde!

Vandaag weer even een blik achter de voordeur van familie Van Eijk.
Een jaar geleden maakten we voorbereidingen voor een verbouwing hier beneden. Er zou een nieuwe keuken komen, een nieuwe vloer en t.z.t. nog eens een andere wc. Wat een heerlijk vooruitzicht was dat! Al was het mij een raadsel waar we al onze spullen moesten laten… Gelukkig dachten onze oudste kinderen mee en kwamen ze helpen inpakken. Er werden veel dingen weggegooid, maar het merendeel verdween in dozen naar boven. Dat zouden we na de verbouwing allemaal wel uitzoeken. (Zie Verbouwing en Verbouwing-2-)

Maar ja, zoals dat hier gaat, het uitzoeken schoot niet erg op. Eerst waren we te druk met verven en herinrichten beneden, daarna moest het hele huis van Gerard z’n moeder leeggehaald worden, daarna werden de dagen steeds korter enzovoorts. Intussen groeide de voorraad spullen hier alleen maar aan en werd het boven voller en voller. Ik werd er moedeloos van als ik er alleen maar naar keek! Hoe begon ik aan zo’n klus?

Simon, Irene en Johan kwamen in de winter nogmaals helpen. Hun tempo ligt vele malen hoger dan dat van ons. Zij zijn ook meer van het ontspullen à la Mary Kondo. Gerard heeft daar niets mee. Tot zijn grote woede gooiden ze dingen weg, die hij net had willen bewaren of “herbestemmen”! En wie kreeg hier de schuld van…? Ik.

Weggooien is zonde!’ riep Gerard kwaad. ‘Je kunt er altijd een ander nog plezier mee doen!’

Om te voorkomen dat we hier steeds ruzie over kregen, of dat onze kinderen ons op gingen geven voor één of ander opruimprogramma van SBS6, moest ik iets verzinnen. En dat iets werd een bakkie huren, ideetje van Simon.

Een wat, een bakkie? Ik wist eerst niet eens wat dat was. Mijn buurjongens hadden vroeger een 27MC-bakkie waarmee ze contact kregen met andere bakkie-houders (snapte ik toen als 7-jarige niets van), maar dit was iets heel anders. Hier bleek het om een grote afvalcontainer te gaan, die je kunt huren. Je laat hem voor het huis zetten, gooit je zooi er in en hij wordt weer opgehaald. Tegen betaling overigens, niets voor niets. Maar mij leek dat wel een goed plan. Alleen al omdat wij geen auto hebben, en een auto – met trekhaak – lenen en vervolgens een aanhangwagen huren was ook zo’n gedoe. Zo’n bak mag je weken houden, ideaal voor ons, langzame beslissers (sorry buren…)

Ik zal maar niet beschrijven hoe het realiseren van dit plan verliep, om jullie niet te vervelen. Neem van me aan dat het maanden kostte! Maar op een dag had ik een vergunning van de gemeente binnen, dus bestelde ik een bakkie en snel daarna werd ‘ie geleverd. Een lelijk gedeukt groen ding in plaats van een strakblauwe nieuwe bak, zoals ze op de website getoond werden. Maar ik was heel erg blij. Yes, het grote opruimen kon eindelijk beginnen!!! Wat een ruimte zou dat boven gaan opleveren!

Maar toen begon het eigenlijk pas…. ‘Gerard, zullen we die losse plank wegdoen?’ ‘Nee, die hang ik in de schuur’. ‘Okay. Gerard, zullen we die oude stretcher in de container gooien?’ ‘Waarom? Die is toch nog prima?’ ‘Welnee, we hebben hem al 20 jaar en hij ligt hartstikke beroerd. ‘ Zucht. ‘Okay dan’. Gerard, kan ik die doos met oude rommel wegdoen?’ ‘Nee! Die wil ik eerst even nakijken’. ‘Oh. Zullen we die oude deur dan maar wegdoen, er zit toch geen klink meer in. ‘Nee joh, misschien is die wel beter dan die van de voorste kamer.’ ‘Gerard, zullen we de hoogslaper dan uit elkaar halen en weggooien?’ ‘Nee dat is toch zonde! Zet hem dan op Facebook op de Weggeefhoek, je zult zien dat je er iemand blij mee maakt!’

‘Hoe dan?’ zuchtte ik. De container stond er nu na 2 dagen en ik werd al wanhopig. Als we zo over elk dingetje van mening bleven verschillen, dan werd het helemaal niks! Weggegooid geld voor die bak?

Maar nee, Gerard werd wakker (na wat nachtdiensten). Of beter gezegd: laat die man zijn gang gaan en dan gebeurt er wat. Want inmiddels heeft hij de hoogslaper uit elkaar geschroefd en deels hergebruikt (niemand reageerde bij de Weggeefhoek). Die ene deur gaat waarschijnlijk wel weg; de stretcher ligt in de container, net als 4 plastic stoelen en een wiebelige diaprojectortafel. Maar óók: de commode die we 29 jaar geleden kochten, toen ik voor het eerst in verwachting was.

‘Wat zonde…’ zuchtte Gerard. ‘Dat ding is nog hartstikke goed! Misschien bewaren voor een toekomstig kleinkind? Of het bovenste deel los in de keuken hangen?’ ‘Nee. Bedank de commode voor alle jaren trouwe dienst,’ zei ik. ‘Denk je eens even in, op dat ding hebben al onze zes kinderen schone luiers gekregen! Wat een prestatie!’

We lachten erom en droegen de commode – in losse onderdelen – samen naar de container. Samen opruimen, dat heeft toch wel wat. Zolang het maar niet te lang duurt.

Naar de huisarts #coronatijd

Ik moest even voor iets naar de huisarts. Vier minuten te laat stond ik hijgend voor de balie. ‘Ik heb een afspraak bij de assistente van die en die’, zei ik.
‘O ja, ik zie het’, zei de mevrouw achter de balie. ‘Gaat u nog maar rustig zitten hoor’.
In deze praktijk zitten wel 4 of 5 huisartsen, dus normaal zit de wachtkamer flink vol. Vandaag zat er maar een handjevol mensen. Dat kon ook niet anders, want op de meeste stoelen lag een papiertje met “Verboden te zitten“. Erg uitnodigend, dacht ik.
Verderop zaten een vader en een kind. Ik kon hen niet zien, omdat de banken nogal hoog waren. Maar ik kon hen wel goed verstaan.

‘Waar is de dokter?’, vroeg het kind aan z’n vader.
‘Die is hier ergens,’ antwoordde de vader.
‘Maar wáár is de dokter dan?’, vroeg het jochie nog een keer.
‘Die zit hier ergens in dit gebouw,’ zei de vader.
‘Moet ik daar zo heen?’, vroeg het kind door.
‘Ja, daar moet jij zo heen,’ zei de vader. ‘De dokter komt je zo wel roepen.’
‘Moet ik daar dan alleen heen?’, vroeg het kind bezorgd.
‘Nee hoor, dat hoeft niet’, stelde de vader hem gerust.
‘Ga jij dan mee?’, vroeg het jochie door, ‘ik hoef toch niet alleen, papa?’
”Nee, je hoeft niet alleen,’ zei de vader. ‘We gaan samen’.
‘We gaan samen,’ herhaalde het kind, ‘We gaan samen naar de dokter’.

Het jongetje was even stil. Ik vond het gesprekje heel aandoenlijk. Zo’n kind van 3-4 jaar, die het spannend vond om naar de dokter te gaan. Waar zat die dokter dan en wat moest je daar doen? En dan zo’n vader die geduldig antwoord gaf, net zolang tot zijn kind gerustgesteld was. Hoe vaak was ik zelf wel niet bang in m’n leven? Hoe vaak wil ik wel gerustgesteld worden als een kind? Heerlijk, zo’n vader.

‘Papa, daar hangt een speentje!’ riep het jochie ineens.
Waar?’ vroeg de vader.
‘Daar! Een speentje!’.
Het was even stil. Het kind wees blijkbaar naar iets wat hij zag.
‘Oh dat! Dat is geen speentje, dat is een spuit.’
‘Een spuit?’ vroeg het kind.
‘Ja een spuitje, die hebben ze hier’, legde de vader uit. Ik zag nu dat het om een poster ging, waarop een groot afgebeelde vaccinatie-spuit. Het ging nu eens niet over corona, maar over ‘normale’ inentingen. Maar het jochie keek blijkbaar alweer een andere kant op.
‘Kijk pap, vieze vlekken’.
‘Ja, ik zie het’.
Nieuwsgierig als ik was waar ze het nu weer over hadden, keek ik om me heen. Het enige wat ik zag waren bruine kringen op het plafond.
‘Ik denk dat iemand koffie gemorst heeft,’ zei het kind.
‘Nou, die heeft dan aardig hoog gegooid’ lachte de vader. En hier eindigde het gesprek, want de dokter kwam eraan om het jongetje te halen. Vanuit de spreekkamer kon ik hem bijna nóg horen praten.

Met een klein beetje weemoed dacht ik terug aan de tijd dat ik hier met onze kleine kinderen zat. Dat was al even geleden. En zoveel praatjes hadden die van mij hier nooit. Of ze waren te ziek om een woord te zeggen, of ze maakten lawaai met het speelgoed.

Intussen kwam er een meneer tegenover me zitten. Hij zag dat ik een foto maakte van de papieren op de stoelen met het verbod om te zitten.
‘Tja, corona hé’, zei hij tegen mij. ‘Wat doe je eraan? Maar ze willen de regels binnenkort gaan versoepelen’.
‘Gelukkig wel’, zei een mevrouw naast mij. Ik beaamde het.
‘Maar die terrassen mogen van mij nog wel even dicht blijven! Het is veel te koud buiten. Ik heb hartstikke koude handen,’ ging de man door. En zo kom je in Nederland altijd vanzelf weer op het weer.

En toen was ik aan de beurt, dus het gesprek over het weer en de versoepelingen van coronamaatregelen kon niet verder gaan. Zo gaat dat als je bij de dokter zit te wachten.
Ik was in 10 minuutjes alweer klaar. Snel liep ik de deur uit en rommelde wat in mijn tas.
‘Mevrouw’, hoorde ik in de verte iemand roepen. En nogmaals nu vlakbij: ‘Mevrouw, u vergeet uw sjaal!’
Daar stond de assistente weer. Ze had mijn sjaal in haar handen. Stom, helemaal vergeten. Ik bedankte haar en liep verder door de gang.
‘O ja mevrouw,’ zei de assistente nogmaals. ‘U zou mij nog een brief geven, die ene voor de huisarts.’
Pfff, ook al vergeten! ‘Lekker bezig’, zei ik tegen mezelf. En dat zei ik ook hardop, terwijl er een oud dametje tussen ons door schuifelde met een rollator. Die vergat de anderhalve meter afstand, maar ik vroeg me af wie van ons eigenlijk het meest vergeetachtig was…
‘Heb ik nu echt alles afgehandeld?’
‘Ja hoor,’ lachte de assistente. Opgelucht liep ik weg, en deed mijn mondkapje af halverwege de trap, te vroeg…

Beneden bij de ingang stond een groot bord met allerlei aanwijzingen ivm corona. Ik las eens door wat ik bij het naar binnen gaan al had moeten lezen, maar niet gezien had omdat ik te laat was. Het meeste kwam me bekend voor. Maar vooral de laatste zin viel me op: “Samen komen we er wel doorheen”.

Wat een cliché… dacht ik. Maar er zit wel wat in! Even los van corona, we hebben elkaar nodig in het leven. Om te weten dat je er niet alleen voor staat, om je sjaal terug te krijgen die je vergeten was of nog iets véél belangrijkers. En ik dacht ook weer aan dat jongetje en zijn vader.

Je hoeft niet alleen hoor, we gaan samen“.

Stille zaterdag

Na alle romantiek rondom onze trouwdag en bijbehorende herinneringen, staan we weer met beide benen op de grond. Vandaag is het zaterdag, Stille Zaterdag. Ik ging naar de supermarkt waar het bepaald niet stil was. Er waren bijna geen karretjes meer. Al winkelend hoorde ik een bandje met van die corona-tips, zoals: ‘Zorg goed voor elkaar. Haal uw boodschappen alleen en maak geen gezellige praatjes’. Nou ja zeg. Maar wat nog erger was; de paaseitjes en paasschuimpjes waren op! Wel allemensen… ben je zo’n bescheiden type die er niet intrapt om in januari al paaseitjes te kopen, ben je weer te laat! Gelukkig ging onze jongste met plezier naar een snoepwinkel in de stad, waar ze nog wel een voorraad hadden. Onze volwassen kinderen komen namelijk met Pasen, en ik ving op dat ze paaseitjes wilden zoeken in de tuin. Net als vroeger, haha.

Stille Zaterdag slaat natuurlijk niet op het aantal mensen in de supermarkt. Het is stil zijn, wachten tot er een einde komt aan ellende en dood. Wachten op de verlossende woorden: De Heer is waarlijk opgestaan! Ik las op Google dat de hele week wel Stille Week wordt genoemd in de christelijke traditie. Stille week, of Heilige week, of Goede week, of gewoon de week voor Pasen. Stil en heilig was het deze week nou niet bepaald… en goed? Het is maar net welk perspectief je hebt. Voor mij was het in elk geval verwarrend. Zoveel mensen, zoveel meningen.

Maar laat ik het dichtbij mezelf houden. Stil zijn is moeilijk, er is zoveel dat om aandacht vraagt. Tijdens ons tripje aan het begin van deze Stille week, lukte het me bijvoorbeeld niet om mijn telefoon uit te zetten. Al ben ik bij lange na niet zo’n junk als mijn echtgenoot, ik zat toch geregeld berichtjes te lezen. Om te zien wat Buienradar precies voorspelde, of om mijn schat aan foto’s nog eens te bekijken.
Ik bedacht ineens dat ik geen boodschappen had gedaan voor het avondeten en belde de kinderen op. Die lachten mij vierkant uit. Half beledigd zeiden m’n dochters: ‘Mam, we zijn volwassen hoor, denk je nou echt dat we niet weten hoe je boodschappen doet of zo?’
O ja, daar was ik wel van overtuigd. Maar mijn perfectionisme van ‘een goede moeder heeft toch altijd genoeg voorraden in huis!’ maakte me onrustig. Loslaten maar, dacht ik.
Iets anders gebeurde toen ik snel even wat mailtjes las. Geen geruststellende berichten over zoonlief, van een leraar en van de huiswerkbegeleiding. Of we hem dit weekend even flink aan het werk wilden zetten. Samenvatten, overhoren, een werkstuk maken. Beetje lastig als je ver weg bent! Bovendien zit hij nooit zo op onze hulp te wachten. Ik voelde een vaag schuldgevoel opkomen, omdat we niet thuis waren. Ik sloot de mailtjes af en zei er niets over tegen Gerard. Loslaten maar weer.
Evengoed waren de schoolresultaten een terugkerend thema deze week. Een acht, een één, een drie-en-een half en een zeven. Tja, om stil van te worden in zekere zin. Er zat in elk geval een hoop variatie in.

Variatie was er ook met het weer. Van een frisse noordenwind en krap 8 graden, naar zonovergoten warm lenteweer. Net de zonnebrandcreme gevonden, sloeg het weer om naar koel en bewolkt. En de vooruitzichten hebben het over hagelbuien, onweer en nog lagere temperaturen. Geen touw aan vast te knopen.

Op één van die zonovergoten dagen, maakte ik een lange wandeling met mijn broer. Eens in de zoveel tijd doen we dat tegenwoordig, om bij te praten en om weer eens wat anders te zien. Dit keer waren we op de Veluwe, prachtig daar! Rustig en stil lag het landschap erbij. Ik was de avond ervoor nog ongerust geweest dat het zo druk zou worden dat ordehandhavers ons weg zouden sturen, net als in Amsterdam. Maar er was geen sprake van drukte, dus geen Boa te bekennen. En toch…zelfs op die Veluwse zandvlakte was het niet stil. Het leek wel of we in de verte vuurwerk hoorden! Op 31 maart? Tot ik een verdwaalde kogelhuls vond…Natuurlijk, militaire oefeningen ergens in de buurt. Heel nuttig natuurlijk, leren hoe je ons land moet verdedigen. Maar wel onrustig, dat geroffel op de achtergrond.

Van de politiek werd ik al helemaal onrustig. Gerard is hierin heel anders, die leest er meer over en is best stellig. Ik ben zo’n type die zich in veel mensen kan inleven, overal valt wel wat voor te zeggen. Invoelen is een fijne eigenschap, maar maakt het ook wel moeilijk. Wie heeft er gelijk? Wie heeft dat niet maar heeft toch een goed punt? En wie profiteert er van de ontstane chaos? Gerard weet het. Ik heb wel een vermoeden maar ik kan het niet goed zeggen helaas. Daarom is het maar goed dat ik niet in de Tweede Kamer zit (en Gerard ook niet).

Stille week, stille zaterdag. De wereld is onrustig en nergens is het echt stil. Ook in mezelf niet. Om rustiger te worden, trok ik mijn hardloopschoenen aan. Ik rende langs stille weggetjes, en luisterde naar geluiden om me heen. Een traumahelikopter, auto’s, een pauw die schreeuwde, honden die blaften. Nergens stilte. En toch, ineens merkte ik dat ik rustig werd. Ik hoorde lammetjes blaten, een zacht getingel van een vlaggenstok zonder vlag, het geritsel van dorre blaadjes waar de wind doorheen blies.

Rust die me gegeven werd, genoeg voor vandaag. En morgen is het Pasen.

Honeymoon

Dertig jaar geleden, zo’n beetje dezelfde tijd als nu, gingen Gerard en ik op huwelijksreis. We hadden maanden naar onze bruiloft uitgekeken, heel veel voorbereidingen gehad, en toen was het dan zover. We boften op onze trouwdag met mooi weer – leuk voor de foto’s! – en genoten van alle mensen die voor ons gekomen waren. Maar het was ook best vermoeiend. Een honeymoon leek ons wel wat. We planden een reis met de trein naar Oostenrijk, leuk!!! Daar hadden we elkaar leren kennen; toepasselijk om naar terug te gaan, toch?

Eh… was het echt zo leuk? Als ik kijk naar de foto’s die Gerard van me maakte, zag ik er moe en sacherijnig uit. De gereserveerde slaapcoupé van de nachttrein was niet zo rustig als beloofd, ofwel ik deed geen oog dicht. En die Gerard bleef maar praten.

Kan die jongen nou eindelijk eens zijn mond houden?, dacht ik geïrriteerd. Maar ja, we waren net getrouwd, dat soort dingen mag je dan toch niet denken? In Oostenrijk aangekomen reisden we door naar het dorpje, waar ook het kamp was geweest. Het was er koud en nog best kaal. In Nederland stonden de struiken en bomen al in bloei, maar hier leek het nog volop winter. Aan het eind van de week verwachtten ze zelfs een dik pak sneeuw! Wij hadden daar helemaal niet op gelet thuis, zo druk waren we geweest met onze bruiloft.
Gelukkig was onze kamer gezellig en was er een ligbad bij. Het eten was ook prima, dus dat zat allemaal wel goed. Alleen het aspect van op elkaar afstemmen, dat had nog wat voeten in de aarde. Ik had toen nog geen idee waar dat aan lag.

Gerard en ik hadden niet samengewoond, uit principe. We kenden elkaar dan wel anderhalf jaar, maar een heleboel wisten we nog niet. Om maar wat te noemen: seks en zo… Hartstikke leuk hoor, maar hoe moest dat allemaal? Ik moest ook wennen aan het feit dat ik de hele dag iemand om me heen had. Dat vond ik raar van mezelf. Als je echt van elkaar houdt, vind je alles toch leuk? Maar ik vond niet alles leuk! En dat was wederzijds. Gerard ergerde zich aan dingen die hem voorheen niet opgevallen waren. Regelmatig kreeg ik te horen dat ik niet meewerkte aan een mooie foto. Hij had dan iets in z’n hoofd, dat ik naar een dorpje moest wijzen of op een bepaalde manier kijken. Dan moest ik heel lang stilstaan, vond ik, en daar had ik geen zin in. Met als gevolg: allebei boos.

Had iemand me toen maar verteld dat het niet gek was wat ik voelde Dat trouwen en een relatie hebben heel mooi is, maar niet betekent dat je constant dolgelukkig bent. Dat je je leven lang samen de tijd hebt om elkaar beter te leren kennen… hoe mooi en waardevol is dat! Maar het duurde jaren voor ik dat begreep. Het was verder fijn om te wandelen in de Oostenrijkse bergen, al was het behoorlijk koud. We kwamen zelfs een keer bijna vast te zitten met een busje in de sneeuw, de zogeheten Taxi Maxi. Herr Maxi stapte uit en ging ter plekke sneeuwkettingen om de banden doen. Zodoende kwamen we toch veilig hogerop de berg.
Op de laatste dag brak er eindelijk een voorjaarszonnetje door, toen we in Salzburg waren. Een heel mooi en romantisch stadje; leuk om te bekijken. En op de terugreis in de trein kon ik gelukkig wel slapen. Dus uiteindelijk kwam ik tevreden thuis.
Terug in Nederland vertelden we natuurlijk aan iedereen hoe geweldig het was. Trots lieten we – na een week, want ontwikkelen en afdrukken – onze foto’s zien, en die waren ook echt mooi. De foto’s van onze bruiloft waren helemaal super. Toch weer -letterlijk- dat romantische plaatje. Wat het niet steeds was, maar ja. Daar praatte ik maar niet over.

Ondertussen hadden we allebei nog geen baan. Zodoende zaten we veel thuis. Het leek wel coronatijd, achteraf gezien. We hadden alleen nog geen internet en geen mobieltjes. We woonden in een tweekamerappartement,. Veel ruimte om terug te trekken was er dus niet. Maar Gerard maakte een hoekje voor mij in de slaapkamer. Daar kon ik lekker aan mijn bureautje schrijven of wat naar buiten staren. Heerlijk vond ik dat en zo lief bedacht!

Héél lang heeft dat bureautje daar overigens niet gestaan, want het moest plaats maken voor een wieg. We werden papa en mama! En al klinkt het misschien cliché; een kindje krijgen is echt wel het mooiste wat er is. En dan heb ik het dus niet over de bevalling; wat een toestand was dat.

Omdat we nu 30 jaar getrouwd zijn, hebben we onze honeymoon nog eens dunnetjes overgedaan. Niet naar Oostenrijk (mag niet eens, vanwege corona) maar gewoon in Nederland. Geen pension in de bergen, maar een hotelletje aan het strand!

Gelukkig geen sneeuw. Wel zon, zee, wind en wolken. Niet gezellig eten of drinken in een sfeervolle zaal, maar simpel met een dienblad op onze kamer (alweer vanwege corona). Mondkapjes op in de gang en niet met z’n tweeën het eten ophalen aub. Maar wat gaf het? Zelfs terwijl de regen ’s nachts tegen het raam kletterde en de wind om het gebouw huilde, waren we gelukkig! We hadden elkaar en we hadden onze kinderen. We kennen elkaar intussen beter dan in het begin, we herkennen onze eigen zwakheden en leren daarvan. Ik maak me niet meer druk over Gerard z’n ge-fotografeer, ik maak er zelf minstens zoveel! En verder? Ach, dat schrijf ik wel weer eens in een andere blog…

De kamptrui

Héél lang geleden… waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden ze elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen, afkomstig van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman. Hij studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo probeerde ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze inmiddels een paar vriendjes gehad. Geen van die hen was echter de ware.

Op een dag zat ze zich in haar studentenkamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome; misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Op dat moment belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur aan de telefoon te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ zei het meisje. ‘Nou, zei de vriendin, ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Zij willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hen niet eens en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze 2 dagen later al zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
‘Wow, wat een buitenkans!’ dacht het meisje. Ze hoefde er geen uur over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief bezig te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Als ‘ie klaar was, zou ze alle namen van de deelnemers erop borduren, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen twee weken.

Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van de bergen, de groep, en van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al maanden eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd… een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eentje dan… Zou ze hem ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een jasje. Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard haar spulletjes kwam brengen, nota bene op de dag van haar afstuderen. Wat een verrassing! De andere jongens waren er ook, maar haar hart begon toch echt sneller te kloppen voor die ene. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen ze op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden ze officieel verkering. En dat meisje… dat was ik natuurlijk.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en deed nogal stug. Gerard begreep daar niets van. Hij maakte veel grapjes en sloofde zich uit om mijn aandacht te krijgen. Aan het eind kregen wij de kamptrui kado, als dank voor het te gekke kamp én omdat wij nu een stel waren. We moesten hem wel regelmatig uitlenen aan andere kampleden, werd ons gezegd.

‘Ze moesten eens weten…’ dacht ik. Want ik had mijn conclusie al getrokken: ik maakte het uit! Ik had er geen zin meer in. Toch bleek dat de oplossing niet te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. Andersom moest Gerard erg wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen leven had, en eigen ideeën. Met een rugzakje vol bagage uit haar jeugd, niet te vergeten. Dat had hij zelf ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’. Daar hadden we helemaal gelijk in, maar het kostte jaren om te ontdekken hoe!

De kamptrui heeft jaren onderin een kast gelegen. We deden hem nooit aan, het model was veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Een paar maanden geleden besloot ik hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Het was nog een hele klus. Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was. Totdat ik ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen (wat Gerard al een paar keer geopperd had, maar bij mij niet binnenkwam…). Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Ergens is die trui een beeld van ons huwelijk. We trouwden 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen… werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar. Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een relatie houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van! Iets dat ons beter past dan de vorm van 30 jaar geleden.

Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En ook dat ik het met jou uithou. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het misschien niet gered. Reden genoeg voor een feestje! Maar ja, dat komt later pas, als we lekker geen afstand meer hoeven te houden 🙂 🙂 🙂 :-):-) 🙂 🙂 🙂

De kamptrui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam was de oudste van drie kinderen, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje was de jongste van vier kinderen, kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten samen wel een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken, en een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht helpen. Alle namen van de deelnemers zouden er later op geborduurd worden, een kleurig geheel. In twee weekjes was kamptrui af.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van de bergen en van de hele groep. De mensen vertrouwden en ze voelde zich thuis. Het was ook heerlijk omniet echt de verantwoordelijkheid te dragen. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze dat goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal naar de groep dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eentje dan…Zou ze hem ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten plus een zwart jasje. Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke Oostenrijk-kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd? De kampleden merkten er niets van. Ze gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik…
Ja ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat Gerard een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. Andersom moest Gerard ook wennen aan een meisje als ik. Dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’. We trouwden op een prachtige lentedag, 22 maart 1991.

Onlangs kwam ik die trui tegen onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem maar eens uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog steeds niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht; hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets nieuws van! Iets wat beter past dan 30 jaar geleden.

Ik ben zo blij dat jij het met mij uithoudt Gerard. En dat geldt andersom ook. Ik ben trots op onze kinderen, voel me soms een beetje klein over zoveel dat ik gekregen heb. Ik ben ook dankbaar mensen om ons heen, zonder hen hadden we het misschien niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

De trui

Héél lang geleden…waren er eens een jongen en een meisje. Ze kenden elkaar niet, en normaal gesproken zouden elkaar ook niet tegengekomen zijn. De jongen kwam van de Veluwe, groeide op tot een slimme jongeman, studeerde in Wageningen en ging in militaire dienst. Het meisje kwam uit het westen van het land en studeerde in Utrecht. Ze was een beetje rusteloos. Zo bezocht ze elk jaar een andere studievereniging of kring, veranderde ze zeker 8 keer van kamer, en had ze ook al een paar vriendjes gehad. Geen van die jongens was echter de ware.

Op een dag zat zij zich in haar kamer te vervelen. Ze had net een geweldige vakantie gehad in Rome, misschien wilde ze daar wel naar terug om een jaar vrijwilligerswerk te doen! Toen belde een vriendin haar op. Ze zaten een uur te kletsen – dat deed je toen nog – totdat de vriendin vroeg of ze misschien zin had om naar Oostenrijk te gaan.
‘Naar Oostenrijk? Hoe bedoel je?’ ‘Nou, zei de vriendin,’ ‘ik ken een paar jongens die een kamp gaan leiden. Die willen er heel graag nog een meisje bij als staflid, en ik dacht dat jij daar vast wel zin in had!’ Het meisje dacht na. ‘Maar ik ken hun niet eens, en ik heb geen idee hoe dat moet! Wanneer begint het eigenlijk?’ Het bleek dat ze over 2 al dagen zouden vertrekken. De vriendin verzekerde haar dat ze niets meer hoefde voor te bereiden, alleen maar meegaan en helpen.
Wow, wat een buitenkans! dacht het meisje. Ze hoefde er geen dag over na te denken, ze ging mee.
En zo kwamen Gerard en zij elkaar voor het eerst tegen, ergens in 1989. Samen met nog zo’n 25 jongeren reisden ze in busjes naar Oostenrijk. Het huis waar de groep logeerde, stond op een prachtige plek. Een uitvalsbasis om bergwandelingen te maken. En een plek om plezier te maken, te zingen, te bidden en creatief te zijn.
Eén zo’n creatieveling begon zelfs spontaan een trui te breien, waar iedere deelnemer aan mee mocht werken. Tenslotte werden alle namen van de deelmeners erop geborduurd, een kleurig geheel. Je moest wel een beetje tempo hebben als je kon breien, want de vakantie duurde nog geen 14 dagen.
Het meisje werd op handen gedragen door de vier jongens die het kamp leidden. Voor haar was het dan ook een heerlijke tijd. Ze genoot van het hele gezelschap, het vertrouwen van de anderen in haar en ook van het feit dat zij niet echt de verantwoordelijkheid droeg. Dat droegen de jongens – en gelukkig deden ze het goed!
Twee dagen eerder dan de rest van de groep, stapte ze echter op de trein naar Nederland. Ze had al eerder afgesproken om naar een muziekfestival te gaan, en dat wilde ze niet missen. De jongens brachten haar naar het station en gooiden confetti over haar rode haar. Ze verzonnen een verhaal dat ze uit het kamp gezet werd…een hele slechte grap! Ze kregen er bijna ruzie door met hun kampgenootjes, die het helemaal niet leuk vonden dat het meisje zomaar wegging.

Het meisje (ik dus) zat met tranen in haar ogen in de trein naar huis. Leuk hoor, dat Flevofestival, maar wat een overgang ineens met de gezelligheid in Oostenrijk! En wat miste ze die leuke jongens toch, vooral eéntje dan…Zou ze hen ooit weer zien?
Al snel kwam ze erachter dat ze haar fototoestel was vergeten en een zwart jasje Dat hadden haar kampgenoten ook al ontdekt. Eén van de jongens ontfermde zich graag over haar spullen, en zou er persoonlijk voor zorgen dat ze die terugkreeg. En zo gebeurde het dat Gerard mijn spulletjes kwam brengen, op de dag van mijn afstuderen N.B. De andere jongens waren er ook, maar mijn hart begon toch echt sneller te kloppen voor hem. En dat was wederzijds! Voorzichtig begonnen we op Nederlandse bodem elkaar wat beter te leren kennen. Half september hadden we officieel verkering.

Een vriendje hebben is leuk, maar ook best wennen. Gerard en ik konden goed met elkaar opschieten en we waren echt verliefd. Maar ik voelde me nog steeds gauw onrustig. Misschien kon ik maar beter alleen zijn, dacht ik. Ik kon nog altijd in Rome gaan werken. Maar eerst hadden we nog een reünie van dat leuke kamp. In meerdere opzichten werd dat een verwarrend weekend. Ik vond het heel gek om ineens ‘de vriendin van’ te zijn, en werd een beetje stug. Gerard begreep daar niets van, wat deed hij verkeerd?De kampleden gaven ons samen de kamptrui, als dank voor het te gekke kamp en omdat wij nu een stel waren. Ze moesten eens weten dat ik het alweer uit wilde maken, dacht ik!
En ja hoor, ik maakte het uit, ik had geen zin meer. Maar dat bleek de oplossing niet eens te zijn. Ik moest echt leren om niet alleen verliefd te zijn, maar ook de ander de ander te laten zijn. Rekening ermee houden dat hij een andere achtergrond had. Ontdekken dat hij reuze slim was, maar dat dat niet betekende dat hij mij dus begreep. Van mijn eilandje afkomen, zo voelde het voor mij. En dat terwijl ik dacht dat ik altijd zo makkelijk was! Andersom moest Gerard wennen aan een meisje dat niet alleen vrolijk en dartel was, maar ook een eigen mening had. En een rugzakje vol bagage uit mijn jeugd, niet te vergeten. En dat had hij ook, maar we dachten allebei dat alles over zou gaan door ‘de liefde’.

Onlangs vond ik die kamptrui onderin een kast. We hebben hem bijna nooit gedragen, omdat het model veel te breed was voor onze smalle schouders. Maar weggooien, dat was zonde! Ik besloot hem uit elkaar te halen, wat hadden we er anders aan? Ik begon met foto’s ervan te maken en toen voorzichtig uit elkaar te halen. Dat was nog een hele klus! Elke dag een klein stukje, maar het ging zo moeizaam dat ik na weken pas op de helft was.
Totdat ik vorige week ontdekte dat ik aan de verkeerde kant was begonnen…Toen ik eenmaal aan de bovenkant begon met uithalen, was het een makkie! Behalve alle namen van de kampdeelnemers dan, dat bleef gepruts. Het is nu nog niet klaar.

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Al mijmerend vond ik de trui een mooi beeld van ons huwelijk. Wij trouwden op 22 maart 1991, vol dromen en idealen. Wat kregen we een mooi gezin! Kleurrijk en warm, vier dochters en twee zonen. En wat zat het ons soms tegen…werkloosheid, ziektes, stress. We lieten heel wat steekjes vallen en sommige kleuren vloekten bij elkaar.
Soms moesten we een stuk uithalen om het vervolgens weer recht te breien. Een huwelijk houdt geen stand als je er niet aan werkt. En je hebt niets aan een trui als je die niet draagt. Maar wacht, hier houdt de vergelijking op. We gooien de trui van onze relatie niet weg, we maken er iets anders van. Iets wat beter past dan 30 jaar geleden. Ik ben heel blij dat jij het met mij uithoudt Gerard! En dat geldt andersom ook. Ik ben ook dankbaar voor familie en mensen om ons heen, zonder hen hadden we het niet gered. Een groot feest zit er niet in door corona, maar wie weet, later?

Hollen of stilstaan

Afgelopen weken had ik heel veel hoofdpijn. Nou, zul je misschien denken, als dat alles is? Iedereen heeft toch weleens hoofdpijn?
Daar ben ik het helemaal mee eens. En ik ken ook mensen die elke dag met pijn en ziekte geconfronteerd worden, wat veel erger is. Alle respect voor hen en hoe ze dat verdragen! Deze blog is meer voor mensen die slecht luisteren naar signalen van hun lichaam, zoals ik…

Ik ben echt niet zo’n die-hard, of iemand die een ontzettend hoge pijngrens heeft, maar ik heb wel de neiging om over m’n grenzen te gaan. Dat weet ik van mezelf en toch trap ik er elke keer weer in. Als ik erover nadenk, gaat dat meestal volgens hetzelfde patroon. Dan begin ik met één of andere klus, de badkamer schoonmaken bijvoorbeeld of een kast opruimen of een blog schrijven. Op een gegeven moment word ik het zat, maar ja, de klus is niet klaar. ‘Kom op’, vermaan ik mezelf dan, ‘niet zeuren. Zo vreselijk veel heb je nou ook weer niet gedaan.’ Dus ga ik door, want het werk moet af. Weer een tijdje later voel ik dat ik moe ben. Ik zucht diep en pak even een snoepje. Misschien ga ik zelfs even zitten! Maar niet te lang, want ik ben nog steeds niet klaar. Plichtsgetrouw ga ik weer verder. Als Gerard op zo’n moment iets aan me vraagt, ben ik waarschijnlijk snauwerig. Voor hem is het inmiddels duidelijk dat ik moet stoppen.
‘Heb je wel wat gegeten?’, vraagt hij dan standaard. ‘Ja hoor’, antwoord ik kortaf. ‘Zou je niet gewoon stoppen dan? Morgen is er weer een dag. Wat is er erg aan als je dan pas verder gaat?’
Soms ben ik er jaloers op hoe relaxed Gerard kan zijn. Hij kan werkelijk uren op de bank liggen, zappend van de ene naar de andere sportzender. Ondertussen valt hij in slaap, of leest hij leuke feitjes en Twitterberichtjes. Die stuurt hij dan enthousiast door naar de hele familie in vele appjes. Maar… diep in m’n hart vind ik hem ook wel een beetje lui.
Nee, dan ik! Verbeten ga ik door met het laatste stukje van mijn klus. Bijna klaar, nog éven doorzetten. Om energie te sparen zeg ik geen woord meer tegen hem of de kinderen. Nou nou, een tijdje later ben ik eindelijk tevreden. Klaar!
Vaak ben ik dan de tijd vergeten en moeten er nog dringend boodschappen gehaald worden. In elk geval moet er nog gekookt worden, waar ik dan helemaal geen zin meer in heb. Gerard ook niet. ‘Dan eten we toch tosti’s?’ is zijn praktische oplossing.

Ik word geregeld wakker met spierpijn. Kan mijn leeftijd zijn, maar het zegt ook iets over moeheid en protesterende spieren. Als ik dat signaal negeer, krijg ik vanzelf hoofdpijn. Dat negeer ik dan ook eerst weer een tijdje, onder het mom van ‘dat gaat vanzelf over’. Ik drink een keer extra koffie of ik eet wat pure chocola, en soms helpt dat nog ook. Maar de laatste tijd werkte het helaas niet meer! Ik begon de dag al met hoofdpijn, werd er misselijk van. Paracetamol hielp niet eens. Ik twijfelde of ik rustig aan zou doen, of mezelf proberen af te leiden met lekker naar buiten gaan. Het licht en de lucht buiten deden zo’n pijn aan m’n ogen, dat ik ze het liefst dicht hield. Maar ik wilde niet binnen zitten! Dus zonnebril op, petje op met een klep en zo ging het dan nog net. Totdat ik uiteindelijk zo ontzettend moe werd, dat ik niets meer leuk vond. Binnenshuis had ik al bijna een zonnebril nodig… In mijn geval is dat niet migraine, maar overbelasting.

‘Leg de lat toch niet zo hoog,’ zeggen mensen nogal eens tegen me. Maar het punt is dat ik die lat nooit zie! En wat is concreet te hoog? ‘Je moet beter luisteren naar je lichaam’, zeggen anderen. Ze hebben helemaal gelijk. Maar ik moet zoveel, of ik wil zoveel. Dat was vroeger al zo. Toen ik 13 was, zei mijn moeder eens: ‘Het is bij jou ook hollen of stilstaan. Pas maar op, je holt jezelf nog eens voorbij!’. Dat is al heel wat keren gebeurd in mijn leven.
Ongetwijfeld heeft het iets te maken met die eetstoornis, die me zo lang dwars gezeten heeft: doorgaan, rusteloos zijn, mezelf geen ontspanning gunnen. Maar ook nu dat beter gaat, komt het elke keer terug. Is het hoe ik ben, de aard van het beestje zogezegd? Of laat ik mezelf nog steeds opjagen door wat dan ook?

Gelukkig is het nooit te laat om te leren. ‘Ga naar de vogeltjes kijken; doe eens 5 of 10 per dag minuten niks’, raadde iemand me aan, toen ik weer eens zat te klagen over hoofdpijn. Dat leek een simpele opdracht, maar het viel nog tegen. ‘Ik ben toch niet bejaard!’, dacht ik. Maar uiteindelijk legde ik me erbij neer en het werkte. Als ik het niet deed, kreeg ik nog meer hoofdpijn of een huilbui of ik viel sacherijnig in slaap. En ik kreeg hulp van onze poes.

Poes? Ja, wij hebben twee poezen, die allebei zeker 18 uur per dag slapen. Op ons bed, op mijn stoel, op de trap… En als ik eens een kwartier op de bank probeer te rusten, gaat één van die poezen er graag bij liggen. Dat is nog eens relaxed! Echt veel fijner dan met een enthousiaste peuter een dutje proberen te doen. Die poes van ons draait een paar rondjes, likt zijn poten, krult zich op en gaat gewoon slapen. En spinnen, rrrrrrr. Heerlijk, dat geluid, daar word ik nog eens rustig van!

Is het herkenbaar, dat hollen of stilstaan? Ik hoop van wel, misschien kunnen we er samen nog eens een clubje voor oprichten. Voor het stilstaan dan, hollen is voor mij geen probleem…

Februari, sprokkelmaand.

Vroeger hadden wij een kalender, waarop niet alleen de maanden stonden, maar ook een bijnaam voor elke maand. Ik weet ze niet allemaal meer precies, maar de eerste drie kan ik me nog wel herinneren. Januari was de louwmaand, februari de sprokkelmaand, en maart -niet zo verrassend- de lentemaand.

Februari sprokkelmaand. Dat vond ik vroeger al zo’n leuk woord. Sprokkelen riep bij mij het beeld op van hout sprokkelen in het bos. Vast niet zo romantisch voor de mensen die echt de kou in moesten, maar toch klonk het gezellig. Ik zag een vader voor me die met de oudste kinderen een flinke bos takken verzamelde, terwijl er een dik pak sneeuw lag. Iedereen klompen aan met stro, kranten onder de kleren om warm te blijven en zoeken maar. En een moeder die met de kleintjes binnen bleef, lekker warm bij de kachel die zacht snorde op de laatste restjes hout. Appelmoes sudderend in een pannetje…je zou er zin in krijgen!
In feite is dat woord sprokkelen afgeleid van een Latijns woord: spurcalia. Ik heb opgezocht wat dat eigenlijk precies betekent, en ik keek ervan op. Netjes omschreven was het een soort reinigingsfeest in februari in de Romeinse tijd, maar letterlijk betekent het ‘smerig’. Want de Germanen, de oorspronkelijke bewoners van hun gebied, vierden ook zo’n feest, maar dan een stuk erger…smerig en onkuis volgens de Romeinen! Mmm, weer wat geleerd vandaag.

Terug naar het heden. Februari staat dit jaar qua weer in het teken van uitersten. Van zacht weer met wateroverlast, naar sneeuw en ijzige kou, gevolgd door nog zachter lenteweer. Saharazand kleurt de luchten prachtig roze. Warm koud warm. Wat een overgangen elke keer, en dan te bedenken dat ik zelf ook nog eens in de overgang zit!

Terwijl het stof uit de Sahara neerdwarrelt op de auto’s in de straat, gaan mijn gedachten terug naar de vrieskou. Anderhalve week geleden nog maar stonden ‘we’ massaal op het ijs. Ik ook. Ik ben echt geen schaatsfanaat hoor, door het jaar heen zie je mij niet op overdekte ijsbanen. Maar van natuurijs word ik echt heel blij! Dan wil ik hoe dan ook schaatsen, zodra het enigszins betrouwbaar is. Dat duurde dit jaar wel eventjes. We werden flink gewaarschuwd door deskundigen om niet het ijs op te gaan na een paar nachtjes vriezen, en al helemaal niet op open water.
Af en toe ging ik kijken hoe het ijs erbij lag in de buurt. Niet heel aantrekkelijk,eerlijk gezegd. Geribbeld door sneeuw en harde wind, overal wakken. Op donderdag stond ik langs de kant bij een grote vijver waar heel wat jongelui schaatsten. Ik keek naar de wakken, en besloot nog maar een dagje te wachten.
Op vrijdag vroeg een vriendin of ik al geschaatst had, zij al wel. Dat schudde me wakker. Als zíj al geschaatst had, dan kon ik dat natuurlijk ook!
Zo ging ik dapper meteen maar naar een plek bij de uiterwaarden. Toen ik daar aan kwam, liepen er al heel wat mensen weer terug. Toen ik naar het ijs keek, snapte ik wel waarom…het zag er heel slecht uit aan de kant. Maar verderop was men toch aan het schaatsen, blijkbaar was het ijs toch dik genoeg. Ik besloot het erop te wagen. Bond mijn schaatsen onder, glibberde op m’n billen de gladde helling af, en zette voorzichtig voet op het ijs. Heel eng om door water te schaatsen, maar ik zakte er niet doorheen. Verderop zag het ijs er beter uit. Als vanzelf duwde de wind me daarheen, en voor ik het wist was ik al een heel eind van de kant. Aarzelend keek ik nog een keer achterom, was het niet te gevaarlijk wat ik deed? Maar ik kon niet meer stoppen, alleen al niet door die harde oostenwind. En voor en achter me zag ik genoeg andere waaghalzen rondjes schaatsen, dus deed ik maar mee. Met knikkende knieën weliswaar, maar het lukte. En ik genoot! Het was prachtig. Een spiegelende ijsvloer, een blauwe hemel met wat plukjes wolken, vrolijke mensen die mij allemaal inhaalden… Het gekraak van ijs, het geschraap van schaatsen en fluitende wind in m’n oren.
Twee grote rondjes hield ik het vol. Om op de kant te komen, moest ik weer de nodige toeren uithalen. Maar het was een geweldige ervaring.

De dag erna ging ik ergens anders schaatsen, met drie van onze kinderen. Maarten, Janine en Johan van bijna 25 die later zou komen. De tieners sputterden zoals gewoonlijk eerst tegen. Ik moest nog aardig wat overredingskracht gebruiken om ze mee te krijgen. ‘Schaatsen is toch leuk! En over een dag gaat het misschien alweer dooien!’, zei ik. Mopperend fietsten ze achter me aan. ‘Moet het echt? Waarom nou?’ hoorde ik verschillende keren achter me. Maar ik zei niks terug. ‘Als we er eenmaal zijn, dan vinden ze het vast wel leuk’, dacht ik. We stalden onze fietsen en zochten een plekje aan de kant waar we de schaatsen aan konden doen. Het had flink gevroren en het ijs op die sloot zag er veelbelovend uit. Ik schaatste zo alweer weg.
Even later merkte ik dat ik niet gevolgd werd. Maarten, die inmiddels niet meer boos was, paste zijn schaatsen niet. En Janine stond treurig op mijn oude kunstschaatsen te wiebelen. ‘Ik kan het niet!’ klaagde ze, ‘Het is veel te moeilijk met deze schaatsen’. Het huilen stond haar nader dan het lachen, en op den duur trok ze ze uit. Wat ik ook zei over vallen en opstaan, het hielp niks. Gelukkig vond ze een vriendinnetje met wie ze gezellig rond ging lopen. Maarten stampte intussen uit verveling een gat in het ijs, hij moest toch wat. Maar opeens zakte hij er met een voet doorheen…koud!!! Goeie reden voor hem om snel weer naar huis te kunnen.

Johan was die dag de reddende engel. Hij toonde zowel begrip voor mij als voor zijn zeurende broer en zusje. ‘Koop volgend jaar gewoon fatsoenlijke schaatsen voor die kinderen, zul je zien dat zij het dan ook leuk vinden’, raadde hij me aan. En verder schaatste hij vrolijk met mij mee. En ik genoot ervan, hoewel ik minstens vijf keer viel omdat ik de verkeerde maat schaatsen aan bleek te hebben. Ik had die van Maarten en mij per ongeluk verwisseld…

Zondag was de topdag op schaatsgebied. Samen met Johan en nu met de goede maat schaatsen, fietste ik weer naar de uiterwaarden. Wel een andere plek dan vrijdag, maar daar zou het het volgens Johan ook heel mooi zijn.
Nou, hij had niets overdreven. Het was niet gewoon mooi, het was sprookjesachtig! Goed ijs, veel ruimte, grote vlaktes en beschutte plekken. Je kon zelfs tussen de bomen van een bevroren bosje heen schaatsen, heel bijzonder. Er hingen ijsplaten in de takken, restanten van hoe hoog het water had gestaan. Af en toe een knalde er een brok ijs naar beneden, maar dat mocht de pret niet drukken. De snijdende oostenwind van de dagen ervoor was gaan liggen, dus het was ook nog eens minder koud. En dat samen met mijn stoere zoon, die het niet eens gek vond om met zijn moedertje te schaatsen! Genieten was het, in de overtreffende trap.

Maar goed, genoeg over het ijs. Het is warm vandaag buiten, terwijl de lente officieel pas over een maand begint. Februari sprokkelmaand, ach…voor mij en veel anderen was het een bijzonder mooie maand!